| 243. Waterlopen in Tilburg | |||
|
Titel: |
Waterlopen in Tilburg |
|
Ondertitel: |
Achtergronden bij het ontstaan |
|
Auteur: |
|
|
Jaargang: |
XVIII (2000) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
2 |
|
Pagina’ s: |
52-62 |
Het grondgebied van Tilburg bestaat uit een zacht glooiend terrein, waarin op relatief korte afstand hoogteverschillen tot enkele meters kunnen optreden. Het gebied, dat vroeger grotendeels bebost moet zijn geweest, werd doorsneden door talrijke waterlopen. Verder waren er veel vennen en moerassen.
De waterlopen hebben een belangrijke rol gespeeld in de nederzettingsgeschiedenis. Niet alleen hielden zij het gebied bewoonbaar door het afvoeren van overtollig hemelwater, zij voorzagen de eerste bewoners van onze streken, rondtrekkende jagers/verzamelaars, ook van drinkwater en van vis.
Uit verscheidene archeologische vondsten is gebleken dat het gebied waarin Tilburg ligt reeds tijdens het Mesolithicum (de middensteentijd, ca. 5000-6000 v.C.) bewoond was. Aan de oevers van de Nieuwe
Leij, de Katsbogte en de Korvelse waterloop zijn voorts bewoningssporen gevonden uit de IJzertijd, de Romeinse tijd en de Vroege en Late Middeleeuwen. Het is dan ook niet onwaarschijnlijk dat het gebied al enkele duizenden jaren min of meer permanent wordt bewoond.
De eerste landbouwers die zich in onze streken vestigden, gebruikten de hogergelegen gronden langs de beekdalen voor akkerbouw; de vochtige beekdalen zelf dienden voor het weiden van het vee. Als drinkwaterbron voor de mens speelden de waterlopen toen een ondergeschikte rol, omdat drinkwater in onze streken gemakkelijk verkrijgbaar was door het graven van een put.
Het dorpsbestuur heeft altijd groot belang gehecht aan een goede waterhuishouding. Eigenaren waren verplicht de over hun eigendommen lopende waterlopen schoon te houden. Dit werd jaarlijks gecontroleerd tijdens schouwvoeringen, die werden gehouden onder leiding van drost en schepenen.
Grensscheiding
Sommige waterlopen kregen al spoedig een belangrijke functie als grensscheiding. Zo werd de grens met Riel (deels) gevormd door de Oude Leij
(Donge), die met Rijen door de Landscheiding, die met Goirle door de Katsbogte, die met Hilvarenbeek door de Oude
Leij, en die met Berkel-Enschot door de Oude Leij en de Zwartreit. Verder deden veel waterlopen later dienst als perceelscheiding.
Vanaf de eerste helft van de 19e eeuw loosden de steeds talrijker wordende industriële ondernemingen hun afvalwater op deze waterlopen, hetzij rechtstreeks, hetzij via gegraven sloten of buisleidingen. Daardoor gingen zij steeds meer als open riool fungeren. Doordat veel wollenstoffenfabrieken hun blauw-zwarte afvalwater erop loosden, werden ze al spoedig aangeduid met de naam
blauwsloot. Het stelsel van waterlopen vormde de basis voor het Tilburgse rioolstelsel.
Stroomgebieden
Tilburg watert van nature af op drie verschillende beken, alle drie behorend tot het stroomgebied van de Maas, namelijk de
Zandleij in het noordoosten, de Oude Leij (later: Donge) in het westen, en de
Nieuwe Leij (later: Voorste Stroom) in het zuidoosten. We kunnen derhalve een onderscheid maken tussen drie verschillende stroomgebieden.
De oorspronkelijke grenzen tussen de stroomgebieden, de waterscheidingen, zijn aangegeven op een waterstaatskaart van Tilburg en omgeving uit 1876. Het snijpunt van de waterscheidingen ligt in
de Schijf, iets ten westen van het kerkhof aan de Bredaseweg, nabij de kruising van de Missionarisstraat en de Wilgenstraat, op een hoogte van 15 tot 15,5 meter
+NAP.(1)
Projectie van de waterscheidingen op de huidige stadsplattegrond geeft het volgende globale beeld:
1. De scheiding tussen de stroomgebieden van de Leij en de Zandleij loopt vanaf genoemd snijpunt langs de oostzijde van de St. Ceciliastraat ongeveer noordwaarts tot de kruising
Wilhelminapark-Goirkestraat, buigt dan af naar het noordoosten en volgt, aan de westzijde, de loop van de
Goirkestraat, snijdt vervolgens de Goirkestraat iets ten noorden van de Kapelstraat, gaat dan over het Julianapark
noordoostwaarts, en buigt ongeveer ter hoogte van de Van Anrooylaan af naar het oosten.
2. De scheiding tussen de stroomgebieden van de Donge en de Zandleij loopt vanaf genoemd snijpunt ongeveer
noordwestwaarts, snijdt de Prunusstraat, passeert de kruising Hart van
Brabantlaan/Ringbaan-West, buigt bij de Reitse Hoevenstraat af naar het westen, volgt ongeveer het tracé van de Wandelboslaan en buigt ten slotte ter hoogte van de Statenlaan af naar het noorden.
3. De scheiding tussen de stroomgebieden van de Donge en de Leij loopt vanaf genoemd snijpunt
zuidwestwaarts, passeert de Bredaseweg iets ten oosten van het klooster van de missionarissen van het H. Hart, gaat langs de westzijde van het
Korvelplein, gaat dan zuidwaarts door de Laarstraat en de Goirleseweg tot de waterloop de
Katsbogte, vervolgens westwaarts langs de noordzijde van die waterloop tot even voorbij de
Rielseweg, daarna weer oostwaarts en tenslotte zuidoostwaarts.
