| 231. Duizend jaar cultuurlandschap in beeld | |||
|
Titel: |
Duizend jaar cultuurlandschap in beeld |
|
Ondertitel: |
Tilburgse bodem geeft archeologische informatie |
|
Auteur: |
Niko Dijk* |
|
Jaargang: |
XII (1994) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
3 |
|
Pagina’ s: |
67-74 |
Kennis van de veranderingen in een landschap kan uit verschillende bronnen worden afgeleid. Naast schriftelijke bronnen, zoals archiefstukken en oude kaarten, nemen archeologische bronnen een steeds grotere plaats in bij het maken van een beeld van het verleden.
In deze bijdrage volgen we op basis van louter archeologische informatie de gedaanteverwisseling van het Tilburgs landschap vanaf ongeveer 1000 A.D. Behalve door de invloed van natuurlijke processen als bodemerosie is vooral het menselijk ingrijpen de stuwende kracht achter de zich steeds weer vernieuwende omgeving.
Dat een voorstelling van de landschapsontwikkeling gedurende de afgelopen duizend jaar met behulp van alleen archeologische bronnen wordt gegeven, mag tamelijk uniek genoemd worden. Meestal is het zo dat archeologisch onderzoek van middeleeuwse en latere onderwerpen volgt op een historisch onderzoek. Bij dit laatste gaat men uit van informatie die op schrift gesteld is. Het gaat dan om brieven, kaarten, archiefstukken, beschrijvingen, boeken en dergelijke.
Deze volgorde brengt met zich mee dat de archeologische gegevens veelal slechts dienen om het historische beeld of verhaal te bevestigen en te versterken. Door nu de gang van zaken om te draaien en het op grond van archeologische informatie verkregen beeld te laten volgen door historisch onderzoek kan een enerverende dialoog ontstaan. Dit historisch onderzoek zal in een later nummer geplaatst worden.

Afb. 1 Schematische weergave van de bodemopbouw.
A: esdek, B: B-horizont, C: laag van Usselo,
D: Jong-Dekzand I, E: grindsnoer.
De archeologische gegevens zijn afkomstig van een opgraving in de binnenstad van Tilburg, ter plaatse van het nieuw te bouwen 'Kunstcluster' tussen de Oude Dijk en de Bisschop Zwijsenstraat. In een eerder artikel werd reeds aandacht geschonken aan een mesolithisch jachtkamp dat werd aangetroffen (Dijk 1993). Het archeologisch onderzoek leverde naast mesolithische artefacten een opvallend aantal laat- en na-middeleeuwse sporen en vondsten op waarmee in grote lijnen de vorming van een cultuurlandschap was te volgen.
In 1987 wees de gemeentearchivaris drs. G.J.W. Steijns al op het mogelijk historische en archeologische belang van het terrein. Na een vooronderzoek, dat de archeologische waarde bevestigde, gaf de gemeente Tilburg het ITHO (Instituut voor Toegepast Historisch Onderzoek) en de ROB (Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek) opdracht een noodopgraving uit te voeren. Voor een gedetailleerde beschrijving van de resultaten wordt verwezen naar het 'Verslag opgraving Tilburg - Kunstcluster' (Kleij, Peeters en Dijk 1993).
Voordat nu in de vorm van een soort stripverhaal de verandering van het landschap wordt beschreven, komen eerst kort de opgraving zelf en de voor het verhaal relevante feiten aan bod.
Het profiel, de opgravingsput en de sporen
De bodemopbouw ter plaatse van de opgraving is schematisch weergegeven in het profiel van afbeelding
1. Onder een esdek met een wisselende dikte van 80 tot 100 cm is nog juist een deel van de oorspronkelijke podzolbodem bewaard gebleven. Dieper liggen oudere lagen, zoals de laag van Usselo en Jong-Dekzand I. Omdat in de archeologie het basisprincipe 'hoe dieper hoe ouder' geldt, moet het bovengelegen esdek dus een latere toevoeging zijn.
