Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
598. ‘Het slegt schuijm van vagebonderend volk’
 

Titel:   

‘Het slegt schuijm van vagebonderend volk’

Ondertitel:   

De bestraffing van bedelaars en landlopers door de schepenbank van Tilburg in de zeventiende en achttiende eeuW

Auteur:   

E.J.M.F.C. Broers*

Jaargang:   

XXII (2004) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

3

Pagina’ s:   

92-98



In november 1729 arriveerde in Tilburg ‘een seer suspect geselschap van vijff persoonen, soo mans als vrouwen, ... alle bedelaers en vagebonden’. Het waren Gerrit Swillens, diens vriendin Jen van Lummen alias Jen van Heel, Huijbert Eijckendorp, Maria Janssen en Anna Catrien, naar haar plaats van herkomst Anna Catrien van 's-Hertogenbosch genoemd.
(1) Deze laatste nu - een jonge vrouw nog - werd door de gerechtsofficier van Tilburg ‘ten uijttersten gesuspicieert’ enkele jaren eerder betrokken te zijn geweest bij een brandstichting met dodelijke afloop. Op 22 november 1729 kreeg de officier van de schepenbank toestemming om de vijf vagebonden in hechtenis te nemen en een strafproces tegen hen te beginnen.

In deze bijdrage zal aan de hand van het strafproces tegen dit vijftal nader worden ingegaan op de berechting van bedelaars en landlopers door de schepenbank van Tilburg in de zeventiende en achttiende eeuw. Daarbij zal de aandacht allereerst uitgaan naar de wettelijke verordeningen die de Staten-Generaal in deze periode voor het generaliteitsland Brabant hebben doen uitgaan om de aanwezigheid en de criminele activiteit van vagebonden te bestrijden. Vervolgens zal worden bezien welke straffen door de Tilburgse schepenen aan de overtreders van deze verordeningen zijn opgelegd. Een korte beschrijving van de voorgeschiedenis van het vagebondisme en de criminalisering van dit verschijnsel door de overheid gaat aan dit alles vooraf.(2)

    Bedelarij en landloperij
Bedelarij was een verschijnsel waarmee de samenleving reeds in de Middeleeuwen te maken had. De lokale overheden trachtten deze uitwas in de hand te houden door middel van het verstrekken van zogenaamde bedelpenningen. Alleen personen aan wie een dergelijke penning was verleend, omdat zij door ziekte, gebrek of ouderdom niet in staat waren te werken, was het toegestaan om te bedelen. Anderen werden van tijd tot tijd opgepakt en de gemeenschap uit gezet. In de veertiende en vijftiende eeuw echter nam de armoede ten gevolge van oorlog, hongersnood en ziekte sterk in omvang toe en ontstonden er groepjes rondzwervende bedelaars. Behalve met bedelen verdienden deze landlopers de kost met seizoenarbeid en met werk als ketels lappen, stoelenmatten en messen slijpen, maar ook gaven zij zich dikwijls over aan afpersing, diefstal, inbraak en roof.(3) Tevens verschenen er in de loop van de vijftiende eeuw groepen zigeuners in de Nederlanden en ook deze ‘Egyptenaren’ of ‘Heidenen’, zoals zij werden genoemd, maakten zich geregeld schuldig aan allerhande strafbare feiten, waaronder oplichterij, diefstal en stroperij.(4) 

Voor de landsheerlijke overheid werden deze inheemse en uitheemse zwervers een steeds groter probleem. Halverwege de vijftiende eeuw verschenen dan ook de eerste ordonnanties ter bestrijding van bedelarij en landloperij. Het was echter vanaf de eerste helft van de zestiende eeuw dat in hoog tempo steeds meer wettelijke maatregelen werden uitgevaardigd.(5) Uit een daarvan, een ordonnantie van Karel V van 28 september 1529, blijkt dat Brabant veel te lijden had van de praktijken van grote groepen ‘rabbauwen ende andere vagebunde ende ledige persoenen, mans ende vrouwen, van diversen nacien, nyet hebbende om op te levene, nochtans wel gestelt van lichame, maer neyt willende wercken noch arbeyten om huere broot te winnen’.(6) Met bedelverbod en werkgebod werd de ledigheid door de wetgever bestreden. Vagebondisme was ten enenmale verboden en zij die zich daaraan overgaven, kwamen in aanmerking voor schandstraffen, lijfstraffen, dwangarbeid en - bovenal - langdurige of levenslange verbanning. Hadden vagebonden hun wensen kracht bijgezet met dreigementen of gewelddadige handelingen, dan kwamen zij aan de galg. Ook zigeuners stond de doodstraf te wachten als zij het land niet binnen zekere tijd hadden verlaten.(7) Het was intussen niet alleen in Brabant, of in de Nederlanden, dat mensen die zich in de marge van de samenleving ophielden, hard werden aangepakt. Overal in Europa werden in deze tijd wettelijke maatregelen afgekondigd waarin personen zonder een vaste verblijfplaats of zonder een geregeld inkomen strenge straffen in het vooruitzicht werden gesteld.(8) 