Deze natuurlijke waterscheidingen vallen tegenwoordig echter niet meer samen met de huidige grenzen van de waterschappen. Begrenzingen van waterschappen kunnen arbitrair worden vastgesteld, omdat men voor de afvoer van hemelwater en rioolwater niet meer afhankelijk is van de natuurlijke waterafvoer. Via buisleidingen kunnen waterscheidingen immers probleemloos gepasseerd worden.
De bodem van Tilburg
Voorlopers van riviertjes als de Leij en de Donge werden gevormd tijdens de laatste ijstijd, die ca. 70.000 jaar geleden begon. Hetzelfde geldt voor de
Zandleij, die in Udenhout ontstaat uit een drietal uit Tilburg afkomstige waterlopen. De kleinere, lokale waterlopen ontstonden waarschijnlijk pas later, tijdens de periode die we aanduiden met het Holoceen, en die ca. 10.000 jaar geleden begon.
Om het ontstaan van waterlopen te kunnen verklaren, is enige kennis van de bodemopbouw noodzakelijk.
Het grondgebied van Tilburg bevindt zich voor het grootste deel binnen de Centrale
Slenk. De Centrale Slenk is meer dan 200 miljoen jaar geleden ontstaan tijdens het Carboon. Als gevolg van breuken in de aardkorst ontstonden er schollen, die verticaal ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Een relatief hoger gelegen gebied noemt men een
horst, terwijl een ten opzichte van de omgeving gedaald gebied met slenk wordt aangeduid. Bewegingen langs breuklijnen komen nog regelmatig voor, de aardbeving van 13 april 1992 zal vele lezers nog vers in het geheugen liggen.
De Centrale Slenk ligt tussen de Peelhorst en het West-Brabants Massief dat een uitloper is van het
Kempisch Plateau. Aan de oostzijde wordt de begrenzing gevormd door de Peelrandbreuk, aan de westzijde door een aantal zuidzuidoost-noordnoordwest lopende breuken, waarvan de
Feldbiss de voornaamste is. De Gilzerbaanbreuk, die de Gilzerbaan ongeveer een kilometer ten oosten van de gebouwen van de Tilburgsche Waterleiding-Maatschappij passeert, maakt deel uit van de
Feldbiss. Ongeveer vijf kilometer westelijker loopt een andere breuk, de
Rijenbreuk.
Aanvankelijk zijn er door de zee in de Centrale Slenk dikke pakketten sedimenten
(mariene sedimenten) afgezet, hoofdzakelijk bestaande uit slibhoudende en grove zanden en schelpengruis. Later trok de zee zich geleidelijk aan naar het westen terug. Gedurende het Pleistoceen, een periode die ca. 2,5 miljoen jaar geleden begon, en die gekenmerkt wordt door het optreden van een aantal koude perioden (ijstijden of glacialen) en warmere perioden (tussenijstijden of interglacialen), is de Centrale Slenk opgevuld met sedimenten, hoofdzakelijk aangevoerd door de Rijn en in mindere mate door de Maas. (De Maas was aan het begin van het Pleistoceen nog een zijrivier van de Rijn.)
Een sedimentpakket met bepaalde specifieke kenmerken duidt men aan met de term lithostratigrafische
eenheid. In de bodem van Tilburg kunnen we (van boven naar beneden) de volgende lithostratigrafische eenheden onderscheiden:
Vanaf het maaiveld tot ca. 5 m +NAP: Formatie van Twente, Formatie van Eindhoven, Formatie van Asten.
Van ca. 5 m +NAP tot ca. 30 m -NAP: Formatie van Sterksel, bestaande uit Rijnsedimenten uit het Onder- en
Midden-Pleistoceen.
Van ca. 30 m -NAP tot ca. 45 m -NAP: Formatie van Kedichem, bestaande uit Rijnsedimenten uit het Onder-Pleistoceen.
Van ca. 45 m -NAP tot ca. 90 m -NAP: Formatie van Tegelen, bestaande uit Rijnsedimenten uit het Onder-Pleistoceen.
Van ca. 90 m -NAP tot ca. 130 m -NAP: Formatie van Maassluis, bestaande uit mariene sedimenten uit het Onder-Pleistoceen.
Vanaf ca. 130 m -NAP: Formatie van Oosterhout, bestaande uit mariene sedimenten uit het Plioceen.
Vanaf het maaiveld (ca. 13 meter +NAP) tot ca. 5 m +NAP bestaat de bodem van Tilburg hoofdzakelijk uit een pakket sedimenten die gedurende de laatste ijstijd, het
Weichselien, zijn neergelegd. We noemen dit pakket de Formatie van Twente. Daarnaast treffen we hier en daar afzettingen aan uit de periode voor het
Weichselien. Het betreft hier de Formatie van Eindhoven, bestaande uit zanden, neergelegd tijdens het Saalien (de voorlaatste ijstijd), en de Formatie van Asten, bestaande uit veenachtige afzettingen uit het Eemien (het interglaciaal tussen het Saalien en het
Weichselien). De Formaties van Twente, Eindhoven en Asten worden samen wel aangeduid als de
Nuenengroep.
De in bovenstaand overzicht vermelde hoogten ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil (NAP) zijn afkomstig van boringen uitgevoerd aan de
Gilzerbaan, iets ten oosten van de Gilzerbaanbreuk. De dikte en de samenstelling van de verschillende formaties kunnen echter plaatselijk variëren. Ter hoogte van het Industrieterrein Loven (maaiveldhoogte ca. 15 m +NAP) heeft het pakket van de Nuenengroep bijvoorbeeld slechts een dikte van vier meter, terwijl de formatie van Sterksel een dikte heeft van 36 meter.
