Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
236. Tilburg in de late middeleeuwen
 

Titel:   

Tilburg in de late middeleeuwen

Ondertitel:   

Verschuivende nederzettingen in een geaccidenteerd landschap

Auteur:   

Johan Hendriks en Frans van Nuenen*

Jaargang:   

X (1992) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

2

Pagina’ s:   

37-44


De artikelenreeks Archeologie in het Leijdal (1) wordt afgesloten met een bijdrage over de late middeleeuwen (1000 - 1500 na Chr.) Deze periode wordt gekenmerkt door ingrijpende ontwikkelingen op politiek, sociaal-economisch en maatschappelijk terrein. Vele themata dienen zich aan voor nader onderzoek. In het bestek van dit artikel willen we ingaan op het thema van verschuivende nederzettingen. Kort gezegd houdt dat in dat op archeologische gronden aannemelijk is dat de locatie van de 14e-eeuwse historisch bekende woonkernen een andere is dan die van hun 12e-eeuwse voorgangers. We willen dit voor met name Tilburg in tijd en ruimte enigszins verdiepen. Daarbij worden twee tijdslijnen ontrafeld: enerzijds wordt de archeologisch traceerbare ontwikkeling van het nederzettingspatroon gevolgd; anderzijds wordt getracht de laat-middeleeuwse topografie van Tilburg te reconstrueren. Waar beide tijdslijnen elkaar raken, ontstaat een interessante puzzel, waarbij we zullen trachten enkele stukjes op hun plaats te leggen.

Historische topografie van Tilburg

Van belang voor de reconstructie van middeleeuws Tilburg is inzicht te krijgen in de geologie en het bodemgebruik van de streek. De gemeente Tilburg ligt in haar geheel tegen de westrand van de Centrale Slenk, een geologisch verzakt gebied, waarbinnen in het ijstijdvak eerst de Rijn zijn weg vond en vervolgens de Maas.(2) De westrand van deze 'verzakking' wordt gevormd door de zuidoost-noordwest verlopende Feldbiss. Langs deze breukrand vinden we de rivier de Donge. De Centrale Slenk werd tegen het einde van het ijstijdvak (het Pleistoceen) langzaam opgevuld met smeltwaterafzettingen en dekzanden.(3) Dit pakket is soms 25 m dik. Aan het begin van het Holoceen, de huidige warmere 'tussenijstijd', omstreeks 8.000 voor Christus, kwam veel smeltwater vrij, dat naar de grote rivieren werd afgevoerd door vele wilde meanderende beekjes die het landschap sedertdien hebben bepaald.(4)



Globale hoogtekaart van het gebied om Tilburg. (Ontleend aan Teunissen van 
Manen 1985, pag 20).

De gemeente Tilburg, met een gemiddelde hoogte van 13,5 meter + NAP, ligt op een uitloper van de noordelijke helling van het Kempische Plateau, dat in België een hoogte van circa 35 meter + NAP bereikt.(5) Men zou dan ook verwachten dat de beken in noordelijke richting wegstromen. Dat blijkt echter niet het geval te zijn. Het Tilburgse gebied is namelijk op een hogere uitstulping gelegen, waardoor de beken in drie verschillende richtingen kunnen wegstromen: op de eerste plaats de afwatering naar het oosten via de Leij, die bij Oisterwijk Voorste Stroom gaat heten en de belangrijkste rivier is in onze regio. Vervolgens het stroomgebied van de Zandleij, dat naar het noordnoordoosten afwatert, en ten slotte het stroomgebied van de Donge, dat naar het noordwesten afstroomt. We hebben getracht om de meeste beken die aan het eind van de middeleeuwen door Tilburg stroomden te achterhalen, en hun loop op papier gezet. Het betreft oner andere de Moerenburgse waterloop, de Korvelse waterloop, de Couderijt, de Zwartrijt, de Zoe, de Waterzoe en de Hoge Zoe. De beken hebben eeuwenlang ook politieke betekenis gehad. Zo vormt de Katsbogte in het zuiden (Leij-systeem) de grens met de gemeente Goirle. de Zwartrijt in het oosten (Leij-systeem) de grens met de gemeente Berkel-Enschot, en de Donge in het zuidwesten de grens met de gemeente Alphen en Riel.