In de Nederlanden sorteerden de uitgevaardigde strafwetten nauwelijks effect. Doordat zigeuners en zwervers werden gedwongen hun heil elders te zoeken, werden de problemen niet opgelost, maar alleen doorgeschoven naar een ander gebied. Duidelijk blijkt dit uit de aanhef van de eerder genoemde ordonnantie van Karel V uit 1529. Daarin kan men lezen dat er voor Brabant reeds in 1509 een ordonnantie was afgekondigd op grond waarvan leeglopers, vagebonden en rabbauwen konden worden uitgewezen. Veel van deze onnutte lieden waren daarop uitgeweken naar Vlaanderen, waar zij ook weer ‘ontallycke overdaden ende fortssen, tot grooten laste ende verdruckinge van den ondersaten’ hadden gepleegd. Toen de wetgever vervolgens voor Vlaanderen een soortgelijke verordening had doen uitgaan, en de boosdoeners zich genoodzaakt zagen om ook die provincie te verlaten, waren zij in groten getale teruggekeerd naar Brabant.(9) 

In de zeventiende en achttiende eeuw blijkt de situatie in Brabant alleen maar te zijn verergerd. In deze eeuwen was Brabant, ook na de beëindiging van de Tachtigjarige Oorlog, dikwijls het toneel van oorlogshandelingen. Gevolg daarvan was, dat het platteland te maken kreeg met groepen zwervende soldaten, vooral deserteurs en gewezen huurlingen, maar ook nog in actieve dienst zijnde militairen. Er ontstonden “militaire benden” waarvan de leden zich, behalve met bedelen, venten, stoelenmatten, schoenen lappen en soortgelijk werk, bezighielden met gewapende overvallen, struikroverij, inbraak, diefstal en afpersing. Ook groepen rondtrekkende zigeuners vervielen tot dergelijke zware criminaliteit. Daarnaast waren er Brabantse families en bendes actief met bedelen en landlopen, kleine en grote diefstallen en andere vermogensdelicten.(10) En dan waren er nog de “gewone” zwervers die, alleen of in kleine groepjes, van dorp naar dorp trokken en de inwoners om aalmoezen vroegen, of om eten of een plaats voor de nacht, en die daarmee voor overlast zorgden en de openbare orde verstoorden.

Bedelaars en vagebonden. Fragment uit een tekening van 
Jeroen Bosch. (Coll. Bibliotheek Brussel).


    Haagse regelgeving
Als nieuwe soeverein van het noordelijke deel van Brabant vaardigden de Staten-Generaal in de zeventiende en vooral de achttiende eeuw geregeld verordeningen uit die een einde moesten maken aan deze misstanden. Bedelaars, landlopers en vooral zigeuners moesten hard worden aangepakt. Meer en meer concentreerde de wetgever zijn aandacht op deze laatste groep. Bij het plakkaat van 31 januari 1695 ‘tegens landloopers, vagabonden ende bedelaers, onder den naam van Heydenen, Egyptenaren etc.’ werd bevolen dat zigeuners het land binnen veertien dagen moesten verlaten. Deden zij dat niet, dan konden zij rekenen op strenge straffen.(11) De verordening sorteerde evenwel niet het gewenste effect en met name de Meierij van ‘s-Hertogenbosch ondervond veel hinder van zwervers van diverse pluimage. Derhalve gingen de Staten-Generaal op 9 oktober 1723 over tot de uitvaardiging van een nieuw plakkaat met daarin een nauwkeurig uitgewerkt pakket aan sancties. Bepaald werd dat ‘alle landloopers, vagebonden, bedelaars, hetzij onder den naam van Heydenen, Egyptenaaren ofte andersints’ bij hun eerste arrestatie zouden worden gegeseld, bij hun tweede arrestatie worden gegeseld en gebrandmerkt en bij hun derde arrestatie ten slotte worden opgehangen. Deze doodstraf moest ook worden opgelegd aan heidenen die bij geweldpleging betrokken waren geweest, die een vuurwapen in hun bezit hadden, of die zich ophielden in een groep van zes personen of meer.(12) 