(2)
De ligging en dikte van de verschillende formaties aan weerszijden van de Gilzerbaanbreuk en de Rijenbreuk verschillen zeer sterk. Ten westen van deze breuk ontbreekt de formatie van Sterksel geheel. De onderzijde van de formatie van Oosterhout bevindt zich hier reeds op een diepte van ca. 75 m -NAP. Daaronder bevindt zich de formatie van Breda, bestaande uit mariene sedimenten die zijn afgezet tijdens het Mioceen.
De formatie van Twente
Omstreeks 70.000 jaar geleden begon de laatste ijstijd, het Weichselien. Aan het begin en aan het eind hiervan wisselden koude en warmere perioden elkaar af. Tijdens het
Pleniglaciaal, de koudste periode van het Weichselien, heerste er in West-Europa een toendraklimaat, waarbij de gemiddelde zomertemperatuur niet boven 6° C uitkwam. Vegetatie ontbrak vrijwel geheel, met uitzondering van mossen, kleine heesters en kruiden. Het gebied werd verder bevolkt door mammoeten, wolharige neushoorns, rendieren, oerossen en poolvossen. Ook kwamen er toen reeds mensen in onze streken voor.
Tijdens de zomerperioden bleef de bodem permanent bevroren. Slechts een dunne bovenlaag ontdooide.
De rivieren moesten 's zomers grote hoeveelheden smeltwater afvoeren, bestaande uit gesmolten sneeuw, vermengd met materiaal van de ontdooide bovenlaag.
Doordat de rivieren grote hoeveelheden verweringsmateriaal transporteerden, raakten de beddingen voortdurend verstopt, waardoor steeds nieuwe beddingen werden gevormd. Men spreekt daarom wel van vlechtende of verwilderde rivieren. Vanwege de nagenoeg permanent bevroren bodem konden de rivieren zich niet diep insnijden, maar vormden ze brede, ondiepe dalen, die 's winters droogvielen.
De tegenwoordige Zandleij, Donge en Nieuwe Leij stromen in brede dalen die tijdens het Weichselien zijn uitgeschuurd. Dit is op verschillende plaatsen nog duidelijk waarneembaar. Een zeer fraai voorbeeld is het brede dal van de Oude Leij (de bovenloop van de
Donge) ter hoogte van het
Riels Hoefke.
Tijdens het Pleniglaciaal verplaatsten de overwegend noordwestelijke winden veel zand, afkomstig van de drooggevallen Noordzeebodem en van de 's winters drooggevallen rivierbeddingen. Daardoor werden grote delen van Nederland, België en het noorden van Duitsland overdekt met een 'deken' van zand, dekzand geheten. Overigens speelde niet alleen de wind maar ook de sneeuw een rol bij het verplaatsen van dit zand. Dit dekzand bevat in het algemeen een kleine hoeveelheid leem (löss), dat in dunne lagen voorkomt.
Het tijdens het Pleniglaciaal gevormde dekzand noemt men het oude dekzand. Dit oude dekzand bevat hier en daar ook uitgestrekte leemlagen, de zogeheten
Brabantse leem. Deze leemlagen zijn waarschijnlijk ontstaan doordat smeltwaterstromen ' s zomers fijne deeltjes uit het dekzand konden uitspoelen en weer afzetten in depressies in de permanent bevroren ondergrond. Deze leem heeft gedurende tientallen jaren als grondstof gediend voor steenbakkerijen in Tilburg, Berkel-Enschot en
Udenhout.
Aan het eind van het Weichselien trad er een klimaatsverbetering op, waardoor er weer wat meer begroeiing kwam. Hierdoor had de wind minder vat op het zand, zodat er alleen nog maar plaatselijk dekzand kon worden gevormd, het
jonge of lokale dekzand. Dit jonge dekzand is in feite niets anders dan opgewaaid en weer neergelegd oud dekzand. Het is wat grover dan het oude dekzand, en het bevat wat minder leem. Dit komt doordat de allerfijnste deeltjes door de wind verder zijn meegevoerd en elders weer neergelegd.
Door de vorming van lokale dekzanden kreeg het oppervlak ook wat meer reliëf. Hier en daar werden dekzandruggen of paraboolvormige duinen gevormd. Als gevolg van de vorming van lokale dekzanden werden de kleinere beken soms geheel of gedeeltelijk in hun loop gestuit, doordat de dalen met zand werden opgevuld. Hierdoor konden vennen en moerassen ontstaan. De grotere beken werden vaak gedwongen een andere loop aan te nemen. Dit was onder meer het geval met de Nieuwe
Leij, die naar het oosten moest afbuigen voor de dekzandrug waarop Tilburg gelegen is. Ook de Zandleij werd tot een andere loop gedwongen door de dekzandrug waaruit in de Middeleeuwen de Loonse en Drunense Duinen zijn ontstaan.
(3)
Het Holoceen
Ongeveer 10.000 jaar geleden kwam er een eind aan de koude periode. Er ging een gematigd zeeklimaat heersen, dat tot in onze tijd voortduurt. We noemen deze periode het Holoceen. In feite is het Holoceen niets anders dan een interglaciaal. De toename van de temperatuur leidde tot het smelten van de ijskappen, waardoor de zeespiegel ging rijzen. De bestaande rivieren veranderden van verwilderde rivieren in meanderende rivieren, die zich, nu de bodem niet meer bevroren was, dieper konden gaan insnijden.
Men neemt aan dat gedurende het gehele Holoceen het klimaat ongeveer hetzelfde is geweest als het huidige, met een gemiddelde jaartemperatuur van 10°C en een neerslag van ca. 700-800 mm per jaar.
Wel kwamen er enkele klimaatschommelingen voor, zoals een zeer droge periode tussen 900 en 1300 en een relatief koudere periode die duurde van ca. 1550 tot ca. 1850, en die wel wordt aangeduid met de term
Kleine IJstijd.