De bovenlopen van allerlei kleine beekjes van alle drie de systemen ontspringen voornamelijk op een vrij klein plateau, dat kennelijk als waterscheiding dienst doet. Het strekt zich grosso modo uit van het Korvelplein in het zuiden tot het Besterdplein in het noorden, het Reitseplein in het westen en het Rozenplein in het oosten. Centrum van deze hoge bult in het landschap is de Heuvel, de kern van een grotere dekzandrug langs de noordwestoever van de Leij, die zich uitstrekt tussen Goirle en Haaren.
Het is duidelijk dat de dekzandrug niet gelijkmatig van hoogte is. Niet alleen zijn er de diepe insnijdingen van de diverse zijbeken, zoals die van de Katsbogte en de Zwartrijt, ook kleinere verschillen komen voor. Zo vinden we onder de Stokhasselt in de late middeleeuwen zowel een lege acker als een hoghe acker.(6) Bij de opgravingen op de Groote Akkers te Goirle is gebleken dat onder de laat-middeleeuwse esdekken zowel afgesneden heuvels als opgevulde dalen schuilgaan. Soms waren die dalen opgevuld met water en werden ze vennen genoemd. Kortom, het landschap vóór circa 1250 heeft duidelijk een veel glooiender karakter gehad dan het tegenwoordig heeft.



Overzicht van de waterlopen en afwateringsrichtingen van het
 plaetau van Tilburg. 
A. Leij-systeem, B. Zandleij-systeem, C. Donge-systeem, 
D. Plateau van Tilburg. (Tekening: J. Hendriks).

Reeds nu kunnen op basis van met name 15e-eeuwse toponiemen, bijeengebracht door F.W. Smulders (7), een groot aantal vennen en poelen worden getraceerd. Zo kennen we onder andere het Ven (het huidige Piusplein), het Lo-ven, het Qualenwiel en de Aderplas onder Loven aan de Leij, het Kerkven, het Ezelsven en het Oeverven bij Oerle, het Ven op Veldhoven; het Lang Venneken op de Besterd; een Venne bij de Rugdijk, het Kraaiven, het Jan Roelofsven en de vennen aen den Rodenberch bij de Hasselt; het Ven, die Vennen en de Korvelse poel op Korvel, de Herstalse wolpoel, de Crachtenpoel in de Schijf en het Ven aan de Juupt tussen Oerle en Korvel. Ook hogere plekken kunnen via de toponiemen worden herkend. Zo vinden we naast de Heuvel (Hovel), de groet donc, de hoech donc en den Hogen Dries op Loven, de Paelsberch op Veldhoven, de Coudenberch en de Haenberch bij de Heikant, de Berchakker nabij de Stokhasselt, de Cranenberch, de Rodenberch en de Vosberch bij de Hasselt, de Wittenberg in de Schijf en de Hoocht bij het Oeverven te Oerle.

Het aldus geaccidenteerde terrein op de dekzandrug aan de noordwestoever van de Leij was zeker vanaf de bronstijd door mensen bewoond. Door geboorten en sterftegevallen, alsmede door middel van migraties, fluctueerde het bevolkingscijfer. Men heeft om in het eigen onderhoud te kunnen voorzien het beschikbare areaal in ontginning genomen. Nog in de 15e eeuw zien we dat het gehele gebied bestaat uit drie soorten gronden: de eigen akkers rondom boerderijen, grote aaneengesloten akkercomplexen, zoals de Groote Akkers, de zogenaamde gemeijnakkeren of de Schijf en gemeenschappelijke, onontgonnen gronden, de zogenaamde gemeijnten. De gemeijnt kennen we in twee soorten: een hoger gelegen, droge variant, vaak heidevelden, en een lager gelegen, natte variant, de beemd- en broekgronden.

Op basis van de onderzoeken van Ferdinand Smulders naar het laat-middeleeuwse Tilburg, de Bodemkaart van Nederland, 1:50.000, van de Stichting voor Bodemkartering te Wageningen, de chromotopografische kaart van Noord-Brabant, 1:25.000, die de toestand omstreeks 1900 weergeeft (8), alsmede de iets minder gedetailleerde kaarten, 1:50.000, uit het midden van de 19e eeuw (9), die goed aansluiten bij de Topografische en Militaire Kaart van het Koninkrijk der Nederlanden uit dezelfde tijd, hebben we getracht de bodemkundige situatie aan het einde van de middeleeuwen te reconstrueren voor het grondgebied van de gemeente Tilburg. Reeds eerder was vastgesteld dat de situatie omstreeks 1850, dat wil zeggen vóór de industriële revolutie, de laat-middeleeuwse situatie goed weergeeft (10), dat wil zeggen vanaf de periode dat de enkeerdgronden of esdekken werden aangebracht. Dat proces zal in de dertiende eeuw zijn begonnen.



Vereenvoudigde topografie van laat-middeleeuws Tilburg.
Kruisrastering: droge gemeijnt (heide); Streeprastering: 
natte gemeijnt (broek en beemd). (Tekening: J. Hendriks).

