| 249. Tilburgse zoeaven ten strijde voor de paus | |||
|
Titel: |
Tilburgse zoeaven ten strijde voor de paus |
|
Ondertitel: |
Historische achtergrond |
|
Auteur: |
Henk van Doremalen |
|
Jaargang: |
XIV (1996) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
2 |
|
Pagina’ s: |
35-57 en 76-79 |
Ten geleide
In 1995 ontstond bij enkele vrijwilligers die op vrijdag samenkomen op het gemeentearchief Tilburg, onder impuls van oud-Tilburger Jan Hoofs, het idee om genealogische gegevens bijeen te zoeken over de Tilburgse zoeaven. De groep onder de naam VIS-club (Vrijdagse Intensieve Speurders) ontdekte dat er veel meer Tilburgse zoeaven waren geweest dan de 30 tot 35 die tot dan toe werden verondersteld.
De Tilburgers zijn tussen 1866 en 1870 als zoeaaf in Italië geweest om te strijden voor het behoud van de kerkelijke staat, die toen nog een flink deel van Midden-Italië besloeg. De eerste Tilburgers vertrokken in februari 1866, de laatsten keerden in oktober 1870 terug in Nederland, nadat met de val van Rome op 20 september 1870 de strijd (noodgedwongen) was beëindigd. Daartussen ligt ruim vier-en-een-half jaar. Voor de meeste van deze mannen is die periode hun hele verdere leven mede bepaald.
Wie waren deze 'Tilburgse' jongens, wat maakten ze in Italië mee en wat was hun invloed na terugkeer uit Rome? Daarover handelt de tentoonstelling
'Tilburgse zoeaven ten strijde voor de paus', die van 15 oktober 1996 tot en met 10 januari 1997 in het
Tilburgse gemeentearchief plaatsvindt. De Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed achtte het van belang om het de materialen en gegevens die voor deze tentoonstelling bijeen waren gebracht ook in een publicatie te laten verwerken. Met het samenstellen van de tentoonstelling en het vervaardigen van dit zoeavennummer van het tijdschrift
'Tilburg' werd de Tilburgse historicus en publicist Henk van Doremalen belast.
De redactie


De tentoonstelling in de hal van het
Gemeentearchief Tilburg (foto Frans van Ameijde,
coll. RHC Tilburg).
Dit nummer van het tijdschrift 'Tilburg' kwam tot stand met medewerking van de leden van de VIS-club, de heer H. Ellenbroek (kaartjes) en W. Sterenborg (correctie). Financiële bijdragen leverden de fraters van O.L.V. Moeder van Barmhartigheid, de Missionarissen van het H. Hart MSC, de Minderbroeders Capucijnen en de heer P.Ph. Bogaers allen te Tilburg en het bisdom 's-Hertogenbosch.
Speciale dank is verschuldigd aan mevrouw M.C. Zonneveld-Kouters van het Nederlands Zouavenmuseum te Oudenbosch en frater J. Heerkens van het archief van de fraters van Tilburg.

Boven: Drs.
Henk van Doremalen bij de opening van de tentoonstelling 'Tilburgse
zoeaven ten strijde voor de paus' en de presentatie van de gelijknamige
publicatie
in de studiezaal van het Gemeentearchief op 11 oktober 1996.
Onder: Ir. Rob van Putten, voorzitter van de Stichting tot Behoud van Tilburgs
Cultuurgoed, overhandigt het eerste exemplaar van de publicatie 'Tilburgse
zoeaven ten strijde voor de paus' aan drs. Ad de Wolf, wethouder van
cultuur.
(foto's Frans van Ameijde, coll. RHC Tilburg).

Inhoud
- Historische achtergronden
- Biografisch overzicht van de Tilburgse zoeaven (zie
record 250)
- Geraadpleegde bronnen en literatuur
- Noten
Tilburgse zoeaven ten strijde voor de paus
Historische achtergrond
'Er was een smartekreet vernomen, uitgaande van het Vaticaan, waar een weerloos grijzaard het moest aanzien, hoe een naburig koning, voortgestuwd door de Revolutie en de geheime Genootschappen, de roovershand uitstak naar het erfgoed van St. Petrus en een voor een de provinciën, aan den H.Stoel toebehoordende,
overweldigde.' (1)
In Tilburg ligt een Zouavenlaan en bestaan straten met namen als de luitenant Wilsstraat, Baron van Lamsweerdelaan, Antoine Artsplein en luitenant Looijmansstraat. Het is een bij steeds minder mensen bekende herinnering aan de zoeaven, vrijwilligers die tussen 1860 en 1870 in Italië vochten voor het behoud van de kerkelijke staat.(2) Heel kort en heel eenzijdig geresumeerd geeft bovenstaand citaat treffend weer waarom duizenden katholieke jongeren naar Rome trokken.
