| 230. Tilburg-Kunstcluster | |||
|
Titel: |
Tilburg-Kunstcluster |
|
Ondertitel: |
Het archeologisch onderzoek van een mesolithisch jachtkamp in de binnenstad van Tilburg |
|
Auteur: |
Niko Dijk* |
|
Jaargang: |
XI (1993) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
3 |
|
Pagina’ s: |
56-62 |
Dat het gebied van Tilburg en omgeving al duizenden jaren aantrekkelijk was voor bewoning, wordt opnieuw onderstreept door de vondst van de overblijfselen van een nederzetting uit het Mesolithicum (Midden-Steentijd) op een voormalig kloosterterrein in de binnenstad.
Uit de heel specifieke samenstelling van de vuurstenen werktuigen kan worden afgeleid dat het om een jachtkamp moet gaan. De locatie op de flank van een dekzandrug vlak bij een vennengebied, dat als drinkplaats van wild en een verblijfplaats voor vogels en vis diende, maakt deze veronderstelling nog aannemelijker.
Binnenkort zal op het terrein van het voormalige Visitandinnenklooster, gelegen tussen de Oude Dijk en de Bisschop Zwijsenstraat, begonnen worden met de bouw van het zogenaamde Kunstcluster. Dit gebouw, waarin onder meer het Brabants Conservatorium, de Dansakademie Brabant en mogelijk ook de Akademie van Bouwkunst en de Akademie voor Beeldende Vorming ondergebracht worden, zal mede op initiatief van de Katholieke Leergangen Tilburg worden gerealiseerd. Het mogelijk historisch en archeologisch belang van dit perceel werd reeds in 1987 door de gemeentearchivaris drs. G.J.W. Steijns onder de aandacht gebracht. Voorafgaand aan de bouw werd daarom het Instituut voor Toegepast Historisch Onderzoek (ITHO) en de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) gevraagd een verkennend archeologisch onderzoek uit te voeren in opdracht van de gemeente Tilburg.

Afb. 1 Het zeven van het opgegraven zand zal
in de toekomst steeds belangrijker
worden bij het archeologisch onderzoek. V.l.n.r. de archeologen Niko Dijk
en Piet
Kleij (foto ITHO, 1993).
Tijdens dit onderzoek in het najaar van 1992 kwam vast te staan dat het terrein inderdaad archeologische waarde had. Met name voor twee periodes, het Mesolithicum (10.000 tot 6.000 jaar geleden) en de Middeleeuwen, werd belangrijke informatie uit de bodem verkregen. Dit gaf aanleiding om in het voorjaar van 1993 nogmaals onderzoek te doen naar deze mesolithische en middeleeuwse resten. Deze bijdrage gaat in op de mesolithische bewoning van het kloosterterrein, waarbij voor de meer gedetailleerde gegevens verwezen wordt naar het opgravingsverslag
Tilburg-Kunstcluster.(1) In een volgend artikel zal op de middeleeuwse sporen en artefacten worden
ingegaan.(2)
Eerst wordt nu een beknopte schets van de Tilburgse bodem en zijn ontstaan gegeven. De bodem vormt immers, zoals bij iedere opgraving, het vertrekpunt van het onderzoek.
De bodem in en rond Tilburg
Na de laatste ijstijd (de Weichsel-IJstijd, 70.000-10.000 jaar geleden) en ook nog aan het eind van de ijstijd zelf, werden door de wind grote hoeveelheden zand verplaatst en afgezet. Deze dekzanden kregen aan het oppervlak een reliëf van langgerekte ruggen en kleine koppen met daartussen laagten waarin riviertjes en beken stroomden en vennen ontstonden op plaatsen waar de waterafvoer stagneerde. In warmere fases raakte het oppervlak begroeid. Dit leidde op de dekzanden tot bodemvorming, terwijl de natte plaatsen veenvorming gingen vertonen.