Een es bestaat uit akkergrond die door de mens gemaakt is. Daartoe scheurde en ploegde men de oorspronkelijke bodem, in dit geval een podzol (zie verder) en vermengde die met een jaar op jaar opgebracht mengsel van mest, heideplaggen en huisvuil. Op deze wijze ontstond een dikke zwart-bruine grondlaag, de es of enkeerdgrond.

Afb. 2 Ideaalprofiel van een podzolbodem. AO: zwart (humus), A1:
donkergrijs, A2: lichtgrijs (loodzand), B1: donkerbruin-zwart (oerbank),
B2: bruin-geel (fibers), C: geel zand (moedermateriaal)
Op afbeelding 2 is een profiel van een podzol weergegeven. Deze is opgebouwd uit verschillende lagen. Bovenop ligt een zwarte humeuze laag (A0), daaronder de zogenoemde uitspoelingslaag (A2). Het regenwater dat de grond insijpelt, neemt ondermeer humus- en ijzerdeeltjes mee naar beneden. Wat resteert, is een ontkleurde grijze laag. Deze deeltjes worden vervolgens opgevangen en geconcentreerd in de laag eronder, de B-horizont. Hier maakt het regenwater contact met het grondwater, zodat de verplaatsing van de deeltjes stagneert, met als gevolg het samenkoeken in een harde donkerbruine laag, de oerbank. Nog dieper ligt de ongeroerde moederlaag, veelal lichtgeel tot wit van kleur (C-horizont). Uit het profiel van afbeelding 1 is af te leiden dat de es de bovenste lagen van het podzol (A0, A1 en A2) in zich opgenomen heeft. In een aanzienlijk deel van de opgravingsput was de B-horizont evenwel ook grotendeels verdwenen, waardoor de bruine es direct op het gele zand van de C-laag rustte.

Afb. 3 De opgravingsput en de sporen.
Bij de aanleg van de opgravingsput (zie afbeelding 3), werd de es verwijderd. Daarna kon een vakkensysteem uitgezet worden ten behoeve van het mesolithische onderzoek. Om en om werden deze vakken van 1 x 1 meter, in een schaakbord-patroon, op vondsten uitgezeefd. Met name vuursteen en natuursteen met een ouderdom van 8700 tot 10.000 jaar vormden daarbij de bulk van het vondstmateriaal (Dijk 1993; Dijk, Kleij en Peeters 1994).
Op de bodem van de opgravingsput tekenden zich meerdere sporen af. Het noordelijk deel bevatte drie nagenoeg evenwijdig oost-west verlopende sloten of greppels, elk met een breedte van ongeveer 1,50 meter. Op afbeelding 3 zijn ze aangegeven als sloot 1, 2 en 3. Meer zuidelijk sneed de put een laagte aan waarin zich natte, venige grond bevond, ongetwijfeld de rand van een dichtgegroeid of later gedempt moeras. Opvallend was de kuil die ooit in de rand van het veen werd gegraven, mogelijk om turf te winnen.
Samengevat werd de opgravingsput aangelegd over een laaggelegen ven in het zuiden en een dekzandrug in het noorden. In het ven heeft zich veen gevormd en het dekzand kreeg een podzolbodem. Later werd over zowel het dekzand als het veen een 80 tot 100 cm dikke eslaag aangebracht waarbij het podzol deels verdween.
Het cultuurlandschap krijgt vorm
Rond het jaar 1000 bestaat het landoppervlak van Brabant uit dekzanden, die in de laatste ijstijd in de vorm van langgerekte ruggen en kleine koppen waren afgezet. Ertussen liggen laagten waarin rivieren en beken stromen en vennen zich vullen als het water stagneert. In de latere, warmere periodes vormen zich bodems op de dekzanden en vindt veengroei plaats in de laagten. Er is sprake van een begroeiing variërend van bos en struikgewas tot open velden met grassen, heide en andere planten.