Bij plakkaat van 1 april 1738 werden deze strafbepalingen herzien en werd tevens een onderscheid aangebracht tussen de bestraffing van uitheemse en inheemse zwervers. Uitheemse zwervers die zich op het grondgebied van Brabant ophielden, zouden worden gegeseld als zij voor de eerste maal werden aangehouden, terwijl zij bij een volgende gelegenheid arbitrair aan den lijve zouden worden gestraft. Hadden zij tijdens hun omzwervingen echter zware delicten gepleegd, zoals moord, brandstichting of roof, dan diende hun aanstonds een ‘exemplaare leevensstraf’ te worden opgelegd. Zij moesten dan derhalve anderen ten voorbeeld worden terechtgesteld, op een wijze die de strafrechter gepast oordeelde. Inheemse zwervers daarentegen werden bij hun eerste aanhouding veroordeeld tot een maand opsluiting op water en brood. Gaven zij daarna hun zwervend of bedelend bestaan niet op, dan werden zij uit de Generaliteit verbannen.(13) 

In het plakkaat van 1738 werd verder voorgeschreven dat alle zwervers, zowel uitheemse als inheemse, door middel van “snelrecht” moesten worden berecht. Na hun arrestatie moesten zij namelijk de plano, zonder vorm van proces, terechtstaan. Dit betekende, dat de officier van justitie en de rechtbank bij het berechten van vagebonden niet gebonden waren aan de in strafzaken gebruikelijke rechtsgang. Zo hoefde de officier geen ‘informatie preparatoir’ in te stellen naar de handel en wandel van iemand die verdacht werd van vagebondisme. Tijdens een dergelijk voorbereidend onderzoek werd nagegaan of er voldoende gronden waren om een verdachte te arresteren of te dagvaarden en hem vervolgens te ondervragen. Het enkele feit echter dat iemand geen vaste woonplaats of geen vast inkomen had, was een voldoende reden om deze persoon aan te houden. Hij kon zelfs zonder meer op de pijnbank worden gelegd om hem eventuele strafbare feiten te laten bekennen.(14) Op grond van een door de gerechtsofficier ingediende ‘remonstrantie’, waarin de gepleegde feiten en de gewenste straffen waren opgenomen, wees de rechtbank vervolgens vonnis.(15) Daarbij mocht zij zich, behalve over het vagebondisme, uitspreken over alle delicten die door de vagebond waren bekend, ongeacht waar deze waren gepleegd.(16)
Om de uitvoering van de wettelijke strafbepalingen door het justitiële apparaat te stimuleren, hadden de Staten-Generaal een premiestelsel ingesteld voor gerechtsofficieren en hun personeel. Voor elke vagebond die werd aangehouden, werd een premie uitgeloofd, waarvan de hoogte afhankelijk was de status van de ambtenaar die de arrestatie had verricht. Deze premies konden oplopen als het ging om een vagebond die strafbare feiten had gepleegd.(17) Voorts werden de ambtenaren van justitie door de Staten-Generaal aangezet om geregeld klopjachten te organiseren om zo tot meer arrestaties te komen. De ingezetenen waren verplicht om aan deze klopjachten hun medewerking te verlenen als zij daarom werden verzocht, op straffe van een geldboete van 25 guldens.

Plakkaat ‘tegens Bedelaars, Vagabonden en Landlopers, van den 25 Juny 1649’. (Coll. RA Tilburg).

    Anna Catrien en haar trawanten
In het voorafgaande heeft men kunnen lezen dat een gerechtsofficier een verregaande bevoegdheid had om vagebonden te arresteren, te ondervragen en strafrechtelijk te vervolgen. Toen dan ook in november 1729 het suspecte gezelschap van Anna Catrien in Tilburg neerstreek, ging de plaatselijke officier, drossaard Pieter van Hoven, er aanstonds toe over het vijftal aan te houden en in hechtenis te nemen.
Tijdens de verhoren die de verdachten werden afgenomen, kwam onder meer aan het licht dat Gerrit Swillens en Jen van Lummen zich niet alleen hadden schuldig gemaakt aan landloperij en bedelarij, maar ook aan overspel. Swillens was namelijk een getrouwd man, maar hij had drie jaar eerder zijn vrouw verlaten, zich aangesloten bij ‘een troup schoeijers’ en Van Lummen tot bijzit genomen. Deze Van Lummen, alias Van Heel, ‘sijnde een bekende landtloopster en vagebonderende’, had reeds een kind uit een eerdere relatie met een zwerver (die zijn leven aan de galg had gelaten). Ook Huijbert Eijckendorp was geen onbekende van de justitie. Hij had al lange tijd ‘langs ‘t landt geloopen in geselschap van bedelaers en vagabonden’ en was deswege reeds gegeseld te Dordrecht. Dat laatste had hem er echter niet van weerhouden om zich opnieuw bij een troep schooiers aan te sluiten.