Tijdens het Midden-Holoceen (het Atlanticum, ongeveer 5000 tot 8000 jaar geleden) was er zowel sprake van een toename van veengroei als van sedimentatie, hetgeen wijst op een verhoogde waterafvoer. Deze verandering in de waterhuishouding was echter niet zozeer het gevolg van een klimaatsverandering, maar vooral van een verandering in de vegetatie. Hierbij heeft ook de prehistorische mens een niet onbelangrijke rol gespeeld (ontbossing!). Het neerslagoverschot hangt namelijk in sterke mate af van de aard van de begroeiing. Wanneer naaldbos vervangen wordt door loofbos, of loofbos door grasland of bouwland, zal de verdamping afnemen, waardoor het neerslagoverschot toeneemt. De bodemvochtigheid en de afvoer door rivieren zullen dan ook beide toenemen, met als gevolg veenvorming en sedimentatie.
Verdamping in het Nederlandse kustgebied [Naar Zagwijn (1986)]
naaldbos 700 mm/jaar
loofbos 400 mm/jaar
open grasland 200 mm/jaar
Neerslagoverschot en grondwaterafvoer
Wanneer het regent zal een deel van de neerslag verdampen of worden opgenomen door de begroeiing, de rest (het neerslagoverschot) wordt door de bodem opgenomen of vloeit weg via beken en rivieren. Er valt in ons land per jaar gemiddeld 750 mm regen, terwijl de verdamping ongeveer 450 tot 500 mm per jaar bedraagt. Er is dus een neerslagoverschot van 250 tot 300 mm per jaar, dat als grondwater moet worden afgevoerd.
Wanneer van een bepaald gebied de helling en de doorlaatbaarheid van de bodem bekend zijn, kunnen we de grondwaterstroming berekenen. Voor
Midden-Brabant, met een helling van ongeveer 1 meter per 2 kilometer, geldt dat ongeveer 0,03 mm neerslag per dag door de bodem als grondwater kan worden afgevoerd. Het neerslagoverschot bedraagt echter 0,8 mm per dag. De grondwaterstroming alleen is dus niet toereikend om het neerslagoverschot in zijn geheel af te voeren. Het resterende deel zal daarom via beken moeten worden afgevoerd.
Uitbreiding bekenstelsel
Doordat tijdens het Holoceen de zeespiegel ging rijzen, steeg ook de grondwaterspiegel. Bovendien nam de hoeveelheid neerslag toe. Het bestaande stelsel van beken en rivieren bezat echter onvoldoende capaciteit om het toegenomen neerslagoverschot af te voeren. Het gevolg hiervan was dat het bestaande natuurlijke drainagenet zich ging verdichten. Met andere woorden: er ontstond een nieuw bekenstelsel.
Aanvankelijk was dit stelsel slechts aangepast aan het gemiddelde neerslagoverschot. Vervolgens verdichtte het systeem zich zodanig dat ook de hoge neerslaghoeveelheden afgevoerd konden worden. Voordat zich een adekwaat ontwateringsstelsel had ontwikkeld werden de hoge neerslagen tijdelijk geborgen in de moerassen en venen die vroeger het grootste deel van Nederland bedekten.
De beken in Brabant behoren tot de zogeheten laaglandbeken. Deze beken worden niet gevoed door een of meer permanente bronnen zoals bij beken in reliëfrijke gebieden (in Nederland: in Twente en in
Zuid-Limburg); ze ontvangen hun water van een stelsel van geulen, die bij regen de overtollige neerslag afvoeren, maar die verder een groot deel van het jaar droog kunnen staan.
Bij een vlakke, goed-doorlatende bodem wordt, zelfs bij hevige en langdurige regenval, het water nagenoeg geheel door de bodem opgenomen. Afstroming over het oppervlak vindt vrijwel nooit plaats. Dit in tegenstelling tot reliëfrijke gebieden, met een in het algemeen weinig doorlatende bodem. Wanneer de
infiltratiecapaciteit toch wordt overschreden, zal het water zich tijdelijk verzamelen in de lagere delen van het terrein: er vormen zich plassen. Het water in de plassen verdampt weer of dringt na verloop van tijd in de bodem. Wanneer de grondwaterspiegel echter zo hoog wordt dat het maaiveld wordt bereikt, kan het water niet anders dan wegstromen over het oppervlak, waarbij door de eroderende werking van het water geulen worden gevormd. Op den duur kan er zo een sterk vertakt stelsel van geulen ontstaan die hun water afvoeren naar een hoofdgeul: een beek.
Naarmate de geulen kleiner worden, neemt hun aantal exponentieel toe (de dichtheid neemt toe). Hierdoor is de
bergingscapaciteit van de kleine geulen erg groot. Omdat de allerkleinste geulen minder diep ingesneden zijn dan de hoofdbeek, zullen deze echter pas water gaan afvoeren bij hogere grondwaterstanden, bijvoorbeeld na een hevige regenbui.
De Tilburgse waterlopen
Op 18e- en 19e-eeuwse kaarten van Tilburg kunnen we de waterlopen nog terugvinden. Ze worden verder uitvoerig beschreven in de in 1869 verschenen
Legger der waterleidingen.
Aangenomen mag worden dat de meeste waterlopen van natuurlijke oorsprong zijn, hoewel de meeste in de loop der eeuwen vergraven zullen zijn.
Tekening (PW 1993) van de belangrijkste waterlopen zoals die tot in de 20e eeuw nog door de stad
liepen (part. coll.).