Het menselijk ingrijpen is in deze fase nog beperkt tot de bovengrond en de begroeiing. Op kleine schaal worden bomen gekapt, velden beheerd en akkertjes aangelegd. De nederzettingen liggen in een landschap met veel zogenaamde woeste gronden. Het plaatje van afbeelding 4 schetst deze situatie op de plaats van de opgraving. Links is het ven te zien met zijn veenvorming, rechts de dekzandrug met zijn podzolbodem.

Afb. 4 (boven) De situatie rond het jaar 1000 A.D.
Afb. 5 (onder) In de twaalfde eeuw is sloot 1 in gebruik.
Het volgende plaatje, afbeelding 5, geeft het moment weer waarop de mens voor het eerst zijn stempel op de omgeving zet door middel van ontginningen. Sloot 1 wordt aangelegd als het podzol nog nagenoeg intact is. Dit kan afgeleid worden uit de vulling waarmee de sloot later dichtgegooid werd. Duidelijk zijn daarin grote brokken bodem zichtbaar, die door spitten in de sloot terechtkwamen. Belangrijk hierbij is dat van de oorspronkelijke podzolbodem de lichtgrijze A2, de donkerbruine B en de gele C in de brokken te herkennen zijn. Grond uit de bovenliggende es ontbreekt. Het betekent dat bij het dempen van sloot 1 nog geen es gevormd was en dat het podzol nog vrijwel compleet aanwezig was.
Door de vondst van twee aaneen passende twaalfde- of dertiende-eeuwse Paffrath-scherven (afbeelding 6) in de vulling op de bodem kan worden vastgesteld dat dit slootje op dat moment nog in gebruik was of juist gedempt werd. De aanleg ligt mogelijk daarvoor, in de elfde of twaalfde eeuw, gezien de geringe ontwikkeling van de slootbodem.

Afb. 6 Paffrath-scherf.
Op dat tijdstip werd dit gebied voor een meer intensief gebruik als akker geschikt gemaakt. De functie van de sloot, die evenwijdig op ongeveer 40 meter afstand van het ven lag, is niet geheel bekend. Een mogelijkheid is dat de sloot tussen het ontgonnen gebied en het ven lag om kwelwater op te vangen dat vervolgens naar een beek of rivier werd geleid. Ook kan de sloot gediend hebben om het ontgonnen land beter af te wateren. Ten slotte kan er gedacht worden aan de sloot als erfafscheiding. Combinaties van deze functies liggen natuurlijk evenzeer voor de hand. Het is aannemelijk dat deze sloot niet op zichzelf stond maar deel uitmaakte van een vroeg
verkavelingspatroon.
Ontginnen, herverkavelen en verstuivingen
Nadat sloot 1 in onbruik was geraakt, na de twaalfde of dertiende eeuw, werd waarschijnlijk sloot 2 aangelegd, ongeveer 9 meter ten zuiden van sloot 1 en evenwijdig daaraan verlopend. Archeologisch wordt dit geloofwaardig gemaakt, ten eerste door de aard van de vulling en ten tweede door de datering van de vulling. De vulling bestaat weer uit brokken podzolbodem. Het verschil met sloot 1 is echter dat resten van de grijze A2-laag ontbreken. De ouderdom van de vulling is door een aangetroffen steengoedscherf met radstempelmotief en voorzien van een bruinpaarse engobe gesteld op de veertiende eeuw (afbeelding 7). Dergelijk steengoed werd geïmporteerd uit het Duitse Langerwehe (Hurst, Neal en Van Beuningen 1986: 184-190 afb. 91.271). Daarnaast werden mesolithische artefacten in de vulling van sloot 2 gevonden.

Afb. 7 Steengoedscherf met radstempelmotief.