De meest twijfelachtige reputatie had evenwel Anna Catrien van ‘s-Hertogenbosch, ‘een vrouwspersoon zijnde jonk, fris & mooij van weesen’. Zij was namelijk in 1726 betrokken geweest bij een brandstichting met dodelijke afloop. In dat jaar had een groep van ongeveer vijftien vagebonden een boerderij in de omgeving van Schijndel, de Nonnebossche Hoeve, in brand gestoken omdat de boer had geweigerd hun voedsel te geven. Een achtjarig kind had bij deze brand de dood gevonden. Net als Anna Catrien behoorden de meeste van de brandstichters tot de Bende van Engele Jantje, een bende die tussen 1720 en 1730 in heel Staats-Brabant actief was en waarvan de leden in kleinere of grotere groepen rondtrokken over het platteland en zich schuldig maakten aan bedelarij, diefstal en afpersing.(18) 

In de aanklacht nu die hij tegen Swillens, Van Lummen, Eijckendorp en Janssen opstelde, legde de gerechtsofficier hun landloperij en bedelarij ten laste en verwees daarbij naar de opeenvolgende plakkaten van de Staten-Generaal, waaronder de op dat moment recente verordening van 9 oktober 1723. Hij vorderde dat de Tilburgse schepenen de vier vagebonden overeenkomstig deze plakkaten zouden veroordelen om door de scherprechter op passende wijze te worden gestraft.(19) 
In het geval van Anna Catrien daarentegen stond de officier maar kort stil bij haar ‘geemancipeert ende vagabondeerende leven’ en bracht hij vooral haar betrokkenheid bij de ‘execrabele brandtstichting’ onder de aandacht van de schepenen. Hij beriep zich dan ook niet op de plakkaten inzake vagebondisme, maar stelde meer in het algemeen dat medeplichtigheid aan brandstichting ingevolge de wetten en plakkaten van het land ten hoogste strafbaar was. Hij concludeerde vervolgens dat de daderes daarvoor aan den lijve moest worden gestraft, op een wijze die in overeenstemming was met deze wetten en plakkaten.

Op grond van het aloude gewoonterecht van Brabant diende brandstichting met de vuurdood te worden bestraft.(20) Deze doodstraf, waarbij het delict dat was gepleegd, werd weerspiegeld in de wijze waarop de dader werd geëxecuteerd, zou evenwel slechts symbolisch worden voltrokken op Anna Catrien. Op 30 november 1729 veroordeelde de schepenbank van Tilburg haar om ‘op een schavot aen een pael geworgt en gestraft te worden datter de doot op volgt, en alsdan in ‘t aengesigt met een brandende stroijwis gebrant off geblaakt, ende het doode lichaam gebragt alhier inde heijde bij de galgh, en aen een pael ten toon gestelt’.
De metgezellen van de Bossche vagebonde werden op 3 december van dat jaar veroordeeld. Maria Janssen werd voor de duur van 25 jaar verbannen uit de jurisdictie, na eerst te zijn te pronk gesteld met roeden om de hals. Huijbert van Eijckdorp werd na voorafgaande geseling eveneens voor 25 jaar verbannen; Gerrit Swillens, na ook eerst te zijn gegeseld, voor 30 jaar. Jen van Lummen ten slotte werd gegeseld, gebrandmerkt en voor 50 jaar verbannen. Bij het vaststellen van deze straffen, zo kan men constateren, heeft de schepenbank de bepalingen van het plakkaat van 9 oktober 1723, waarnaar door de gerechtsofficier toch in het bijzonder was verwezen, niet strikt nagevolgd. Wellicht had dit hiermee te maken, dat deze verordening door de wetgever eerst en vooral was uitgevaardigd voor het bestraffen van zigeuners. Het verschil in tijdsduur waarvoor de verbanningen werden opgelegd, maakt aannemelijk dat door de schepenen bij het vonnis wijzen wel rekening is gehouden met de reputatie van elk van de daders.

    De brandstichting van de Nonnebossche Hoeve
Het misdrijf dat Anna Catrien het zwaarst werd aangerekend en dat haar op het schavot deed belanden, was de brandstichting van de Nonnebossche Hoeve bij Schijndel in 1726. Bedreiging met brandstichting was een beproefde methode van vagebonden om aan voedsel te komen of een slaapplaats voor de nacht af te dwingen. Ook leden van de Bende van Engele Jantje maakten zich meer dan eens aan dit ‘afdreijgen’ schuldig en schrokken er niet voor terug om hun dreigementen ten uitvoer te brengen. Bij een van die gelegenheden ging de Nonnebossche Hoeve in vlammen op. In de daaropvolgende jaren zouden diverse leden van de bende worden opgepakt en ter dood worden veroordeeld.