Door nu zowel de laat-middeleeuwse akkercomplexen, als de gemene gronden en de nederzettingen te reconstrueren kunnen we inzicht krijgen in het bodemgebruik en daarmee de bewoonbare delen van het Tilburgse grondgebied. Nu blijkt dat grote delen van Tilburg nog uit onontgonnen gemeenschappelijke gronden bestonden. Dat hangt vooral samen met de vele beken die door Tilburg stroomden, waardoor, zeker in de lagere delen, natte moerassige gebieden voorkwamen zoals het Goirke. Vervolgens vinden we vooral in het noordwesten de drogere heidegronden met aan de rand hazelaarbossen. De herdgangen Heikant en Hasselt hebben er hun naam aan te danken. De grootste akkercomplexen bevinden zich in het midden en zuiden van Tilburg: de Schijf, de Heuvel, het Loven en vooral Oerle en Korvel.

Archeologisch kader

In archeologische zin worden de late middeleeuwen in twee fasen onderverdeeld: een vroege fase (ca.1000-1250) en een late fase (ca. 1250-1500). Aardewerk, onderscheiden naar handgemaakte en gedraaide produkten, vormt de basis voor een archeologische datering, maar een scherpe scheidslijn is niet altijd te trekken. Tot de vroege fase behoren het handgemaakte Paffrath- en kogel-potaardewerk en de gedraaide produkten uit het Maas- en Rijnland (Limburgs, Andenne- en Pingsdorf-aardewerk). Tot de late fase behoren de vroegste produkten van het grijs- en roodbakken aardewerk en het steengoed. Het protosteengoed uit het Rijnland en het handgemaakte Elmpter aardewerk bevinden zich op de overgang tussen beide fasen.(11)

De archeologisch traceerbare thematiek van verschuivende nederzettingen

Algemeen
Trendsetter in het archeologisch onderzoek naar de thematiek van verschuivende nederzettingen in Brabant is het Kempenprojekt.(12) Zo werd ten noorden van Dommelen een groot gedeelte van een plaggendekcomplex, gelegen aan de oostzijde van de Keersop, archeologisch onderzocht. Daarbij kon een viertal bewoningsfasen tussen de 7e en 10e eeuw gereconstrueerd worden; de oudste middeleeuwse nederzettingen bevonden zich op de hoogste delen van het terrein. In de 11e-12e eeuw had de bewoning zich naar het beekdal verplaatst; rond 1250 werd de beekdalnederzetting verlaten. Vanaf de 14e eeuw werd het gebied als akkerland in gebruik genomen; de bewoonde kern had zich inmiddels zuidwaarts verplaatst.
Ook elders in Noord-Brabant (o.a. Geldrop-'t Zand(13) en Eindhoven-Blixembosch(14) werd dezelfde trend gevonden: de oude, hoger gelegen woonplaatsen worden in de loop van de 13e eeuw verlaten ten gunste van de lager gelegen beekdalen. Voor Midden-Brabant kan het archeologisch onderzoek van de Groote Akkers te Goirle als exemplarisch gelden.



Topografische kaart van Goirle-Groote Akkers met daarin 
aangegeven de verschillende middeleeuwse woonkernen. 
A: Goirle-Rillaerse Baan; B. Goirle-Engelengat; 
C. Goirle-Abcoven; D. Goirle-Hondsbosch.

Goirle-Groote Akkers: verschuiving in optima forma
De realisatie van het nieuwbouwplan De Groote Akkers te Goirle werd archeologisch begeleid. Tijdens vijf jaar onderzoek werden bewoningssporen aangetroffen daterend van de midden-ijzertijd tot de late middeleeuwen.(15) Hier gaan we dieper in op de middeleeuwse bewoning.
Een nederzetting uit de Merovingische tijd (6e-7e eeuw) werd gedeeltelijk aangesneden in het wegcunet van de Rillaerse Baan. Een zestal waterputten, een hutkom, een haardplaats en enkele paalgaten zijn de schamele representanten. Een nadere analyse maakte een drietal bewoningsfasen aannemelijk, waarbij in de oudste fase mogelijk twee erven gelijktijdig bestonden.(16) Op het eind van de 7e eeuw breekt de bewoning ter plaatse af.
In de daaropvolgende eeuwen (8e tot 10e eeuw) zien we het uitzwermen van de bewoning in oostelijke, zuidoostelijke en zuidelijke richting. Op de locaties Goirle-Engelengat en Goirle-Abcoven werden aardewerkvondsten uit de Karolingische tijd geborgen, in een voor het overige laat-middeleeuwse context.(17)