De bodemvorming heeft, afhankelijk van de omstandigheden, veelal een karakteristieke opbouw in lagen tot gevolg. Rond Tilburg worden vooral de zogenaamde podzolbodems gevonden. Een podzol ontstaat als door regenwater kleine ijzer-, humus- en andere deeltjes in opgeloste vorm omlaag in de bodem worden meegevoerd (uitgespoeld) en op een lager gelegen niveau worden gedeponeerd (inspoeling). De concentratie aan deeltjes is in deze diepere laag dus veel groter geworden. De effecten zijn met het blote oog goed waar te nemen als de verticale opbouw van de bodem in een profiel zichtbaar gemaakt wordt. De stratigrafie van de in afbeelding 2 weergegeven podzol bestaat van boven naar beneden uit een humusdek (A0) en een humusrijke afbraaklaag (A1) aan de bovenzijde. Daaronder vinden we de licht- tot donkergrijze uitspoelingslaag (A2), die arm aan deeltjes is, en de bruine tot zwarte inspoelingslaag (B). De laatste is rijk aan deeltjes zoals ijzerkorreltjes en is soms zeer hard. Dan wordt wel van een oerbank gesproken (naar ijzeroer). Ten slotte wordt het niet door bodemvorming veranderde dekzand (C) gevonden.

Afb. 2 De opbouw van een podzolbodem, zoals
die in Tilburg en omgeving veelvuldig
voorkomt (tekening ITHO).
De bodemopbouw kan door allerlei processen, waaronder ook menselijk ingrijpen gerekend moet worden, weer verloren gaan. Dergelijke veranderingen vormen als ze zichtbaar gemaakt worden vaak een sleutel tot het archeologisch verleden. Een van de resultaten van menselijk ingrijpen is de toevoeging aan de Brabantse dekzandgronden van de enkeerdgrond of het esdek. De essen werden vanaf de dertiende eeuw door het ploegen van de oorspronkelijke podzolbodem en het jaar na jaar vermengen met opgebrachte heideplaggen en mest tot een vruchtbare akkergrond.
Archeologisch gezien heeft het esdek zowel gunstige als ongunstige eigenschappen. Ongunstig is de verwoestende werking die bij de aanleg op de oorspronkelijke bodem wordt uitgeoefend. Gunstig is het afdekken van de nog dieper gelegen ongestoorde lagen. Hieruit volgt dat de archeologische belangstelling vooral uitgaat naar de lagen onder het esdek. Te meer daar de es voorwerpen kan bevatten die, weliswaar oud en bijzonder, van elders kunnen zijn aangevoerd, zodat ze niets over de vindplaats zelf vertellen.
Ook het perceel van het Kunstcluster is met een es bedekt, maar wat daaronder nog van de oorspronkelijke bodem over zou zijn en of deze vondsten zou bevatten, was volstrekt onduidelijk.
De opgraving
In deze bodem zou gegraven worden zonder dat er dus van tevoren ook maar iets van vondsten bekend was. Toen op de eerste dag een journalist van een plaatselijk blad vroeg wat de resultaten van de opgraving waren, kon slechts met een prognose worden geantwoord. Deze speculatie over de kans dat een kampje uit de steentijd gevonden kon worden, was gebaseerd op de schaarse gegevens die toen al bekend waren van het kloosterterrein en in de ruimere zin van Tilburg en
omgeving.(3)
De plaats van de proefsleuven was zo gekozen dat een ven in het zuidelijk deel en een dekzandrug in het noordelijk deel werden aangesneden. Daarvoor moest eerst de es van gemiddeld tachtig centimeter dikte worden verwijderd.
Pas tegen de avond van die dag, toen de journalist al met zijn stukje bezig was, lag de es naast de eerste put en tekenden zich op het vlak de sporen af. Op het eerste gezicht veel negentiende-eeuwse sporen en verstoringen in het middendeel, een zwarte venige plek die het ven in het zuiden aangaf, en meer noordelijk twee middeleeuwse greppels die dwars in de breedte door de put liepen. Als eerste activiteit werd snel een profiel, een dwarsdoorsnede, van een van de middeleeuwse greppels aangelegd om een idee te krijgen van de opbouw en de afmetingen. Wie schetst de verbazing toen van de bodem van de greppel uit een brok bruinig zand, waarmee deze ooit werd gedempt, een bewerkt stuk vuursteen te voorschijn kwam. Dit stuk, een kern, zette ons op het spoor van een nederzetting uit het Mesolithicum, een nederzetting waar die ochtend alleen nog maar op gehoopt werd. De restkern (afb. 3) behoort tot het afval van een vuursteensmid dat achterbleef op de plaats waar werktuigen van vuursteen vervaardigd werden. De kern is een al door voorbewerking geschikt gemaakt stuk vuursteen waarvan langwerpige strips of klingen worden afgeslagen. Dergelijke klingen dienen op hun beurt weer als uitgangsvorm voor gereedschap zoals mesjes, beitels (stekers) en pijl- en harpoenpuntjes (spitsen). Door het afslaan van de klingen wordt een kern steeds kleiner. Dit gaat zo door tot de kern dusdanig klein geworden is dat er geen klingen meer van afgeslagen kunnen worden. Het restant wordt dan als afval terzijde gelegd of
weggeworpen.(4) Aan de afvalkern is te zien dat de klingen, die ervan afgeslagen zijn, klein van afmeting zijn. Iedere kling laat namelijk een afdruk na, een negatief. Klingen van zulke afmetingen werden gebruikt om er kleine werktuigjes, de zogenaamde microlithen, van te maken. Microlithen zijn kenmerkend voor het Mesolithicum.