Een overzicht van alle waterlopen die aan het eind van de 19e eeuw in Tilburg voorkwamen is weergegeven in tabel 1. Zie verder kaart
hierboven. De voornaamste Tilburgse waterlopen worden hieronder beschreven:
De Nieuwe Leij, meestal gewoon Leij genoemd, ontstaat in de gemeente Goirle door de samenvloeiing van twee beken, de Poppelsche en de Rovertsche
Leij, die beide hun oorsprong hebben in het gebied tussen Ravels en Weelde. Vanaf de Kommerstraat tot de uitmonding van de Zwartreit vormde de rivier de grens met de gemeente
Berkel-Enschot. Als
Voorste Stroom gaat ze vervolgens richting Oisterwijk, waar ze met de Achterste Stroom
(Reusel) samenvloeit tot Essche Stroom.
Tussen Goirle en Berkel-Enschot stroomt de Leij door een honderden meters breed dal, met een dalbodem die enkele meters dieper ligt dan de omgeving. Het Leijdal was vroeger erg moerassig, en er lagen veel poelen en plassen, waarin gevist en gezwommen werd, en waarop 's winters kon worden geschaatst. Aan het eind van de 19e eeuw werd de Leij nog gebruikt voor het spoelen van wol, terwijl er ook op enkele plaatsen schapevellen werden geweekt.
Tijdens perioden met veel neerslag kwamen overstromingen in het Leijdal regelmatig voor. Oudere lezers kunnen zich vast nog herinneren dat grote delen van het Leijpark dan veranderden in een grote watervlakte.
Op oude kaarten is nog goed te zien dat de Nieuwe Leij oostelijk van de weg naar Hilvarenbeek rechtgetrokken is.
(4) Ten behoeve van de bouw van het nieuwe St. Elisabethziekenhuis moest een deel van de Leij aan het eind van de jaren '70 worden omgeleid. De oude, verlaten bedding is nog steeds op het ziekenhuisterrein aanwezig.
Ten oosten van het Wilhelminakanaal stroomt de Nieuwe Leij door Moerenburg, een natuurgebied met een grote landschappelijke waarde. Helaas wordt dit unieke gebied, waarvan het zuidelijke deel al ernstig is aangetast door de aanleg van achtereenvolgens de Meierijbaan, Rijksweg 58 en knooppunt De Baars, nog steeds bedreigd door grootstedelijke plannenmakers.
Het riviertje De Leij na het passeren van de duiker onder het Wilhelminakaanl (foto Frans van Ameijde,
2000).
Enkele honderden meters ten zuiden van de Nieuwe Leij loopt tussen Goirle en Berkel-Enschot nog de Oude
Leij. Deze waterloop, die zich vroeger in Goirle ter hoogte van de watermolen afsplitste van de Nieuwe
Leij, vormt (vormde) van oudsher de grens tussen Goirle en Tilburg enerzijds en Hilvarenbeek en Berkel-Enschot anderzijds. Waarschijnlijk hebben we hier te maken met een voormalige bedding van de
Leij, die in de loop der eeuwen sterk gekanaliseerd is. (5)
Ter hoogte van het ven de Bu(u)nder (dat op kaarten steevast voorkomt als
'Grollegat') mondt de Oude Leij uit in de Nieuwe Leij. Op de oudste kadasterkaarten is nog te zien dat de Oude Leij vroeger door de Buunder stroomde en pas verderop, op het grondgebied van Berkel-Enschot samenvloeide met de Nieuwe
Leij.
Een restant van de oude bedding is nog steeds zichtbaar aan de oostzijde van de
Koebrugseweg, tegenover de Buunder.
In de weg van Tilburg naar Moergestel (de huidige Koebrugseweg) lag, op grondgebied van
Berkel, sinds mensenheugenis een brug over deze oude Leijbedding, de Bunder- of Baarsbrug geheten. In 1890 werd deze brug, ondanks protesten van Tilburg, vervangen door een dam. De gevolgen hiervan lieten niet lang op zich wachten; in de Tilburgsche Courant van 26 oktober 1890 lezen we:
Nog is het wintersaisoen niet geheel ingetreden of het ongemak van het opruimen der Bunderbrug onder Berkel begint zich reeds te doen gevoelen. Gedurende eenige dagen hebben er zware regens gevallen en de lage broekvelden onder Tilburg zijn geheel ondergeloopen en zijn niet van de Leij te onderkennen. De polder van den heer C. Houben en aangelegen weiden en de broekvelden tegenover de ververij van C. en J. Houben staan blank. Verder weet de krant ons nog te melden dat de tussenkomst van de Koning is ingeroepen. Ten slotte kwamen Tilburg en Berkel in 1893 overeen dat Tilburg ter vervanging van de brug op eigen kosten ijzeren buizen in de weg mocht laten leggen.
Op Tilburgs grondgebied heette de Oude Leij, die tegenwoordig de naam Landscheiding draagt, aan het eind van de vorige eeuw overigens nog de Tweede Oude
Leij. Vroeger moet er tussen de Nieuwe en de Oude Leij namelijk nog een oude Leijbedding hebben gelegen. Deze werd aan het eind van de vorige eeuw weer opgegraven ten behoeve van de afvoer van het fabriekswater, waarbij de gegraven loop de naam Oude Leij kreeg.
Aan de zuidzijde dezer gemeente is in vervanging van de zoogenaamde Oude Lei, loopende van de provinciale weg tot aan den Bunder, een sloot gegraven waarin het fabriekswater van de fabrieken aan de Lei wordt afgevoerd... (Gemeenteverslag 1878) en:
De Oude Lei tusschen den Provincialen weg naar Hilvarenbeek en den ouden weg naar dien gemeente was geheel verdwenen, zoodat het water, van Goorle komende, zich over de velden verspreidde. Het oude bed van dit riviertje is wederom opgegraven. (Gemeenteverslag 1882.)
Het is deze Oude Leij die bij de Tilburgers vroeger bekend stond als de 'Vuile
Leij'.