Op de locatie Goirle-Hondsbosch was tevens sprake van concrete bewoningssporen.(18) Dit laat-Karolingische erf lag op de zuidelijke flank van een west-oost gerichte dekzandrug, aan de rand van een relatieve depressie. Het belangrijkste element van het erf werd gevormd door een drieschepige huisplattegrond in de beste Zuidnederlandse traditie (type Dommelen A-1). Het huis bestond uit drie paar zware gebintstaanders met twee bijeen geplaatste staanders in de korte wanden. De palen van de lange wanden konden niet met zekerheid worden aangewezen. De lengte bedroeg circa 15 meter, de breedte van de gebinten circa 5 meter, terwijl de totale breedte op circa 8 meter gesteld kan worden. Een onderscheid in woon- of stalgedeelte kon niet worden gemaakt. Aan de oostzijde van het huis lagen twee waterputten; het is onwaarschijnlijk dat beide tegelijkertijd gefunctioneerd hebben. In beide gevallen ging het om boomstamwaterputten. Een zwerm paalsporen duidde aan dat het erf zich in noordoostelijke richting voortzette. Tot de mobiele vondsten behoren onder andere een vrijwel compleet Karolingisch bolpotje (uit een van de waterputten) en vele resten van lokaal vervaardigd kogelpotaardewerk, dat kenmerken van een vroege produktiefase vertoont. Een datering in de 9e-10e eeuw is aannemelijk.



Goirle-Hondsbosch: overzicht van de belangrijkste grondsporen in de werkputten. 
Bij H1: fragment van een huisplattegrond uit de ijzertijd; Bij H2: laatmiddeleeuwse 
huisplattegrond (9e-10e eeuw); Bij W: laatmiddeleeuwse waterputten. Gerasterd: 
relatieve depressie. Schaal in meters. (Tekening: F. van Nuenen).

Op de locaties Goirle-Abcoven en Goirle-Engelengat bevonden de sporen van de laat-middeleeuwse bewoning zich in de directe nabijheid van hun voorgangers. Bij Goirle-Engelengat werd een erf aangesneden, waarvan een achtpalig schuurtje van circa 3 x 8 meter kon worden gereconstrueerd. Het erf werd gecompleteerd door een tweetal waterputten en enkele afvalkuilen en was omgreppeld en van een palissade voorzien.

Meer is er bekend van de laat-middeleeuwse nederzetting Goirle-Abcoven.(19) De nederzetting bestond uit drie of vier erven die in een halve cirkel met de opening naar het noorden waren gegroepeerd. Elk erf bestond uit een hoofdgebouw en een of meerdere schuren en spiekers. De hoofdgebouwen behoorden tot het drie-schepige type (vgl. Hondsbosch), bestaande uit drie of vier gebintstaanders en dubbele palen in de korte wanden. De lengte varieerde van 13 tot 21 meter, de breedte van 5 tot 7 meter. Ook hier werden slechts in enkele gevallen sporen van de wandpalen teruggevonden. Bij enige huizen werden hoekpalen in de korte wand vastgesteld, waardoor een vierkant grondplan ontstond. De mobiele vondsten dateren de nederzetting tussen 1100 en 1200 na Chr. Een nadere analyse moet nog worden uitgevoerd om een mogelijke fasering in de bewoningsduur aan te kunnen geven.
De nederzettingen Abcoven en Engelengat geven het einde van de bewoning op de Groote Akkers aan. In de daaropvolgende eeuwen wordt het gebied als akker in gebruik genomen. 

Willen we de resultaten van het onderzoek op de Groote Akkers te Goirle in het licht van de thematiek van verschuivende nederzettingen bezien, dan moeten we het volgende bedenken: niet alleen is het oorspronkelijke reliëf door onder andere egalisatiewerkzaamheden en ophoging door plaggenbemesting verdwenen, maar ook de aangelegde opgravingsvlakken zijn niet altijd een weerspiegeling van dat reliëf. Globaal gezien helt het gebied in zuidoostelijke richting af naar de Leij. Gemeten naar de maaiveldhoogten van de locaties van de aangetroffen middeleeuwse bewoning zien we het volgende beeld: de Merovingische nederzetting ligt op circa 15,5 meter + NAP, de Karolingische bewoning op circa 14,5 meter + NAP, de laat-middeleeuwse nederzettingen op circa 14 meter + NAP. De huidige, historisch bekende woonkernen Bakertand en Abcoven bevinden zich op circa 13 meter + NAP. Daarmee lijkt de ontwikkeling van naar het beekdal verschuivende nederzettingen zich op de Groote Akkers in optima forma te hebben voltrokken. 


Tilburg: schamele resten van een middeleeuws verleden

Algemeen
In het verleden werd bij archeologisch onderzoek op Tilburgs grondgebied slechts in uitzonderlijke gevallen een tipje van het middeleeuwse verleden opgelicht.(20) Bewoningssporen in de vorm van huisplattegronden, waterputten etcetera ontbreken geheel, in enkele gevallen kan op grond van losse vondsten bewoning worden vermoed. Zo werd bij het proefonderzoek van de Romeinse nederzetting in het buitengebied Moerenburg Karolingisch aardewerk gevonden. En ook bij het bouwrijp maken van het bedrijventerrein Het Laar kwamen enkele scherfjes Karolingisch aardewerk tevoorschijn. Ten slotte werd er bij graafwerkzaamheden ten zuidwesten en zuiden van het Hasseltplein 11e tot 12e- eeuws aardewerk aangetroffen.