Afb. 3 Een restkern behoort tot het afval van
een vuursteensmid dat achterbleef
op de plaats waar werktuigen van vuursteen vervaardigd werden (tekening ITHO).
Op deze plaats of vlak in de buurt was dus een vuursteensmid actief geweest. Maar maakte hij deel uit van een klein groepje mensen dat slechts kortdurend op deze plaats leefde, of verbleef hij voor wat langere tijd in een grote nederzetting? Om onder meer deze vragen te beantwoorden werd de volgende dag de ruimte rond de middeleeuwse sloot, waarin de kern gevonden was, verder onderzocht. Er werden in een schaakbordpatroon vakjes van 1 x 1 meter uitgezet naast, maar ook over de sloot. Om en om ging een vak op de schop, waarna de grond op vondsten werd gezeefd om maar niets te missen.
Op afbeelding 4 zijn de vondstaantallen per opgegraven vak aangegeven. De grootste concentratie van zowel vuursteen, verbrand vuursteen als natuursteen bevindt zich in de vulling van de greppel (spoor 24). Van de vulling kwam vast te staan dat ze van dezlfde locatie komt, omdat er fragmenten van een zelfde oranje-kleurige vuursteenkern afkomstig, zowel in de vulling als erbuiten werden aangetroffen.

Afb. 4 Vondstaantallen per vak van 1 x 1 meter
in put I. Van boven naar beneden respectievelijk:
vuursteen, verbrand vuursteen en natuursteen (tekening ITHO).
Werktuigen voor de jacht
Van de 174 artefacten van vuursteen konden er negentien als werktuigen worden herkend. Het overige materiaal is afval dat bij het vervaardigen van de werktuigen ontstond.
Vuursteen vormde voor de toenmalige bewoners een belangrijke grondstof voor werktuigen. Ruwweg komt de functie van deze werktuigen overeen met het metalen gereedschap van onze huidige technologie. Het gaat daarbij vooral om snijdende, penetrerende, kervende en krabbende activiteiten.
De samenstelling van de negentien werktuigen is opvallend eenzijdig. Het gaat bijna uitsluitend om microlithen die deel uitmaakten van de pijlbewapening, zoals drie A-spitsen, twee driehoeken en zeven lamellen of klingetjes met een steilgeretoucheerde rug. Daarnaast zijn er drie schrabbers, een steker, twee afslagen met gebruiksretouche, en een boor gevonden (afb. 5). Een dergelijke gereedschappeninventaris wijst op ter plaatse uitgevoerde jachtactiviteiten. Hoogstwaarschijnlijk gaat het om de jacht met pijl en boog op wild dat zich in de nabije omgeving ophield. Op enkele tientallen meters ten zuiden van de woonplaats op de dekzandrug lag een drinkplaats in de vorm van een ven of meerdere vennen.

Afb. 5 Een selectie van de gevonden vuurstenen
werktuigen, 1-3: A-spitsen, 4-5: driehoeken,
6-12: lamellen, 13: steker, 14-16: schrabbers, 17: boor, 18-19: gebruikte
afslagen (tekening
H. Peeters).
De pijlen die gebruikt werden, waren kennelijk van het harpoen-type Op afbeelding 6 is een pijl van dat type te zien. In de top van de pijl werden verschillende vlijmscherpe vuursteenpuntjes met hars vastgezet. Werd er bij de jacht schade opgelopen aan de bewapening, bijvoorbeeld doordat vuursteensegmenten afbraken waardoor de pijl stomp werd, dan moest het door reparatie worden verholpen. Dit gebeurde doorgaans in het kampement. De kapotte onderdelen werden verwijderd en weggegooid, waarna nieuw gemaakte met hars of pek werden vastgezet.