De Nieuwe Leij ontving aan haar linkeroever water van een aantal zijriviertjes, waarvan sommige op hun beurt weer water ontvingen van kleinere stroompjes. De voornaamste zijtakken van de Nieuwe Leij zijn: de
Katsbogte, de Korvelse waterloop en de Zwartreit. De Groenewoudse loop is inmiddels geheel verdwenen; een gedeelte van de Oerlese waterloop is nog steeds aanwezig in het
Leijpark.
De Katsbogte vormt vanouds de grensscheiding tussen Tilburg en
Goirle. In 16e-eeuwse bronnen komt hij nog voor onder de naam die Heijningen. Het riviertje, dat nog steeds voor een deel bestaat, ontsprong vroeger in het Riels Laag. In de oude weg van Tilburg naar Goirle lag vroeger in de Katsbogte een doorwaadbare plaats ('voorde'), de Conincxvoert
('Koningsvoorde').
De Korvelse waterloop ontsprong ten zuidoosten van het Korvelplein, in het gebied dat vroeger de
Poel heette. Na passage van de Oerlesestraat liep de waterloop oostwaarts, om bij de Koebrugseweg in de Leij uit te monden.
(6) De Piushaven en het zijkanaal naar de Piushaven liggen gedeeltelijk op het tracé van deze voormalige waterloop. Op de plaats waar de Beeksedijk (de huidige
Lanciersstraat-Kruisvaardersstraat) de waterloop kruiste, lag vroeger eveneens een voorde.
Restant van de Korvelse waterloop langs de Kommerstraat nabij de waterzuivering
(foto Frans van
Ameijde, 2000).
Het middeleeuwse Goet ter Rijt, eigendom van het geslacht der
Giselberten, lag vermoedelijk ten zuidwesten van de tegenwoordige Oude Markt aan de oever van de Korvelse waterloop. De naam van het goed refereert rechtstreeks hieraan; een
reit of rijt is immers niets anders dan een waterloop.
Bij archeologische opgravingen ter plaatse van het huidige Kunstcluster (ten noorden van de vroegere bedding van de Korvelse waterloop, tussen de Oude Dijk en de Bisschop
Zwijsenstraat) zijn zowel een jachtkamp uit het Mesolithicum
(middensteentijd, ca. 4000 - ca. 8000 v.C.) als Middeleeuwse bewoningssporen aangetroffen.
De Zwartreit begon oorspronkelijk nabij de huidige Missionarisstraat, liep eerst noordwaarts, boog ten zuiden van het Wilhelminapark naar het oosten af, ging daarna bij de Deken Sandersstraat weer noordwaarts, passeerde de Hoefstraat ter hoogte van het Julianapark (ook hier lag een voorde, de
'Horenvoert'), liep noordoostwaarts naar de Jac. van Vollenhovenstraat, vervolgens min of meer oostwaarts tot de Watermanstraat en liep tenslotte in zuidoostelijk richting naar de Nieuwe
Leij. Het noord-zuid lopende deel vormde eeuwenlang de grens met Berkel. Delen van de Zwartreit komen in 16e-eeuwse bronnen voor als
Hoogh Soo, Soeije en Caureit. Soei of Zoei is een naam die we vaker tegenkomen bij waterlopen.
Zwart in Zwartreit zou een verbastering kunnen zijn van zwet, hetgeen grens betekent.Van deze waterloop resteert nog het gedeelte ten zuiden van Industrieterrein Loven.
De Donge ontspringt als Leij nabij Baarle-Nassau, loopt langs Riel, en stroomt als Oude Leij Tilburg binnen. Vanaf de Bredaseweg heet de rivier Donge (in de 16e eeuw:
Dongh Aa). De rivier liep vandaar verder noordwestwaarts via Dongen naar
Geertruidenberg. Sinds het eind van de jaren '70 zijn boven- en benedenloop van het riviertje van elkaar gescheiden; de bovenloop watert sindsdien ten westen van de wijk Reeshof via een brede afvoersloot rechtstreeks af op het
Wilhelminakanaal.
Iets ten westen van de Donge begint aan de Bredaseweg de waterloop de Landscheiding, in de 16e eeuw
Landscheiding van het land van Breda geheten. Deze waterloop, die vanouds de grens met Rijen vormde, mondde vroeger nabij de Langendijk uit in de
Donge. Waarschijnlijk hebben we hier te maken met een voormalige bedding van de
Donge.
De Oude Leij heette in de 16e eeuw de Werft. Ze begon iets ten oosten van het huidige café 'de Korenbloem', liep eerst noordwaarts tot even over de spoorweg naar Breda, boog daarna af naar het westen, liep vervolgens in noordwestelijke richting en mondde in het uiterste noordwesten van Tilburg uit in de
Donge. De benedenloop is naar alle waarschijnlijkheid in de Middeleeuwen gegraven ter ontwatering van het heidegebied. Op de kaart van Zijnen (1760) heet dit gedeelte
Broeksloot en op de kadasterkaart van 1832 Treksloot. Op de plattegrond van 1957 komt deze waterleiding nog (gedeeltelijk) voor onder de naam Waterleiding naar de
Witsie.
Een van de laatst overgebleven blauwsloten in Tilburg was de zogenaamde Oude Leij (hier rechts op de
foto). In de volksmond stond dit riviertje bekend als de ‘vuile Leij’ omdat verschillende fabrieken er hun
afvalwater op loosden (coll. RHC Tilburg).
De Zandleij ontstaat in Udenhout uit de samenvloeiing van drie uit Tilburg afkomstige waterlopen. In een overzicht van schouwbare waterleidingen uit 1873 komen deze voor onder de namen
Bovenste Brug, Middelste Brug en Benedenste Brug. Alle drie de waterlopen gingen bij de Houtsestraat over op de gemeente
Udenhout.