Zo werd Engele Jantje zelf - wiens echte naam Jan Dircks was - op 18 november 1729 door de schepenbank van ‘s-Hertogenbosch veroordeeld om ‘aen de galge gehangen en ... met vuer in sijn aengesigt geblaekt en gebrant te worden, datter de doot navolge, dat het doode lichaem daer na aen het buijtegeregt op de Vugterheijde sal gebragt en aldaer ten toon gehangen worden’.(21) Behalve voor zijn aandeel in de brandstichting van de hoeve, dat bestond in het ‘helpen uijtvoeren het in brant steken’, werd Engele Jantje ook veroordeeld voor een tweetal inbraken in kerken. Bij het vaststellen van de straf hielden de Bossche schepenen bovendien rekening met het feit dat de vagebond reeds tweemaal eerder was veroordeeld wegens diefstal en toen was gegeseld en gebrandmerkt.

Evenals op Anna Catrien werd op Engele Jantje de vuurdood slechts symbolisch ten uitvoer gelegd. Twee andere leden van de bende echter waren door de schepenbank van Den Bosch al eerder veroordeeld om daadwerkelijk te worden verbrand. Op 24 januari 1727 hadden de schepenen namelijk bevolen dat Peter Franssen ‘andere ten exempel om des te meer vrees en afschrick te geven hier op de marckt voor de puije van het stadhuijs aen een paal sal geset en vastgemaeckt worden, om met den vuere levendig verbrand te worden’.(22) Behalve bij de brandstichting van de Nonnebossche Hoeve was deze zwerver ook betrokken geweest bij een ‘afdreijging’ in Heesteren en had hij reeds twee eerdere veroordelingen wegens bedelarij achter zijn naam staan. Franssens metgezel Peter Thijssen was op diezelfde datum veroordeeld om, ‘vermits sijne jongheijt’, op de markt aan een paal ‘tot de dood geworgt en voorts met den vuere verbrand [te] worden’.(23) Bij de brandstichting van de hoeve had Thijssen slechts een kleine rol gespeeld: hij had ‘rondom het huijs ... gelopen om op te passen of daer ijmand quam’. De jeugdige vagebond werd echter in het bijzonder kwalijk genomen dat hij zich ‘in het geselschap van veele moetwillige geweldenaers’ had opgehouden.
Andere vagebonden die bij de brandstichting betrokken of aanwezig waren geweest, werden in deze periode door verschillende rechtbanken in Brabant en Holland berecht en veroordeeld tot de doodstraf of tot een langdurige of levenslange verbanning.(24) Aan het bestaan van de Bende van Engele Jantje kwam daarmee rond 1730 een einde.(25) 

Bedelaars en vagebonden. Fragment uit een tekening van Jeroen Bosch. (Coll. Bibliotheek Brussel).

    Tilburgse rechtspraak
Vergelijkt men het proces tegen Anna Catrien en haar trawanten met andere strafzaken die in de zeventiende en achttiende eeuw voor de schepenbank van Tilburg hebben gediend, dan blijkt dat verbanning de straf is geweest die meestal aan landlopers en bedelaars werd opgelegd.(26) De rechtspraak van de Tilburgse schepenen wijkt daarmee niet af van die van andere Brabantse rechters. Een bannissement kon worden uitgesproken voor een zekere periode of voor het leven en kon worden voorafgegaan door geseling en brandmerking. Om het effect van de straf te vergroten, besloten de Staten-Generaal in 1761 de lokale rechtbanken toe te staan delinquenten uit een groter gebied te verbannen dan alleen uit de eigen jurisdictie.(27) Zo werd bijvoorbeeld de Franse bedelaar Pierre de Lorme, nadat hij een dienaar van justitie die hem naar zijn paspoort had gevraagd, had mishandeld met een stok, door de schepenbank van Tilburg in 1767 voor altijd verbannen uit Brabant.(28) Eenzelfde bannissement legden de schepenen op aan de zwervers Martinus van den Bosch, Maria Blommaerts en Adriaantje Rons in 1771 en Antoine Melo in 1774.(29) 