Afbeelding 8 vervolgt ons stripverhaal. Afgeleid kan worden dat er tussen de twaalfde/dertiende eeuw en de veertiende ingrijpende veranderingen moeten hebben plaatsgehad. Het meest in het oog springend is het ontbreken van de grijze A2-laag in de vulbrokken van sloot 2. Dit betekent dat deze laag in dit tijdsbestek verdwenen moet zijn. De belangrijkste oorzaak hiervan is hoogstwaarschijnlijk erosie door de wind. Het verstuiven van het bovenste deel van een podzol werd in de hand gewerkt door de ontginningsactiviteiten, waarbij een verbeterde afwatering het terrein droger en gevoeliger voor de wind maakte. Bovendien had ook de geïntensiveerde manier van grondbewerken zijn invloed. Op meerdere momenten van het jaar kwam de grond dan braak te liggen en kon aldus in kurkdroge vorm makkelijk worden weggeblazen.

Afb. 8 Sloot 2 in de dertiende en veertiende eeuw. De A2-laag is inmiddels verstoven.
In een meer zuidelijk gelegen opgravingsput konden in het ven tussen verschillende veenlagen zandlensjes worden gezien. Ook dit duidt op verstuivingen, mogelijk tussen de twaalfde en veertiende eeuw.
Een indirecte aanwijzing voor verstuivingen komt uit het mesolithisch vondstcomplex. Uit dit materiaal komt naar voren dat in het jachtkamp vuren moeten zijn gestookt. Verbrand vuursteen en gefragmenteerde kookstenen duiden hierop. Bij het stoken van vuur komen in de regel houtskoolfragmenten van verschillende grootte in de naaste omgeving terecht. Het vormt een bekend verschijnsel van mesolithische vindplaatsen. Op deze locatie evenwel ontbreekt het geheel. De verklaring kan als volgt worden geformuleerd. Het houtskool was aanwezig, maar is gelijktijdig met de losse A2-laag verstoven. Houtskool is een lichtgewicht materiaal en dus gevoelig voor windverplaatsing. De A2-laag is door de uitspoeling van humus- en ijzerdeeltjes ontdaan van zijn sedimentaire 'lijm' en daarmee zeer erosiegevoelig geworden. Terwijl het houtskool en de A2-laag verstuiven, waaien de zwaardere voorwerpen zoals vuuursteenartefacten en kooksteenfragmenten niet weg, maar komen die op en in de onderliggende zeer resistente B-laag terecht.
In het kort kan worden vastgesteld dat het akkerareaal werd vergroot door ontginning en herverkaveling. Als tegenslag kregen de boeren te maken met winderosie. Het verstuiven was een bekend en plaatselijk ernstig probleem vanaf de veertiende eeuw in grote delen van West-Europa (Slicher van Bath 1976).
De aanleg van een esdek vanaf de veertiende eeuw
Nadat sloot 2 gevuld was in de veertiende eeuw, werd zijn functie kennelijk overgenomen door sloot 3. Deze ligt evenwijdig enkele meters noordelijk van sloot 2. In de vulling van sloot 2 ontbreekt es-materiaal geheel, zodat vermoed mag worden dat pas aan het eind van of na de veertiende eeuw met het opbrengen van mest en plaggen is begonnen. Het derde plaatje van de strip, afbeelding 9, geeft een schets van deze nieuwe situatie.
De vondsten uit de es bevatten naast vuursteenartefacten kooksteenfragmenten, aardewerk en verbrand bot. Het vuursteen komt wat samenstelling en grondstof betreft overeen met dat van de rest van de mesolithische site. Aangenomen mag worden dat een groot deel van de vondsthoudende lagen van deze vindplaats in de es zijn opgenomen. Van de oorspronkelijke mesolithische woonplaats is dus in de loop der jaren een groot deel in een andere context terechtgekomen (Dijk 1993). Eerst verspreidden de artefacten zich over de verschillende lagen van de podzolbodem. Later, toen ook deze bodem werd aangetast door erosie en menselijk ingrijpen, kwam een deel terecht in de vulling van de gedempte sloten en in het esdek. Toch hielden de objecten nagenoeg dezelfde plaats, zodat een reconstructie van enkele aspecten van de woonplaats mogelijk bleef.