Daarnaast heeft incidenteel onderzoek aanwijzingen opgeleverd omtrent de middeleeuwse landschappelijke situatie. Zo werd op 300 meter ten zuiden van het Hasseltplein vastgesteld dat daar rond 1300 een heideveld met een ven lag. In de loop van de 14e eeuw werd dit deel van de gemeint door middel van greppels ontgonnen. Op een van de percelen verrees een eenvoudig schuurtje. Rond 1500 verdween het schuurtje, werden de greppels gedicht en werd het gebied als akker in gebruik genomen. Iets ten zuiden hiervan, in de oude buurtschap de Bokhamer, werd de restauratie van een pand archeologisch begeleid. Daarbij bleek dat een 14e-eeuwse greppel met heideplaggen was dichtgegooid; wanneer dit plaatsvond, kon niet worden vastgesteld. Eerst in de 17e eeuw nam de bewoning een aanvang. Bij de ontsluiting van het bedrijventerrein Het Laar werden archeologische waarnemingen verricht. In het noordelijk gedeelte kon worden vastgesteld dat het gebied in de loop van de 15e eeuw als akker in gebruik werd genomen. Het zuidelijke gedeelte, naar de beek de Katsbogte toe, werd doorsneden door greppels die met heideplaggen waren dichtgegooid. Vondsten tussen de heideplaggen dateren dit in de 17e-18e eeuw.

Meestal kon echter bij graafwerkzaamheden, met name in de binnenstad, geen enkel spoor van het middeleeuwse verleden worden waargenomen. Zo wees bij de opgraving van het kasteel aan de Hasselt niets op een voorganger van voor 1500. Een archeologische waarneming op de hoek Dr. Deelenlaan-Rueckertbaan leverde vooral een heidebodem op zonder middeleeuwse sporen.(21) Korte onderzoeken aan de Heuvel, Molenstraat, Bokhamerstraat, Oerlesestraat en Moerstraat gaven dateringen van de 16e-18e eeuw als aanvang van de bewoning ter plaatse. Aan de oostzijde van het Korvelplein, waar voorheen de textielfabriek Van Dooren en Dams gelegen was, werd door de kortstondig bestaande werkgroep archeologie van de heemkundekring Tilborch eveneens een onderzoek verricht. Ook hier konden geen sporen uit de middeleeuwen worden vastgesteld en werden slechts enkele scherfjes gevonden die mogelijk uit de laatste periode van de middeleeuwen dateren.(22)
Daarbij moet worden aangetekend dat door het ontbreken van ophogingslagen de archeologische sporen-voerende grondlaag in Tilburg dicht onder de oppervlakte ligt. Oude en moderne bebouwing, maar meer nog diepgravende sloopwerkzaamheden, kunnen daarbij een directe vernietigende invloed op het bodemarchief hebben. Mede hierdoor en door het ontbreken van een nauwkeurige specialistische inventarisatie van alle vondstcomplexen kunnen verregaande conclusies omtrent de middeleeuwse bewoning van Tilburg nog niet getrokken worden. Recentelijk zijn twee vindplaatsen bekend geworden die meer licht kunnen werpen op het middeleeuwse verleden van Tilburg.

Tilburg-Broekhovenseweg (23)
Ten behoeve van de nieuwbouw van de Merode-buurt werden in 1989 de panden aan de oostzijde van de Broekhovenseweg gesloopt. In een van deze zeer onregelmatig uitgegraven sloop/bouwputten werd op een diepte van circa 80 cm onder het maaiveld een viertal grondsporen waargenomen en onderzocht. Deze sporen bevonden zich circa 10-15 meter ten oosten van de Broekhovenseweg en circa 25-30 meter ten zuiden van het voormalige Van Malsenhof. Drie sporen vormden een west-oost gerichte rij met een lengte van circa 3 meter, het vierde lag iets ten zuiden daarvan. In een geval, het middelste van de drie west-oost gerichte sporen, was er sprake van een paalgat: een afgerond-vierkante verkleuring van 80 x 80 cm vertoonde in het midden een ronde donkerbruine kern met een diameter van 40 cm; de diepte bedroeg circa 40 cm. De beide andere sporen waren minder diep ingegraven, terwijl geen kern herkenbaar was; mogelijk gaat het hierbij om de onderzijde van de insteek. Het vierde spoor kan qua afmeting en vulling als een inspoelingskuil beschouwd worden. In de vulling van het paalgat bevond zich veel houtskool en verbrande leem; als mobiele vondsten werden een wfr limburgs aardewerk met verfstreep, een wfr andenne, een wfr kogelpot en een randfragment handgemaakt (Limburgs?) aardewerk geborgen. Het geheel dateert de sporen in de 12e-13e eeuw. Door het onregelmatig uitgegraven vlak van de bouwput konden geen verdere sporen worden waargenomen. Mogelijk hebben we hier te maken met spaarzame resten van een schuurtje behorend tot een middeleeuws erf.