Aan de levenslange verbanning van Pierre de Lorme liet de schepenbank een tuchthuisstraf van 25 jaar voorafgaan. Het tuchthuis werd, toen deze instelling aan het einde van de zestiende eeuw werd geïntroduceerd in Amsterdam, wel gezien als het middel bij uitstek om op te treden tegen vooral jeugdige bedelaars en landlopers.(30) Deze lediggangers en kleine criminelen zouden, indien zij voor verbetering vatbaar waren, door middel van harde arbeid en geestelijk onderricht worden heropgevoed, waardoor zij na te zijn teruggekeerd in de maatschappij, daar op het rechte pad zouden blijven. Andere voordelen van tuchthuisstraf waren, dat kwalijke elementen gedurende hun opsluiting niet alleen uit de samenleving waren verwijderd, maar zij door de arbeid die zij verrichtten deze samenleving tevens tot nut waren.
Van de resocialisatie van de tuchtelingen kwam in de praktijk maar weinig terecht. Aangezien de onderhavige straf, zoals het gegeven voorbeeld laat zien, dikwijls voor een zeer lange duur of zelfs voor het leven werd opgelegd, was er van heropvoeding weinig sprake en werden de veroordeelden vooral beschouwd als onbezoldigde arbeidskrachten. Bovendien werden behalve kleine criminelen, waarvoor deze instelling eigenlijk was bedoeld, soms ook plegers van zwaardere delicten tot opsluiting in een tuchthuis veroordeeld. Tuchthuisstraf werd ten slotte ook niet gehanteerd als een alternatief voor verbanning, maar werd meestal in combinatie met deze laatste straf opgelegd, in die zin dat de veroordeelde eerst voor een (groot) aantal jaren in een tuchthuis werd geplaatst en daarna voor de rest van zijn leven werd verbannen.

In Brabant werd in de onderhavige periode overigens slechts één tuchthuis opgericht, namelijk in Breda in 1708. Brabantse rechtbanken legden - met uitzondering van die van Breda - dan ook niet snel een tuchthuisstraf op.(31) Ook de doodstraf is, zeker in Tilburg, maar incidenteel aan vagebonden opgelegd. De straf waartoe Anna Catrien van ‘s-Hertogenbosch in 1729 zou worden veroordeeld, was twee jaar eerder reeds uitgesproken over Goijaert van den Boom.(32) Deze Goijaert van den Boom, bijgenaamd ‘Goijken Wannelapper’, was vroeger lid geweest van de Moskovieters, een militaire bende die in de jaren 1706-1708 West-Brabant onveilig had gemaakt.(33) Toen de bende werd opgerold had Van den Boom echter weten te ontkomen en hij had sindsdien een zwervend bestaan geleid. Eerst in 1727 werd hij te Tilburg aangehouden omdat hij diverse inwoners had gedreigd met brandstichting als zij hem geen geld of eten gaven. Met name gelet op het verleden van deze vagebond, werden deze dreigementen hem even zwaar aangerekend als daadwerkelijke brandstichting. Op 17 april van genoemd jaar werd Goijken door de Tilburgse schepenbank veroordeeld om ‘met de coorde gestraft te worden datter de doot naer volgt, met een brandende stroijwis in ‘t aengesicht geblaeckt, ende het doode lichaem dan gebragt alhier inde heijde ende aldaer opgehangen’. 

Vergelijkt men de vonnissen van de schepenbank met de voorschriften van de wetgever, dan kan men vaststellen dat de schepenen van Tilburg vagebonden naar eigen goeddunken hebben bestraft, maar dat zij zich daarbij deels hebben bediend van de straffen die waren voorgeschreven door de Staten-Generaal. Voorts kan worden geconstateerd dat de Tilburgse gerechtsofficier, die in het geval van Gerrit Swillens en de zijnen nog een opsomming gaf van de toepasselijke plakkaten, in latere processen enkel de laatst uitgegane verordening uitdrukkelijk vermeldde, dan wel zelfs dit naliet en slechts in algemene zin verwees naar de wetten en plakkaten van het land. Toen de officier bijvoorbeeld in 1740 een proces aanspande tegen Roelandus Bourdon uit Antwerpen, stelde hij dat deze ‘ondeugende vagebond en stoute bedelaer’ had gehandeld in strijd met de menigvuldige plakkaten van de Staten-Generaal, waaronder laatstelijk dat van 1 april 1738.(34) En in de zaak van de eerdergenoemde Antoine Melo werd slechts overwogen dat deze Franse vagebond moest worden gestraft op een wijze die volgens de orders, wetten en plakkaten van het land gepast was.(35) 

    Besluit
De aanwezigheid en criminele activiteit van vagebonden in Brabant werd in de zeventiende en achttiende eeuw intensief bestreden door de Staten-Generaal. In opeenvolgende plakkaten werden door dit generaliteitscollege strenge maatregelen afgekondigd tegen personen met een zwervend of bedelend bestaan. Deze personen konden zonder meer worden opgepakt en worden veroordeeld tot lijfstraffen en vrijheidsstraffen en zelfs, als zij een concreet gevaar vormden voor de ingezetenen, tot de doodstraf.
De officier van justitie van Tilburg, die in zijn ticht en aanspraak meer of minder uitvoerig naar de plakkaten van de wetgever verwees, vorderde meestal dat de vagebonden door de schepenbank zouden worden veroordeeld om aan den lijve te worden gestraft. De doodstraf is echter niet vaak opgelegd door de schepenen. Slechts vagebonden die zich hadden schuldig gemaakt aan zware misdrijven, zoals brandstichting, kwamen voor deze straf in aanmerking.