Voor de sloten betekent dit dat de vulling vanuit de zeer nabije omgeving moet hebben plaatsgevonden en dat ook het esdek veel locale bodemvondsten in zich opgenomen heeft. De kooksteenfragmenten geven een soortgelijk patroon.

Afb. 9 Tijdens de stabiele zestiende en zeventiende eeuw groeit het esdek gestaag. Het ven is reeds gedempt.
Dat er ook materiaal van elders werd opgebracht mag duidelijk zijn. Plaggen werden op afstand gestoken en, vermengd met mest en huishoudelijk afval, toegevoegd aan het oppervlak. De vondst van een 'verdwaalde' ijzertijdscherf wijst op een dergelijke aanvoer van buiten. De scherf kan bijvoorbeeld in een opgebrachte heideplag verpakt gezeten hebben. Verder kwam in de es zestiende- tot negentiende-eeuws aardewerk in groten getale voor. Tevens werden Delfts aardewerk, zoutgeglazuurd steengoed, Westerwald steengoed, pijpekoppen en scherven van ui-vormige wijnflessen geborgen.
De aanleg van het esdek had meerdere functies. Zo kon men daarmee de vruchtbaarheid van de akker sterk verbeteren maar, en dat is misschien even belangrijk, ook de bodemerosie tegengaan. Een derde toepassing ligt in het vergroten van het akkerareaal. Daartoe werd een begin gemaakt met het dempen van het ven aan de zuidzijde door de es daarover te laten doorlopen. Eerst werd echter plaatselijk aan de rand nog wat turf gewonnen, gezien de rechthoekige kuil waarin op de bodem vaag de sporen van het turfsteken nog te zien waren.
Ontwikkelingen vanaf de achttiende eeuw
De groei van het esdek nam gestaag toe van 1400 tot 1700 en moet uiteindelijk toen zijn dikte van 80 tot 100 cm bereikt hebben.
In de achttiende eeuw is er opnieuw een belangrijk ingrijpen in de omgeving. Een tweetal fenomenen wijst hierop. In afbeelding 10 is dit zichtbaar gemaakt.

Afb. 10 Vanaf de achttiende eeuw werd hier een tuin aangelegd. Vooraf
werd geel zand gewonnen, gezien de spitsvoren.

Afb. 11 Banen van de spitsvoren tekenen zich af in het gele zand van de
C-horizont.
Aan de onderzijde van het esdek werden spitsporen gezien, die zich aftekenden in de lichtgele moederlaag van de podzolbodem. Men had in rijen van vier schoppen breed, met daartussen walletjes van 10 tot 15 cm die men liet staan grond uitgegraven (afbeelding 11). De spitsporen lopen over de vulling van sloot 2 heen, wat betekent dat ze van na de veertiende eeuw dateren. De vulling van de spitsporen bestaat uit es-materiaal. Door een bijzondere vondst op de bodem van een van de spitkuiltjes is een nauwkeuriger datering tot stand gekomen.

Afb. 12 De pijpekop uit een spitsvoor.
Het betreft een versierde pijpekop. De kop, die op afbeelding 12 te zien is, werd gemaakt van witte klei, de zogenaamde pijpaarde, die men in een vorm perste. De persnaad is nog goed te zien. De lengte bedraagt 4,2 cm en de grootste diameter is 2,1 cm. Op de hiel of voet ontbreekt het gebruikelijke pijpmakersmerk. De zijwanden van de kop zijn versierd. Links, vanuit de roker gezien, is een kroon afgebeeld met daaronder de letters K W. Boven de kroon staan twee figuren, daartussen een vos met een Franse lelie boven zijn kop. De figuren dragen lange stokken (speren?) welke boven de vos samenkomen. Op de rechterzijde is een schip, een grote driemaster, afgebeeld compleet met want, gereefde zeilen, tuigage en boegspriet. Aan de vlaggestok op het achterschip wappert een vlag. Stipjes op het boord geven de kanonnen aan.