Tilburg-Stappegoorweg (24)
Aan de Stappegoorweg te Tilburg werd een gedeelte van een akker van zijn plaggendek ontdaan. Bij veldverkenningen werden geregeld vondsten uit het verleden verzameld. In totaal ging het om circa 2000 fragmenten aardewerk uit meerdere perioden. Ons interesseert hier het middeleeuwse aardewerk, dat ca. 11% van het totale vondstcomplex uitmaakte (tabel 1).

Tabel 1:
verdeling van het middeleeuwse aardewerk over de verschillende 
subperioden in absolute aantallen en percentages.

  VMEa VMEb LMEa  LMEb   Totaal
aantallen  - 20 123 52 196
percentages - 105 615 295 1005


Het aardewerk uit de vroege middeleeuwen (VMEb) omvat vrijwel uitsluitend Karolingisch gesmoord aardewerk; er zijn diverse baksels vertegenwoordigd, met name afkomstig van kookpotten.
Van het laat-middeleeuwse aardewerk uit de vroege fase (LMEa) is circa 22,5 % handgemaakt (zgn. kogelpot- en Paffrath-aardewerk) en 67,5 % gedraaid (overwegend Maaslands wit aardewerk, waartoe ook Andenne- en Pingsdorf-aardewerk gerekend wordt). Het laat-middeleeuwse aardewerk uit de late fase (LMEb) betreft grijs aardewerk en protosteengoed.
Op de locatie Tilburg-Stappegoorweg kan een nederzetting verondersteld worden die mogelijk Karolingisch van oorsprong is en die tot in de 12e - 13e eeuw heeft bestaan. Duidelijk is dat gedurende deze periode slechts een geringe verplaatsing van de nederzetting heeft plaatsgevonden: de hogere rand van het beekdal blijft de geliefde woonlocatie. In de loop van de 13e eeuw wordt de nederzetting verlaten, waarna het gebied als akker in gebruik wordt genomen.

Conclusies

De dertiende eeuw is in archeologisch en historisch opzicht van cruciaal belang. In deze tijd verschoof de bewoning kennelijk van de beekdalen naar de huidige gehuchten, de latere herdgangen of de nieuw ontstane steden, zoals bijvoorbeeld Oisterwijk, dat in het begin van de 13e eeuw werd gesticht en al vrij snel van enige vrijheidsrechten werd voorzien.
De meest opvallende beweging is echter dat de oude woongronden nu definitief werden verlaten. De vruchtbare dekzandruggen waar men reeds meer dan 2000 jaar had gewoond, moeten onder grote externe druk zijn verlaten. De in economisch opzicht conservatieve boeren zouden zich niet zo snel laten verjagen als daar niet een dwingende reden toe was. Zelfs verschillende economische systemen, zoals die van de Romeinen of van de Franken, hadden ze overleefd te midden van hun vruchtbare akkers.



Globale bevolkingsontwikkeling in middeleeuws 
Europa. 1. Frankrijk en de Lage Landen; 
2. Duitsland en Scandinavië. X-As: tijdbalk 
500 - 1500 AD; Y-as: bevolkingsaantallen in
miljoenen. (Ontleend aan Russell 1972, pag. 36).

Dit lijkt ons vooral samen te hangen met een spectaculaire bevolkingsgroei tussen 1150 en 1300, een tendens die overigens omstreeks het jaar 1000 al was ingezet.(25) In deze periode was men tot ontginning van de gemene gronden overgegaan, maar omdat dat voor het grootste deel marginale gronden waren die onvoldoende vruchtbaar waren, raakten ze snel uitgeput en leverden ze veel te weinig op. Naar onze mening kunnen herdgangen als Hasselt en Heikant hun ontstaan aan deze fase te danken hebben. Slicher van Bath merkt in dit verband op dat de uitbreiding van de landbouwproduktie geen gelijke tred had gehouden met de bevolkingsvermeerdering, waardoor een relatieve overbevolking was ontstaan.(26) Het gevolg is bekend: men trok weg, onder andere naar de nieuw gestichte steden.(27) Inmiddels werd getracht het voedselprobleem op te lossen, in rivierklei- en veengebieden bijvoorbeeld door de grootscheepse 'cope-'ontginningen.(28) In onze regio was zo'n potentieel echter niet ter beschikking: de heidevelden waren te droog en de moerassen te nat en te gevaarlijk. Waarschijnlijk heeft men toen het besluit genomen om de aanwezige vruchtbare gronden kwalitatief te verbeteren en uit te breiden. Wellicht gebeurde dit onder druk van de hertog van Brabant, die juist in de periode 1190-1250 zijn invloed in onze streken liet gelden en een geheel nieuw economisch en politiek systeem opzette.(29) Het oude, vruchtbaarder, gebied werd nu door middel van potstalbemesting omgebouwd tot grote akkercomplexen. De nieuwe nederzettingen verschenen aan de randen daarvan, zowel langs de beekdalen als langs de heidevelden.