Tijdens deze handelingen ontstaat vuursteenafval, dat samen met de afgedankte segmentjes op de bodem terechtkomt, waar het wordt achtergelaten. Bij de opgraving komt het vervolgens na duizenden jaren weer aan het licht.
Behalve werktuigen die aan de jacht gerelateerd zijn, komen er ook voor die wijzen op huishoudelijke activiteiten; het gaat om de schrabbers, de steker en de boor.

Afb. 6 Voorbeeld van een
mesolithische harpoen of
compositiepijl (tekening
H. Peeters naar Zvelebil,
1992).
Datering
De datering van het kamp wordt afgeleid van de typologie van de werktuigen en het grondstoffengebruik. Typologisch behoren de microlithische spitsen (A-spitsen, driehoeken en lamellen) tot het Mesolithicum. Gedurende de gehele periode van 10.000 tot 6.000 jaar geleden komen ze
voor.(5) Daarnaast wijzen ook de kooksteenfragmenten, die nog ter sprake komen, op een mesolithische ouderdom. De kernen met de afslagnegatieven van microlithen bevestigen dit verder.
Het totaal ontbreken van de grondstof Wommersom-kwartsiet geeft aan dat de datering van het kamp waarschijnlijk in het Vroeg-Mesolithicum (10.000-8.700 jaar geleden) ligt. Het Wommersom-kwartsiet is een exotische grondstof die afkomstig is uit de omgeving van het Belgische Wommersom. Het werd in tegenstelling tot de meeste vuursteen van ver aangevoerd. Dit materiaal diende ook als grondstof voor werktuigen.
Huishoudelijke activiteiten
Uit de vondsten en hun ruimtelijke verspreiding kan worden opgemaakt dat het vermoedelijk om een klein jachtkamp gaat. In dit kamp vonden ook huishoudelijke handelingen plaats; de schrabbers, de gebruikte afslagen, de steker en de boor wijzen daarop. Gedacht moet worden aan de bewerking van huiden, hout, bot, gewei, boombast en plantaardige grondstoffen.
Hoewel er geen resten van een stookplaats zijn gevonden, kwamen er wel indirecte bewijzen voor het stoken van vuur op tafel. Zo bleek van het vuursteen 15% verbrand te zijn. Houtskool ontbrak evenwel nagenoeg op deze locatie, zodat dit ons niet verder bracht. Een andere vondstcategorie die op het gebruik van vuur wijst, is de natuursteengroep. Het gaat om 418 gefragmenteerde stukjes natuursteen, die als de resten van kookstenen werden herkend. In het Mesolithicum werd met behulp van kookstenen water aan de kook gebracht. Pas in het Laat-Mesolithicum nam men in sommige gebieden het gebruik van aardewerk voor dit doel over. Mogelijk werd aardewerk pas nuttig toen de jagers-vissers-verzamelaarsgroepen hun sterk zwervende bestaan meer en meer opgaven en verruilden voor een leven in nederzettingen die langere tijd achtereen bewoond werden. Bij een grote mobiliteit is aardewerk lastig, omdat het zwaar en breekbaar is. Het eerste bezwaar zou echter ook gelden voor het vervoer van kookstenen. Deze werden evenwel niet van kamp naar kamp meegenomen maar ter plaatse verzameld.
Om het water te verwarmen werden de kookstenen, meestal kleine ronde keien, eerste in een vuur verhit en daarna in een met water gevulde zak, bijvoorbeeld van leer, gelegd, zodat het water aan de kook kwam. Door de enorme temperatuurverschillen tussen vuur en koud water barstten de stenen vaak al na enkele malen gebruik. De fragmenten werden weggeworpen en bij de opgraving teruggevonden. De aanwezigheid van de kooksteenfragmenten wijst op de bereiding van voedsel ter plekke. Of deze bereiding ook door consumptie werd gevolgd, of dat de bereiding deel uitmaakte van conserveermethodes zoals roken, roosteren of drogen in combinatie met koken, is onduidelijk. In het laatste geval zou dan gesproken kunnen worden van een zogenaamd extractiekamp. Dit nederzettingstype komt straks opnieuw aan de orde.
Bewoning in verschillende nederzettingen
Vanaf de jaren zestig wordt voor het interpreteren van archeologische gegevens in toenemende mate gebruik gemaakt van volkskundige of antropologische kennis van diverse menselijke groepen en hun samenlevingsvormen. Voor het begrijpen van de prehistorie vormt deze methode een van de weinige vergelijkingsmogelijkheden, omdat geschreven bronnen geheel ontbreken.