De letters K W staan voor Koning Willem, ofwel koning-stadhouder Willem van Oranje. Deze Willem III was tot 1688 stadhouder van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën. In dat jaar stak hij met een sterke vloot de Noordzee over, verjoeg zijn schoonvader Jacobus II van de Engelse troon en werd zelf Engels koning. Dit voorval staat bekend als de 'Glorious Revolution'. De afbeelding van het schip verwijst dan naar de oversteek terwijl de kroon het koningsschap verbeeldt.
Waarom boven de kroon twee figuren met stokken en een vos met Franse lelie staan afgebeeld is niet met zekerheid te zeggen. Misschien houdt het verband met de vlucht van Jacobus II, na zijn nederlaag tegen de Nederlanders, naar Frankrijk. Daar kreeg hij bescherming van Lodewijk XIV. De vos kan dan Jacobus II voorstellen die zich schuilhoudt onder de Franse lelie.
De vorm van de pijpekop is die van een zogenaamde 'trechterkop'. Duco (1987) dateert deze in de periode 1675 - 1740. In dit geval moet de pijp tussen 1688 en 1740 gemaakt zijn. De afbeelding op de pijp is nogal gesleten. Samen met het zwaar doorrookte aspect wijst dit op een langdurig gebruik. De kans is groot dat de pijpekop in de eerste helft van de achttiende eeuw in het spitspoor terechtgekomen is, waarmee deze dus ook een dergelijke ouderdom heeft.
Er kunnen diverse redenen worden aangevoerd voor de winning van schoon lichtgeel zand zoals kennelijk hier gebeurd is. Het zand kan gebruikt zijn om elders een laagte te vullen of als bouwmateriaal. Ook is het mogelijk dat het als strooizand op vloeren werd aangebracht. Dit gebruik was nog tot in onze eeuw in Brabant in zwang (mond. med. mw. A. Manders, Oosterhout). Kenmerkend voor deze winning was dat het plaatsvond in banen waartussen dammetjes werden gehandhaafd om het schone zand gescheiden te houden van het vervuilde (mond. med. J. Broertjens, Rijks Geologische Dienst, Nuenen).
Een ander ingrijpen in de omgeving was de opvulling van sloot 3 met es-materiaal in deze periode.
Al deze activiteiten kunnen in verband worden gebracht met het veranderde gebruik van het perceel. Omstreeks de achttiende eeuw moet het terrein zijn functie als akker verloren hebben. Het werd, gezien de monumentale bomen die nu nog op het terrein achter het voormalige Visitandinnenklooster staan met een geschatte leeftijd van ± 200 jaar, ingericht als tuin en, zoals ook uit de opgraving bleek, als kerkhof.
Beschouwing
De archeologische bronnen van dit perceel in Tilburg stellen ons in staat om in grote lijnen de ontwikkeling van het cultuurlandschap in de afgelopen 1000 jaar te volgen. Dit artikel maakt met opzet alleen gebruik van deze archeologische bronnen. Het ligt in de bedoeling om in een volgend artikel dit terrein met zijn omgeving vanuit de archiefbronnen, historisch te bekijken. Beide recontructies kunnen vervolgens naast elkaar gelegd worden in een boeiende dialoog.
De archeologische recontructie laat menselijk ingrijpen in de omgeving met vallen en opstaan zien. De vroege ontginningsfase, waarbij de omvang van de akkers werd uitgebreid, gaf aanleiding tot verstuivingen van de losse bovengrond. Deze verstuivingen werden in de hand gewerkt door de manieren van landbewerking, zoals het scheuren en ploegen van de aarde, en door een verbeterde ontwatering.