Het huidige Tilburg vindt zijn oorsprong dan ook vooral in deze 12e- en 13e-eeuwse migraties.(30) Er zijn echter te weinig gegevens voorhanden om preciezer aan te geven hoe de migratie is verlopen. Dat betekent dat in de toekomst meer onderzoek zal moeten plaatsvinden binnen de oude kernen van de Tilburgse herdgangen Heuvel, Korvel, Oerle, Loven, Veldhoven, De Schijf, Hasselt en Heikant. Niet alleen zal daarbij naar middeleeuwse bewoningssporen gekeken moeten worden, maar ook naar aanwijzingen omtrent de geaccidenteerdheid van het middeleeuwse landschap. Duidelijk is evenwel dat de zogenaamde Frankische driehoeken niet ouder kunnen zijn dan de 12e eeuw. Zij ontstonden namelijk op die plaatsen waar de wegen naar de nieuwe bewoningsconcentraties elkaar sneden. Een nader onderzoek naar het micro-reliëf ónder de plaggendekken zal een nuttige bijdrage kunnen betekenen voor het traceren van pre- en protohistorische vindplaatsen binnen de gemeente Tilburg.


Literatuur

Aarts, B., 1992. Texandrië. Van omstreden gouwbegrip naar integratie in het hertogdom. Hoofdlijn en vraagtekens. In: H. van Doremalen, R. Peeters (red.). Geworteld in Taxandria. Historische aspecten van de relatie Tilburg-Turnhout (Tilburgse Historische Reeks 1). Tilburg-Turnhout, 8-42.
Arts, N., 1991. Blixembosch: de voorspelling, testopgraving en betekenis van een verlaten middeleeuwse nederzetting te Eindhoven. Westerheem 40, 165-172.
Bazelmans, J. en F. Theuws, 1990 (red.). Tussen Zes Gehuchten. De laat-Romeinse en middeleeuwse bewoning van Geldrop-'t Zand. Amsterdam.
Dries, F. van den, 1988. Tilburg: de oude boerderij van Fouchier in de Groene Long. Een archeologische waarneming. Jaarverslag 1987 van de AWN-afdeling Midden-Brabant. Tilburg, 91-93.
Hendriks, J. en F. van Nuenen, 1988. IJzertijd in het Leijdal: wonen en werken aan de boorden van een kabbelende beek. Tilburg 6, nr. 3, 87-90. 
Hendriks, J. en F. van Nuenen, 1989. Archeologisch onderzoek in 'De Tilburgen'. Een poging tot reconstructie van het vroegmiddeleeuwse 'Tilliburgis'. Tilburg 7, 88-94.
Hendriks, J., 1992. XIIde-XIIIde-eeuwse migraties in groot-Tilburg (Nl.), Archaeologia mediaevalis 15, 79-80.
Hendriks, J., 1992. De middeleeuwse stad Oisterwijk in het hertogdom Brabant: een nederzetting zonder stedelingen'. De Kleine Meierij 43, in druk.
Kanters, H., 1989. Geologie en bodem van Midden-Brabant, Westerheem 38, 65-68.
Linden, H. van der, 1956. De Cope. Een bijdrage tot de rechtsgeschiedenis van de openlegging der Hollands-Utrechtse laag-vlakte. Assen.
Nuenen, F. van, 1989. Goirle avant la lettre: bewoningssporen uit de late middeleeuwen. Westerheem 38, 103-107.
Nuenen, F. van, 1990. AWN-afdeling Midden-Brabant in 1989: het jubileumjaar in woord en beeld. Westerheem, 39, nr. 6, 253-262.
Nuenen, F. van, 1992. Tilburg-Stappegoorweg: een subtropisch-zwemparadijselijke bedreiging van het Tilburgse bodemarchief. Tilburg, Stichting Projekt Archeologie.
Russell, J.C., 1972. Population in Europe, 500-1500'. In: C.M. Cipolla (ed.). The Fontana economic history of Europe. The middle ages. London/Glasgow, 25-70.
Slicher van Bath, B., 1960. De agrarische geschiedenis van West-Europa, 500-1850. Utrecht/Antwerpen.
Smink, E.H., 1985. Aardewerk in Nederland. Een globaal overzicht van het Neolithicum tot circa 1800. In: K.J. Steehouwer en A.H.C. Warringa (red.), Archeologie in de Praktijk. Methoden en technieken voor de (amateur-)archeoloog. Weesp, 115-152.
Smulders, F.W., Tilburg rond 1450. Historische Bijdragen 2 (1971), 3-6; 3 (1972), 37-40, 55-58, 84-87; Actum Tilliburgis 4 (1973), 29-31; 5 (1974) 41-45, 107-112; 6 (1975), 113-116; 7 (1976), 21-24, 40-43; 8 (1977), 25-29.
Smulders, J., 1989. Gedempte putten. Vroeg-middeleeuwse waterputten op de 'Groote Akkers', Goirle. Westerheem 38, 85-96.
Stoepker, H., 1977. Medieval parish churches in northeastern North Brabant and Limburg, I. Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 27, 217-236.
Stoepker, H., 1981. Verslag van de Afdeling Archeologie, Archief-dienst gemeente Tilburg 1 juli 1978 tot 1 juli 1980. Tilburg. 
Stoepker, H., 1982. Een hutje op de heide. Verslag van een opgraving aan de Reitse Hoevenstraat te Tilburg. De Lindeboom VII, 11-26.
Stoepker, H., 1983. Archeologie in Tilburg en Omgeving 1980-1982. Tilburg.
Stoepker, H., 1986. Graven naar het kasteel van Tilburg. Waalre.
Stoepker, H., 1988. Het nut van historische kaarten voor de archeologie. In: H.P. Neuheuser (Hrsg.), Erschliessung und Auswertung historischer Landkarten, Köln, 273-292.
Teunissen van Manen, T.C., 1985. Bodemkaart van Nederland 1:50.000. Toelichting bij de kaartbladen 50 Oost Tilburg en 51 West Eindhoven. Wageningen.
Theuws, F., 1991. Landed property and manorial organisation in Northern Austrasia: some considerations and a case study. In: N. Roymans en F. Theuws (eds.), Images of the past. Studies on ancient societies in Northwestern Europe. Amsterdam, 299-407.
Venetië, H. van, 1977. De werkgroep archeologie. Actum Tilliburgis 8, 144-151.
Verwers, W.J.H., 1990. Goirle: een 11e-12e eeuwse nederzetting op de Groote Akkers. In: Jaarverslag van de AWN-afdeling Midden-Brabant. Tilburg, 30-32.