Met deze methode wordt duidelijk dat de menselijke samenleving in mesolithisch Nederland bestond uit zogenaamde jagers-vissers-verzamelaars. Op een groot aantal wezenlijke punten verschillen deze groepen van de hedendaagse samenleving. Zo gaat het meestal om kleine groepen van slechts enkele tientallen mensen met sterke familiebanden, die zich voortdurend door het gebied verplaatsen. Als een omgeving is 'leeggehaald' aan voedsel, na een verblijf van enige weken bijvoorbeeld, wordt weer verdergetrokken. Aldus kan een groep per jaar vele honderden kilometers afleggen.
Door Binford, een Amerikaans archeoloog, worden twee manieren onderscheiden waarop een jagers-vissers-verzamelaarsgroep een omgeving kan exploiteren. De eerste bestaat eruit dat een groep iedere dag in het basiskamp terugkeert. Is de omgeving in de optiek van de jagers-vissers-verzamelaars uitgeput, dan wordt het basiskamp verplaatst en begint het vergaren opnieuw. Bij de tweede wijze keert niet ieder lid elke avond in het basiskamp terug, maar kunnen overnachtingen buiten het kamp voorkomen. Dit houdt in dat er nog een tweede type nederzetting is, waar één of enkele mensen gedurende korte tijd, meestal enkele dagen, wonen. Een dergelijk klein groepje kan bijvoorbeeld uit drie mannen bestaan, die de omtrek vanuit het kleine kampje afjagen en -stropen om daarna de al of niet bereide buit naar het basiskamp te brengen. Binford noemt zo'n klein kamp een extractiekamp. De bewoners vormen een taakgroep, gericht op een specifieke taak zoals de
jacht.(6)
De nederzetting Tilburg-Kunstcluster komt het meest overeen met het patroon van een extractiekamp. De werktuigen wijzen op een specifieke jachttaak. Op deze plaats kunnen dus enkele mannen een verblijf gevonden hebben voor een aantal dagen. Vanuit het kamp werden korte trips gemaakt, waarbij gejaagd werd. De buit werd in het kampje klaargemaakt en ten slotte naar het basiskamp gebracht.
Met een iets andere interpretatie moet echter ook rekening gehouden worden. Het kleine kamp is daarin niet zozeer een extractiekamp in engere zin, maar vormt het onderkomen voor een kleine groep waarvan ook vrouwen en kinderen deel uitmaken. In dat geval kan het om een of meerdere gezinnen gaan, die een zogenaamd dispersiekamp
bewonen.(7) Daarmee wordt bedoeld dat de gemeenschappen zich in de loop van een jaar opsplitsen in kleinere groepen. Afhankelijk van de economische bestaanswijze van het moment is het gunstig om in heel kleine groepjes van één of een paar gezinnen uiteen te gaan (dispersie-fase) of juist met meer, bijvoorbeeld zeven gezinnen, bij elkaar te wonen (aggregatie-fase). Per seizoen kan dit sterk wisselen.
Tilburg-Kunstcluster kan dus ook een dispersiekamp zijn geweest. De aanwezigheid van werktuigen als schrabbers en het voorkomen van kookstenen wijst mogelijk in de richting van gezinsbewoning; ook een combinatie van extractiekamp en dispersiekamp is denkbaar.
Bespreking
Het enorme aandeel van de afgedankte jachtwerktuigen binnen het geheel van de werktuigen (63%) is uniek voor Nederland en wijst sterk op extractie-activiteiten.