Na de veertiende eeuw wordt de schrale grond verrijkt door het opbrengen van plaggen, mest en huisvuil. Aldus ontstaat een esdek die een dikte zal krijgen van 80 tot 100 cm. De es voorkomt ook een verdere verstuiving.
Door het ven bij de akker te trekken en te bedekken met de es wordt het akkerland verder in omvang uitgebreid.
Twee termen uit de huidige agrarische sector zijn kennelijk ook al op de laat- en na-middeleeuwse landbouw van toepassing, namelijk grondverbetering, door bemesting en ontwatering, en herverkaveling.
Van 1400 tot 1700 kan deze landbouwvorm zich heel stabiel ontwikkelen. Na 1700 heeft de vroege ontwikkeling van een dichtere bebouwing van de woonkern Tilburg een bepalende invloed op dit perceel. Het akkerland maakt plaats voor een wel zeer uitgesproken vorm van cultuurlandschap, de siertuin. In de tuin werd een kerkhof aangelegd, dat bij een toenmalig klooster hoorde. Voorafgaand is de bodem nog geëxploiteerd waarbij zand en veen op kleine schaal gewonnen werden.
Tot slot kan worden opgemerkt dat de archeologische kant van de dialoog met de historie altijd een verhaal in grote lijnen geeft en ook iets van de structuur van de veranderingen laat zien. De historische benadering kan dit op basis van andere bronnen ook zeer goed, maar kan bovenal heel specifieke gebeurtenissen en zaken aan het licht brengen. Iets dat in de archeologie veel moeilijker ligt.
De archeologie kan daarnaast ook nog op een andere, misschien wel unieke, manier gebruik maken van zijn bronnen. Het aanwenden van artefactgegevens met een mesolithische ouderdom om de middeleeuwse ! gebruiksgeschiedenis van de locatie te achterhalen is hier een voorbeeld van. Uit het voorkomen van mesolithische artefacten in zowel de moederlaag, sommige sporen als het esdek, kon afgeleid worden dat het menselijk ingrijpen in de late- en na-middeleeuwen een zeer plaatsgebonden karakter had. Ook het ontbreken van houtskool en de daaruit afgeleide bodemerosie illustreert deze werkwijze.
Misschien is een dergelijke wijze van bronnengebruik, waarbij artefacten en gegevens van de ene periode iets over een andere tijdsfase zeggen, wel voorbehouden aan de archeologie. Het geeft in ieder geval aan dat de betekenis van de artefacten en hun positie soms veel ruimer is dan alleen hun periode van gebruik doet vermoeden.
Met dank aan Piet Kleij, Hans Peeters, François van den Dries en Kees Epskamp.
Literatuur
Duco, D.H. 1987, De Nederlandse kleipijp - handboek voor dateren en
determineren, Leiden.
Dijk, N. 1993, 'Tilburg Kunstcluster. Het archeologisch onderzoek van een mesolithisch jachtkamp in de binnenstad van Tilburg',
Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, jaargang 11, no. 3: 56-62.
Dijk, N., P. Kleij, H. Peeters 1994, 'Mesolithische bewoningsresten uit de binnenstad van Tilburg (N-Br): Verslag van een noodonderzoek',
Archeologie, no. 5: 73-94.
Kleij, P., H. Peeters, N. Dijk 1993, 'Verslag opgraving Kunstcluster', ITHO Archeologische Reeks 5, Tilburg.
Slicher van Bath, B.H. 1976, De agrarische geschiedenis van West-Europa,
500-1850, Utrecht/Antwerpen.
* Niko Dijk is stadsarcheoloog van Oosterhout (N.-Br.) en daarnaast werkzaam bij het Instituut voor Toegepast Historisch Onderzoek te Tilburg.