De Bovenste Brug begon in de Zandsche bosschen achter de Tongerlose-Hoef en liep vandaar langs de Reitse Hoevenstraat en het Hasseltplein verder
noordoostwaarts. Middeleeuwse benamingen zijn Zoe en
Sloprijt. Op een plattegrond uit 1965 heet de waterloop nog steeds Bovenste Brug.
De conclusie van Van Oosterhout (1992) dat deze waterloop pas in de 19e eeuw verbonden werd met de waterloop die vanaf een ven nabij de Kalverstraat richting Udenhout stroomt, is onjuist. Weliswaar is zowel op de kaarten van Zijnen (1760) als Verhees (1790) te zien dat de waterloop onderbroken is, maar uit de schouw van deze waterloop op 29 september 1742 blijkt dat er wel degelijk sprake is van een ononderbroken waterloop:
De waterloop (...) heffende aan: Werft en loopende door de Reijt, Hoeven, beneffens de Hasselse Capel door de bossen agter de Stockhasselt, naar den Heijcantsen molen, door de heij, neffens de Vijffhuijse naar de
Houtsestraat. Mogelijk hebben de kaartenmakers hun veldverkenningen uitgevoerd in een droge periode.
Tegenwoordig draagt het nog bestaande gedeelte (dat begint ter hoogte van de voormalige vloeivelden langs de weg naar Loon op Zand) eveneens de naam
Zandleij. De oorspronkelijke bedding van de Zandleij heet tegenwoordig de
Zandkantse Leij, terwijl de naam Zandleij is overgegaan op een brede afvoersloot die dwars door het natuurgebied De Brand loopt. (Er bestaan vergevorderde plannen om deze sloot weer te dempen.)
De Middelste Brug en de Benedenste Brug ontsprongen beide ten westen van het huidige
Julianapark. Het nog bestaande gedeelte van de
Middelste Brug heet in Tilburg Lindse waterloop en in Udenhout
Broekkamploop. De Benedenste Brug komt op een plattegrond uit 1957 voor als
Heikantse waterloop en, vanaf de Rugdijk, als Moerse waterloop. Het in Tilburg gelegen gedeelte wordt
tegenwoordig door het waterschap De Zandleij Zwaluwenloop genoemd. In Udenhout heet deze waterloop
Kasteelloop.
Overzicht waterlopen in Tilburg
Deze gegevens zijn ontleend aan: Legger der waterleidingen (1869) en Register van de waterleidingen in de gemeente Tilburg
(1877 en 1879).
Nr en naam
Stroomgebied Donge
1.Oude Leij, later Donge
2 Landscheiding
3 Oude Leij, later Treksloot
20 De Blaak
21 Zijtak van no. 20 *
22 Zijtak van no. 20 *
27 Zijtak van no. 20 *
28 Zijtak van no. 21 *
29 Zijtak van no. 20 *
30 Zijtak van no. 29 *
31 Schijfsche Waterleiding (deel van no. 3)
32 Zijtak van no. 3
Stroomgebied Nieuwe Leij
4 Nieuwe Leij
5 Katsbogte
6 Zoei, later Zwartreit
7 Zijtak van no. 6
8 Zijtak van no. 6 *
9 Zijtak van no. 6 *
10 Zijtak van no. 9 *
11 Zijtak van no. 8 *
12 Korvelsche Waterleiding
13 Zijtak van no. 12
14 Zijtak van no. 12 *
15 Zijtak van no. 12
16 Zijtak van no. 12
17 Zijtak van no. 16
18 Oerlesche Waterleiding *
19 Groenewoudsche Loop *
36 Oude Leij
37 Tweede Oude Leij of Landscheiding
Stroomgebied Zandleij
23 De Bovenste Brug *
24 Zijtak van no. 23
25 Zijtak van no. 24
26 Zijtak van no. 25
33 Moersche Waterleiding (zijtak no. 34)
34 Heikantsche Waterleiding
35 Lindsche Waterleiding
* Deze waterlopen voerden alleen water in de winter en bij hevige regenval.
Overstromingen van de Leij kwamen veelvuldig voor. Het kleine riviertje groeide dan uit tot een enorme
watermassa, zoals hier zichtbaar is op de Koningshoeven in 1960 (coll.
RHC Tilburg).
Noten
(1) Dit snijpunt is overigens niet het hoogste punt van Tilburg; dat ligt ter hoogte van de kruising Ringbaan-Zuid/Goirleseweg op een hoogte van 16,5 meter +NAP.)
(2) Deze gegevens zijn welwillend verstrekt door de N.V. Tilburgsche Waterleiding-Maatschappij.
(3) Ook de Oude Leij bij Helvoirt werd tot een andere loop gedwongen; dit is beschreven door Heijnens en Tijssen (1982).
(4) Vergelijking van de kaart van Zijnen uit 1760, de kadasterkaart van 1832 en een plattegrond uit 1965 leert ons dat deze rechttrekking al voor 1760 moet hebben plaatsgevonden.
(5) De aanwezigheid van meerdere beddingen kunnen we verklaren door aan te nemen dat de rivier haar bedding in de loop der tijd in noordelijke richting heeft verlegd. Het is een bekend feit dat (onbedijkte) rivieren hun bedding in korte tijd aanzienlijk kunnen verleggen (Cullingford, 1980).
Een andere mogelijke verklaring vinden we bij Leenders (1996). Deze stelt dat het water in de bredere dalen vroeger diffuus door veenvormend elzenbroekbos stroomde. Toen door latere ontginningen de beken een groter debiet kregen, sneden ze in in de vaste ondergrond, waarbij tijdens overstromingen zand en klei werd afgezet op de venige dalbodem. Daardoor verdween het diffuse karakter en ontstonden er afzonderlijke stromen.