Merendeels werden zwervers voor een zekere periode of, vaker nog, voor de rest van hun leven verbannen, dikwijls na eerst te zijn gegeseld en gebrandmerkt. Een lokaal rechtscollege als dat van Tilburg kon aanvankelijk slechts een bannissement opleggen voor het eigen rechtsgebied. In de tweede helft van de achttiende eeuw was het echter mogelijk om vagebonden uit een groter gebied te verbannen, bijvoorbeeld uit de Meierij van ‘s-Hertogenbosch of uit heel Staats-Brabant. Verbanning is echter nimmer een straf geweest waarmee criminaliteit effectief werd bestreden, aangezien criminelen enkel werden doorgeschoven naar een ander rechtsgebied. Een uitwisseling van kwalijke elementen tussen de diverse jurisdicties was uiteindelijk de consequentie. Men kan zich bovendien afvragen, of de onderhavige straf veel indruk zal hebben gemaakt op mensen die toch al van huis en haard waren vervreemd.

Fragment uit de prent ‘Justitia’ van Pieter Breughel met onder andere taferelen van ophanging, verbranding en geseling. (Foto RA Tilburg).



* E.J.M.F.C. Broers is als universitair docent verbonden aan de Vakgroep Encyclopedie en Rechtsgeschiedenis van de Universiteit van Tilburg. In 1996 promoveerde hij op het proefschrift ‘Beledigingszaken voor de Staatse Raad van Brabant 1586-1795’. Van zijn hand verschenen voorts publicaties op het terrein van de geschiedenis van het strafrecht, het privaatrecht en het procesrecht. Hij publiceerde eerder in ‘Tilburg’ (2003).