Feitelijk is de achtergrond van het conflict dat bestond tussen paus Pius IX en de rest van Italië tamelijk gecompliceerd. Het is terug te voeren op drie belangrijke verschijnselen. Het niet gescheiden zijn van wereldlijke en geestelijke macht bij de paus. Het opkomend nationalisme en daarmee gepaard gaande revoluties in de negentiende eeuw die ook aan Italië niet voorbijgingen. En ambtelijke corruptie, diplomatiek falen en reactionaire verhoudingen die een beletsel vormden voor het Vaticaan om in het midden van de negentiende eeuw de situatie in Italië op juiste wijze te interpreteren. Vooral het feit dat Pius IX het pausdom en koningschap in één persoon verenigde, het Italiaanse nationalisme verkeerd inschatte en zijn geestelijke autoriteit gebruikte om zijn wereldlijke macht te onderstrepen en te handhaven, heeft geleid tot een tragische situatie die zich voortgesleept heeft tot in de twintigste eeuw.
Sinds 1995 is door een groep vrijwilligers van het Gemeentearchief geïnspireerd door Jan Hoofs onderzoek verricht naar de Tilburgse zoeaven. De uitgangspunten waren daarbij in eerste instantie genealogisch gericht: wie waren deze zoeaven, wie waren hun voorouders en nakomelingen. Er kwam veel meer tevoorschijn dan aanvankelijk was gedacht. Het door hen verrichte zoekwerk is de basis geweest voor de tentoonstelling en boekje
'Tilburgse zoeaven ten strijde voor de paus'. Aanvullend onderzoek is verricht in diverse collecties en archieven van het gemeentearchief Tilburg, de collectie van het archief van de fraters te Tilburg, de bibliotheek van de Katholieke Universtiteit Brabant te Tilburg (met name de Brabant Collectie), het Zouavenmuseum te Oudenbosch en het archief van het bisdom 's- Hertogenbosch.
Fidei et Virtuti, de Tilburgse zoeavenbroederschap, heeft geen archief nagelaten. Incidenteel zijn wat stukken teruggevonden zoals een ongedateerde ledenlijst van de sociëteit uit de negentiende eeuw en een notulenschrift over de periode 1905-1909. Ook het fraaie vaandel is behouden gebleven.
Wat bekend is over de Tilburgse zoeaven komt veelal uit secundaire bronnen. Vooral in de kranten is veel over en door de (Tilburgse) zoeaven geschreven. Een van de uitzonderingen waarbij gebruik gemaakt kon worden van een primaire bron waren de brieven die frater Mauritius naar het moederhuis in Tilburg schreef. Daarvan heeft het Weekblad van Tilburg er tussen 1866 en 1868 59 publiceerde. Ze zijn in het archief van de fraters te Tilburg bewaard gebleven.
De pauselijke staat
Het bestaan van een wereldlijke staat waar de paus heerser van was dateerde van 754. Pepijn de Korte had diverse gebieden, in het midden van wat nu Italië is, veroverd op de Longobarden en ze vervolgens geschonken aan de toenmalige paus. De tegenprestatie, de macht van de paus om het keizerschap te verlenen berustte, naar achteraf is gebleken, op een in de achtste eeuw vervalst document de Donatio Constantina uit 325. De paus had sindsdien naast geestelijke ook wereldlijke macht. Afhankelijk van de persoon hebben de meeste pausen zich eeuwenlang meer bekommerd om hun wereldlijk dan om hun geestelijk leiderschap. Het Congres van Wenen (1815) dat de nieuwe verhoudingen in Europa moest vaststellen na de Napoleontische oorlogen, bevestigde de verdeling van Italië in diverse staatjes, waarvan de kerkelijke staat (het Patrimonium Petri) er een was. Die omvatte toen het hele centrale deel van Italië van Rome tot de Adriatische Zee. In 1860 werd het meest noordelijke deel van het pauselijk gebied door koning Victor Emmanuel II ingelijfd en bedreigde de nationalistische troepen het middendeel, de Marken en Umbrië. De paus in zijn rol als een van de Italiaanse heersers, wijst elke voorstel over een diplomatieke oplossing van de hand.

Pius IX (1792-1878) was de paus die de katholieke jongeren
opriep om naar Rome te komen om te helpen bij de verdediging
van de pauselijke staat. Het pontificaat van Pius IX duurde van
1846 tot 1878. (coll. RHC
Tilburg).