Noten

(1) Hendriks en Van Nuenen 1988 en 1989.
(2) Teunissen van Manen 1985, 12.
(3) Kanters 1989.
(4) Teunissen van Manen 1985, 14-15.
(5) Teunissen van Manen 1985, 20 en afb. 12.
(6) Smulders 1974, 42.
(7) Zie artikelenreeks van F.W. Smulders in Historische Bijdragen en Actum Tilliburgis.
(8) Historische Atlas Noord-Brabant. Uitgave Robas Producties, Den Ilp 1989.
(9) Grote Historische Atlas van Nederland 1:50.000. Zuid-Nederland 1838-1857. Uitgave Atlasprodukties Wolters-Noordhoff, Groningen 1990.
(10) Stoepker 1977 en 1988.
(11) Ontleend aan Smink 1985, met name 141-149. Globale dateringen laat-middeleeuws aardewerk:
Handgemaakt: kogelpot (750-1300), Paffrath (1100-1250) en Elmpt (1175-1350).
Gedraaid: Limburgs (900-1200), Pingsdorf (900-1200), Andenne (1075-1275), protosteengoed (1225-1300), rood/grijsbakken (vanaf 14e eeuw) en steengoed (idem).
(12) Zie voor het meest recente overzicht Theuws 1991, met name 365-370.
(13) Bazelmans en Theuws 1990.
(14) Arts 1991.
(15) Wij verwijzen hier naar de Jaarverslagen van de AWN-afdeling Midden-Brabant van 1985 tot en met 1990.
(16) Smulders 1989, met name 95.
(17) Van Nuenen 1989, met name 106-107.
(18) Van Nuenen 1990, 256-259.
(19) Verwers 1990, 30-32.
(20) Een belangrijk deel van de gegevens is ontleend aan de publikaties van de toenmalige gemeentearcheoloog, drs. H. Stoepker. Daarnaast bieden de Jaarverslagen van de AWN-afdeling Midden-Brabant een welkome aanvulling.
(21) Van den Dries 1988.
(22) Van Venetië 1977.
(23) Een nog niet eerder gepubliceerde waarneming door F. van Nuenen, geregistreerd in het Stichting Projekt Archeologie-archief onder code TBBW-89.
(24) Het meest complete overzicht van de vondsten van deze akker geeft Van Nuenen 1992.
(25) Russell 1972.
(26) Slicher van Bath 1960, 86-100.
(27) Hendriks 1992, in druk.
(28) Van der Linden 1956.
(29) Aarts 1992.
(30) Hendriks 1992.

* Bestuursleden Stichting Projekt Archeologie; initiatiefnemers werkgroep 'Tilliburgis'.