(6) Op de huidige plattegrond komt de Korvelse waterloop nog steeds voor, nl. aan de noordzijde van de rioolwaterzuivering aan de Hoevensekanaaldijk. Dehier bedoelde aangeduide waterloop is echter een restant van waterloop nr. 16.
Literatuur
Berendsen, H.J.A., De vorming van het land. Inleiding in de geologie en
geomorfologie. Assen, 1996.
Bont, C. de,. '...Al het merkwaardige in bonte afwisseling..' Een historische geografie van Midden- en Oost-Brabant.
Waalre, 1993.
Cullingford, R.A., Davidson, D.A., Lewin, J. [Eds.], Timescales in geomorphology.
Chichester, 1980.
Dijk, Niko, 'Tilburg-Kunstcluster. Het archeologisch onderzoek van een mesolithisch jachtkamp in de binnenstad van Tilburg', in: Tijdschrift Tilburg XI (1993), nr. 3, p. 56-62.
Dijk, Niko, 'Duizend jaar cultuurlandschap in beeld. Tilburgse bodem geeft archeologische informatie', in:
Tijdschrift Tilburg XII (1994), nr. 3, p. 67-74.
Engelen, G.B., 'Ondergronds water', in: Straaten, L.M.J.U. van, Algemene
geologie. Groningen 1984.
Florschütz, F., Anker van Someren, Anna M.H., 'Het jong-kwartair op de Peelhorst en in de westelijk van de horst gelegen Grote Slenk. De resultaten van het palynografisch onderzoek', in:
Mededelingen van de Geologische Stichting. Nieuwe Serie. nr. 10, p. 55-65 (1965).
Hardenberg, H., 'Het ontstaan van de vrijheid Tilburg', in: Van heidorp tot
industriestad, Tilburg 1955.
Heidinga, H.A.,' Toen het weer droog was', in: Natuur & Techniek, 53, p. 712-725 (1985).
Hendriks, J., 'Het hart van Brabant omgespit. Een overzicht van vijf jaar archeologische activiteiten in
Midden-Brabant' in:
Westerheem 38 (2), p. 54-59 (1989).
Hendriks, J., 'Het Leijdal in de vroege middeleeuwen', in: Westerheem 38 (2), p. 97-102 (1989).
Hendriks, J. en F. van Nuenen, 'Prehistorische bewoningssporen langs de Leij: wonen en werken aan een beekdal', in:
Westerheem 38 (2), p. 69-79 (1989).
Hendriks, J. en F. van Nuenen, 'Tilburg in de late Middeleeuwen. Verschuivende nederzettingen in een geaccidenteerd landschap', in:
Tijdschrift Tilburg X (1992), nr. 2, p. 37-44.
Heijnens, M.H.L.G. en J.M. Tijssen, 'The influence of the development of a weichselian coversand ridge on the drainage of a river valley in Noord-Brabant (The
Netherlands); a geomorphological and palynological study', in:
Geologie en Mijnbouw, p. 191-199 (1982).
Koenders, M. e.a., Cultuurhistorische Inventarisatie Noord-Brabant. Monumenten Inventarisatie Project. Regio
Tilburg. 's-Hertogenbosch, 1990.
Leenders, K.A.H.W. Van Turnhoutervoorde tot Strienemonde. Ontginnings- en nederzettingsgeschiedenis van het noordwesten van het Maas-Schelde-Demergebied (400-1350).
Zutphen, 1996.
Legger der waterleidingen, 1869 (incompleet). Archief van de gemeente-secretarie Tilburg.
Oosterhout, W.C.M. van, Vijftig jaar waterschap De Zandleij. Udenhout,1992.
Peeters, R.M., Het onderzoek van de mesolithische kultuur te Tilburg. In: Historische Bijdragen 2 (4), p. (1971).
Plattegronden van de gemeente Tilburg.
Register van de waterleidingen in de gemeente Tilburg, 1877 en 1879 (incompleet). Archief Publieke Werken Tilburg.
Register van wegen en waterlopen, ca. 1850. Archief van de gemeente-secretarie Tilburg.
Staat der schouwbare waterleidingen in de gemeente Tilburg. Notulen van B en W, 1873.
Steijns, G.J.W., 'Nieuwlandstraat - Oude Markt', in: Tijdschrift Tilburg IV (1986) nr. 2, 22-26.
Straaten, J. van der, Meijenfeldt, P.C. von, Beken in Brabant. Tilburg, 1976.
Trommelen, J.R.O. en M.P.E. Trommelen. Tilburgse toponiemen in de 16e eeuw. Tilburg 1994.
Verbalen van schouwing van banen, straten, wegen, rivieren en waterlopen, gedaan door drost, schepenen en secretaris met bijstand van de vorster en gezworenen.
1713-1766. Archief van het dorpsbestuur van Tilburg, 1387 - 1810. Inv. nr. 127.
Verhees, Hendrik, Kaart van de heerlijkheid Tilburg en Goirle, ca. 1790.
Vries, J.J. de, Inleiding tot de hydrologie van Nederland. Amsterdam, 1980.
Ward, R.C., Priciples of Hydrology. 2nd ed., London, 1975.
Waterstaatskaart, 1876.
Zagwijn, W.H., Nederland in het Holoceen. Haarlem, 1986.
Zonneveld, J.I.S., Levend Land. Het Spectrum, Utrecht, 1985.
Zonneveld, J.I.S., Tussen de bergen en de zee. Utrecht, 19805.
Zonneveld, J.I.S., Vormen in het landschap, hoofdlijnen van de geomorfologie. Utrecht, 1991.
Zijnen, Diederik, Kaart van de heerlijkheid Tilburg en Goirle, 1760.
Ir. Rob van Putten is voorzitter van de Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed. Hij schreef eerder bijdragen voor dit tijdschrift, o.a. over de Tilburgse brandweer (1985).