Pius IX kon bij zijn streven het pauselijk gebied te behouden niet op steun rekenen van de Europese grootmachten Oostenrijk en Frankrijk. Wel stelde Frankrijk onder Napoleon III zich min of meer garant voor het behoud van Rome en omgeving, maar de uitvoering was halfslachtig. De paus deed toen, in 1860, een oproep aan de katholieke jongeren in de wereld om hem te hulp te komen. In eerste instantie waren het vooral Fransen en Belgen die naar Italië trokken. Al in 1860 speelden zij een rol in de slag bij Castelfidaro waar zoals dat heet een eervolle nederlaag werd geleden. Generaal De Lamorcière kreeg de leiding over het pauselijk leger en zorgde voor een betere organisatie van de zogeheten tirailleurs Franco-belges. Hieruit ontstond het korps zoeaven dat op 1 januari 1861 onder leiding van de Zwitserse kapitein Allet werd geformeerd. Aanvankelijk speelden de Nederlanders hierin slechts een bescheiden rol. Het gaat in de periode 1861 tot 1865 om enkele tientallen waarbij voor zover was na te gaan geen Tilburgers. Dat zou na 1865 drastisch veranderen. In 1864 sloot Napoleon III een verdrag met Victor Emmanuel II, de zogenaamde septemberconventie, een complex stukje diplomatiek werk waarbij de indruk gehandhaafd bleef dat Frankrijk Rome zou beschermen, terwijl ondertussen toch Victor Emmanuel als koning van Italië werd erkend. De paus deed een nieuwe oproep aan de katholieke jongeren. Nu stroomden ook de Nederlanders toe. De zoeaven winnen wel slagen, maar niet de oorlog. Ze kunnen het nationalistische streven in Italië uiteindelijk niet keren.(3)
De benaming zoeaven is ontleend aan de Kabylenstammen in Algerije. Deze heette Zouana en droegen gevechtskledij die de inspiratie vormden voor het merkwaardige uniform waarin de pauselijke zoeaven gekleed zouden gaan: een voornamelijk grijs uniform bestaande uit een vest, een kort jasje en een wijde broek. Het was door zijn 'losheid' vooral praktisch van aard en onderscheidde de zoeaven duidelijk van andere legerkorpsen.(4)
Bij het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog op 19 juli 1870 besloot Napoleon zijn laatste troepen uit Italië terug te trekken. Om de orde te handhaven en de paus te beschermen (!) voelde Victor Emmanuel zich genoodzaakt de pauselijke staat binnen te trekken. De strijd was snel gestreden: aan Italiaanse kant stonden 50.000 manschappen, het pauselijk leger telde 8000 man waaronder 4000 zoeaven. Op 20 september begon het beleg van Rome. Bij de Porta Pia werd een bres in de versterking rond Rome geslagen en de stad ingenomen. Om bloedvergieten te voorkomen, zo luidde het verhaal, gelastte de paus de zoeaven om de strijd te staken. Van dat ogenblik af beschouwde de paus zich als 'de gevangene van het Vaticaan' een situatie die zou voortduren tot in 1929. Onder Mussolini, die als totalitair heerser scherp zag dat een meningsverschil met de kerk meer na- dan voordelen had, tekent Italië de vrede met het Vaticaan. Op 11 februari 1929 komt het Verdrag van Lateranen tot stand waarbij Italië de soevereiniteit van de paus erkend ook al bestaat zijn bezit uit niet meer dan een ministaatje van 44 hectaren. De Romeinse kwestie is daarmee de wereld uit, het erfgoed van St.-Petrus is (in minimale vorm) veiliggesteld. In de optiek van de zoeaven was de strijd niet voor niets geweest.(5)
Mythe of werkelijkheid
Zoeaven zijn mannen die tussen 1861 en 1870 vrijwillig in pauselijke dienst zijn getreden ter verdediging van de kerkelijke staat, het Patrimonium Petri. Vooral in 1865 en later trekken enkele duizenden mannen uit Nederland naar Rome om de paus bij te staan. Na de val van Rome op 20 september 1870 keren de laatste zouaven huiswaarts.
Niet alle zoeaven die dienst hebben gedaan zijn daadwerkelijk bij gevechten betrokken geweest. Veel aandacht werd opgeëist door patrouilleren, politietaken en verzorgend werk. Het meeste werk bestond uit het bestrijden van allerlei groepjes rovers die in de dorpen in de heuvels rond Rome teisterden. Vooral in 1867 zijn enkele belangrijke slagen geleverd.