Tot nu toe zijn extractiekampen ondervertegenwoordigd in de Nederlandse archeologie. Dit hangt wellicht samen met de gevolgde opgravingsmethodiek. De meeste vindplaatsen worden namelijk door oppervlaktevondsten bekend. Het gaat dan in de regel om grote hoeveelheden materiaal dat afkomstig is van grote nederzettingen. Voor het Mesolithicum betreft het basiskampen. Dit geldt ook voor de zeer omvangrijke jagers-vissers-verzamelaarsnederzettingen uit Tilburg en omgeving, zoals Tilburg-Kraaiven en het Lepelare
Zand.(8)
Door het systematische onderzoek van terreinen die door nieuwbouw of andere bestemmingen archeologisch verloren gaan, is de kans op het aantreffen van dergelijke kleine woonplaatsen veel groter. Kort geleden werden bij verkennende boringen de resten van een mesolithisch jachtkamp, op een diepte van vier tot acht meter onder het maaiveld, gevonden op het tracé van de aan te leggen Betuwe-spoorlijn bij
Giessendam.(9)
Dat vondsten uit de Steentijd ook in de binnensteden bij sustematisch onderzoek gedaan kunnen worden, is niet verwonderlijk. De bodem onder de steden bevat immers niet alleen de resten van die steden zelf, maar tevens overblijfselen uit de oudere periodes. Onlangs werden bij systematische verkenningen van een terrein in de binnenstad van Groningen, waar het Academisch Ziekenhuis Groningen
(10)
Het systematisch archeologisch onderzoek van bedreigde terreinen gaat verder dan oppervlaktesignalering alleen. Nieuwe methodes die gebruik maken van boor-, zeef- en automatiseringstechnieken geven de mogelijkheid om ook op grotere diepte belangrijke nog onbekende archeologische objecten te ontdekken en op te graven. Het onderzoek van Tilburg-Kunstcluster vervult in die zin een
voortrekkersrol.(11)
Noten
1. Kleij, Peeters en Dijk, 1993.
2. In: 'Tilburg', 12, 1994, nr. 2
(in voorbereiding).
3. Peeters, 1971 en Arts, 1988.
4. Stapert, 1992.
5. Arts, 1985.
6. Binford, 1980.
7. Zie Johnson en Earle, 1987.
8. Peeters, 1971; Arts, 1988 en Arts, 1981.
9. NRC van 27 november 1993.
10. Kortekaas en Stapert, 1993.
11. Het onderzoek kon doorgang vinden door de medewerking van de volgende personen en instanties: J. Biemans (kraanmachinist), J.H. Bootsma (voormalig directeur ITHO), P. Dekker (kraanmachinist), F. van den Dries (veldtechnicus), N. Dijk (archeoloog), Gemeente Tilburg Dienst Publieke Werken, Gemeentearchief Tilburg, J. van Gool (banenpool ROB), Instituut voor Toegepast Historisch Onderzoek, P. Kleij (archeoloog, leider onderzoek), H. Peeters (archeoloog), Rijksdient voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, R. Schneider (banenpool ITHO), K. Schoonens (student geschiedenis), H. Wegter (leraar geschiedenis) en C. Witteveen (huidig directeur ITHO).
Literatuur
- Arts, N., Een Laat-Mesolithische nederzetting in het Lepelare Zand te Tilburg. Een voorlopig verslag over de opgravingen en de
vondsten, Tilburg, Gemeentelijke Archiefdienst Afd. Archeologie, 1981.
- Arts, N., 'Archaeology, environment and the social evolution of later band societies in a lowland area', in: C. Bonsall (ed.),
The Mesolithic in Europe, Edinburgh, John Donald Publishers Ltd., 1985, p. 291-312.
- Arts, N., De grote laat-mesolithische nederzetting Tilburg-Kraaiven, provincie Noord-Brabant. Deel 1: Een overzicht van de archeologische
gegevens, Amsterdam, I.P.P., 1988 (scriptie nr. 9).
- Binford, L., 'Willow smoke and dog's tails: hunter-gatherer setlement systems and archaeological site formation', in:
American Antiquity, 45, p. 4-20.
- Johnson, A.W. & T. Earle, The Evolution of Human Societies. From Foraging Group to Agrarian
State, Stanford, California, Stanford University Press, 1987.
- Kleij, P., H. Peeters & N. Dijk, Verslag opgraving 'Tilburg-Kunstcluster', Tilburg, ITHO, Archeologische Reeks 5.
- Kortekaas, G. & D. Stapert, 'Een jongpaleolithische vuursteenconcentratie in de stad Groningen', in:
Westerheem, XLII, nr. 5, 1993, p. 217-229.
- Peeters, R.M., 'Het onderzoek van de mesolithische kultuur te Tilburg', in: Historische Bijdragen, orgaan van de Heemkundekring
'Tilborgh', 2e jrg., nr. 4, 1971, p. 1-63.
- Stapert, D., Rings and sectors: intrasite spatial analysis of stone age
sites, Groningen, Rijksuniversiteit, 1992 (proefschrift).
- Zvelebil, M., 'Les chasseurs-pêcheurs de la Scandinavie préhistorique', in: La
Recherche, 246, vol. 23, 1992, p. 982-990.
* Niko Dijk is als archeoloog werkzaam bij het Instituut voor Toegepast Historisch Onderzoek te Tilburg.