    Noten
(1)
. Regionaal Archief Tilburg (verder RAT), Archief Schepenbank Tilburg (verder AST), criminele dossiers, nrs. 208-212.
(2). Aan het onderhavige onderwerp is door mij, in een breder verband, reeds aandacht besteed in E.J.M.F.C. Broers, Van plakkaat tot praktijk. Strafrecht in Staats-Brabant in de zeventiende en achttiende eeuw (Nijmegen 2003) 77-86.
(3). F. Vanhemelryck, Ellendelingen voor galg en rad 1400-1800 (Antwerpen/Amsterdam 1984) 77-102.
(4). Vanhemelryck, Ellendelingen voor galg en rad, 103-121. Zie voorts O. van Kappen, Geschiedenis der Zigeuners in Nederland. De ontwikkeling van de rechtspositie der heidens of Egyptenaren in de Noordelijke Nederlanden (Assen 1965).
(5). Vgl. E. Poullet, Histoire du droit pénal dans le Duché de Brabant (Brussel 1870) 439, die voor Brabant meer dan vijftig voorbeelden uit de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw van zulke ordonnanties noemt en daarbij aangeeft dat deze opsomming zeker niet uitputtend is.
(6). M.Ch. Laurent en M.J. Lameere, ed., Recueil des ordonnances des Pays-Bas, 2e serie, deel II (Brussel 1898) 573-576, aldaar 574.
(7). Poullet, Histoire du droit pénal, 440-441; Vanhemelryck, Ellendelingen voor galg en rad, 85-87.
(8). Zie R. Martinage, Geschiedenis van het strafrecht in Europa. Vertaald door A. Wijffels (Nijmegen 2002) 35-37.
(9). Laurent en Lameere, Recueil des ordonnances, 2e serie, deel II, 574.
(10). Voor de verschillende soorten bendes van vagebonden die het Brabantse platteland onveilig maakten, zie F. Egmond, Op het verkeerde pad. Georganiseerde misdaad in de Noordelijke Nederlanden 1650-1800 (Amsterdam 1994) 93-115, 119-141 en 199-227.
(11). Cornelis Cau e.a., ed., Groot placaet-boeck (10 dln. 's-Gravenhage/Amsterdam 1658-1797) IV, 510.
(12). Cau, Groot placaet-boeck, VI, 547.
(13). Cau, Groot placaet-boeck, VI, 568 (artt. 9, 10, 13).
(14). Vgl. H. van Nierop, Het verraad van het Noorderkwartier. Oorlog, terreur en recht in de Nederlandse Opstand (Amsterdam 1999) 136; P.P.J.L. van Peteghem, ‘Legale bewijsmiddelen en de Criminele Ordonnantiën (1570)’ in: E.J.M.F.C. Broers en B.C.M. Jacobs, red., Interactie tussen wetgever en rechter vóór de Trias Politica. Handelingen van het congres gehouden te Tilburg op 12 en 13 december 2002 (Den Haag 2003) 217-245, aldaar 232-236.
(15). RAT, AST, crim. dossiers, nrs. 260, 267, 270-273, 282.
(16). Van Peteghem, ‘Legale bewijsmiddelen en de Criminele Ordonnantiën’, 235.
(17). Voor dit premiestelsel zie nader H.F.J.M. van den Eerenbeemt, In het spanningsveld der armoede. Agressief pauperisme en reactie in Staats-Brabant (Tilburg 1968) 91-95.
(18). Egmond, Op het verkeerde pad, 201-203.
(19). Dat Swillens en Van Lummen zich mede hadden schuldig gemaakt aan overspel en daarmee in strijd hadden gehandeld met het Echtreglement voor de Generaliteit van 1656, werd door de officier ook in de aanklacht opgenomen. Hij liet evenwel na om de straffen die op dit delict stonden - een geldboete van 100 guldens voor de man (art. 80) en een maand opsluiting op water en brood voor de vrouw (art. 81) - tegen de daders te eisen. Voor dit Echtreglement en de berechting van zedendelicten door de schepenbank van Tilburg, zie nader Broers, Van plakkaat tot praktijk, 57-75.
(20). ‘In Brabant useert men de moortbranders te brandene ende een zeer onghenadeghe doot [te] laten sterven’, aldus de Vlaamse jurist Filips Wielant in zijn Corte instructie in materie criminele (editie 1515/1516, cap. 105, par. 3). In Wielants thuisland bestond de vuurdood in dit geval niet in het verbranden maar in het verstikken van de veroordeelde (par. 2). Vgl. Filips Wielant, Verzameld werk. Deel I, Corte instructie in materie criminele. Uitgegeven en toegelicht door J. Monballyu (Brussel 1995) 233. Zie voorts Poullet, Histoire du droit pénal, 329.
(21). Gemeentearchief ‘s-Hertogenbosch (verder GAH), Rechterlijk Archief (verder RA), inventarisnr. 40, register van crim. vonnissen, pp. 302-307.
(22). GAH, RA, inventarisnr. 40, pp. 249-250.
(23). GAH, RA, inventarisnr. 40, pp. 250-252.
(24). Behalve in 's-Hertogenbosch en Tilburg stonden bendeleden terecht in Waalwijk, Oss en Heusden, alsook in Den Haag voor de hoogste rechterlijke instantie van Staats-Brabant, de Staatse Raad van Brabant. Vgl. Egmond, Op het verkeerde pad, 276 nt. 4; B.C.M. Jacobs, 'De Raad van Brabant als appel- en reformatierechter' in: Th.E.A. Bosman e.a., red., De Staatse Raad van Brabant en Landen van Overmaze in tweede termijn [Brabantse Rechtshistorische Reeks, nr. 4] (Assen/Maastricht 1989) 35-50, aldaar 41 en 47 nt. 18.
(25). Diverse landlopers die tot Jantjes bende hadden behoord en die uit handen van justitie hadden weten te blijven, sloten zich evenwel aan bij een andere Brabantse bende, namelijk die van Zwarte Cas die in de periode 1730-1736 het platteland onveilig maakte. Dit blijkt o.m. uit de lijsten met namen van vagebonden in GAH, RA, inventarisnr. 156-03 (Engele Jantje) en Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, Archief Schepenbank Woensel, inventarisnr. 55 (Zwarte Cas). Voor de Bende van Zwarte Cas - ware naam Casper Frits - zie nader Van Egmond, Op het verkeerde pad, 203-204.
(26). RAT, AST, crim. dossiers, nrs. 209-213, 232, 260, 267, 271; inventarisnr. 3, crim. rol, fol. 121v.
(27). B.C.M. Jacobs, ‘Haags beleid in criminele zaken voor enige generaliteitslanden’ in: C. Fijnaut en P. Spierenburg, red., Scherp toezicht. Van 'Boeventuchy’ tot ‘Samenleving en Criminaliteit’ (Arnhem 1989) 113-126, aldaar 122.
(28). RAT, AST, crim. dossiers, nr. 260.
(29). RAT, AST, crim. dossiers, nrs. 267, 271.
(30). Rijksen, C. Kelk en M. Moerings, Achter slot en grendel (3e druk Alphen a/d Rijn 1980) 16-18.
(31). Jacobs, 'Haags beleid in criminele zaken', 122.
(32). RAT, AST, crim. dossiers, nr. 203.
(33). Egmond, Op het verkeerde pad, 106-108.
(34). RAT, AST, crim. dossiers, nr. 232. Zie ook nrs. 267, 272, 282.
(35). RAT, AST, crim. dossiers, nr. 260. Zie ook nrs. 270, 271, 273.