De kerkelijke staat tussen 1861 en 1870. Aangegeven staan de bekendste
plaatsen waar de zoeaven mee te maken kregen (bron: Hans Ellenbroek,
Rome tot de dood. Uit het leven van een Deventer Zouaaf).
Tussen 1 januari 1861 en 20 september 1870 zijn ruim 11.000 vrijwilligers naar Rome getrokken. Officieel zijn daarbij 3181 Nederlanders geteld, maar naar het schijnt zijn nogal wat landgenoten als Vlaming of Belg op de matricule-lijsten (de registers met de legernummers) terecht gekomen. Bovendien zijn er ook Nederlanders die in andere pauselijke korpsen dan de zoeaven hebben gevochten. Zodoende meende Broeder Christofoor, kenner bij uitstek van de Nederlandse zoeavengeschiedenis en oprichter van het Zouavenmuseum te Oudenbosch, in zijn boek
'Uit het epos der 3000 Nederlandse Zouaven' dat het aantal pauselijke strijders uit Nederland, ondanks de titel van zijn eigen werk, vermoedelijk dichter bij de 4000 komt. Christofoor, die bij het schrijven van zijn boek in 1947 vrijwel uitsluitend in lyrische bewoordingen denkt over de zoeaven, stelde vast dat het officiële aantal Nederland aan de top van de landenranglijst brengt voor de Fransen (2964) en de Belgen (1634). Zijn verklaringen voor deze vooraanstaande rol van de Nederlanders zijn niet gespeend van chauvinisme. Voor de hand liggend is dat de beginnende emancipatie van de katholieken die in Republiek van de Verenigde Nederlanden een ondergeschikte rol hadden gespeeld (het calvinisme vormde de staatsgodsdienst) van belang is geweest. Verder was er een onbeperkt vertrouwen in de paus en werd er geen onderscheid gezien tussen zijn functie als paus en koning. Ook de katholieke pers maakte dat onderscheid niet. Het Italiaanse eenheidsstreven en de pogingen de pauselijke staat bij Italië onder te brengen zag men als een aanval op de paus en het katholieke geloof.
In de historiografie over de zoeaven doen zich twee problemen voor. De geschiedschrijving is sterk beïnvloed door de betrokkenheid van sommige auteurs en schetst een soms wel erg eenzijdig zwart-wit beeld: de
'goede' zoeaven versus de 'slechte' garibaldisten. Pas na de Tweede Wereldoorlog komen nuances aan bod. Omdat de paus als staatshoofd niet los kon worden gezien van zijn functie als leider van de katholieke kerk en vertegenwoordiger van God op aarde, was voor katholieke schrijvers een objectieve beoordeling van de situatie in Italië lange tijd vrijwel uitgesloten. In het algemeen negeerden katholieke historici het pijnlijke onderwerp van de achterhaalde strijd van de paus tegen het Italiaanse eenheidsstreven (het Risorgimento, letterlijk de wederopkomst van Italië), zetten de tegenpartij (het overgrote deel van Italië, inclusief de daar wonende priesters) in een kwaad daglicht en ze vervielen in louter juichtonen over de zoeaven.
L.J. Rogier, een van de belangrijkste na-oorlogse katholieke historici, was uitgesproken negatief in zijn beoordeling van de rol van de paus in Italië ten tijde van Pius IX. Hij noemt diens pontificaat in politieke zin één grote mislukking. Rogier bedoelt daarmee dat Pius IX geen enkel oog had voor het eenheidsstreven. Mede door de
'zo goed als uitsluitend clericale, corrupte ambtenarenstand' die zonder enige invloed van het volk de kerkelijke staat bestuurde, kwam het niet tot een voor de hand liggend vergelijk met koning Victor Emmanuel II van Sardinië en de Piëmont. De republikein Garibaldi, tegenstander van kerk en paus, zou geïsoleerd zijn geraakt, wanneer de paus handiger of begripvoller was opgetreden.
De pauselijke politiek zorgde juist dat alle krachten in Italië zich tegen hem verenigden. Het had feitelijk weinig te maken met het katholieke geloof, maar dat aspect kwam er onherroepelijk bij. Paus Pius IX, die vanaf 1846 regeerde, kwam politiek gezien in een volkomen isolement.
De pauselijke oproep aan de katholieke wereld om hem te hulp te komen bij de verdediging van het pauselijk gebied (het Patrimonium Petri) vond slechts gehoor bij koningsgezinde kringen in Frankrijk en bij katholieken in België en later ook Nederland. Alleen in België en Nederland was sprake van 'ongecompliceerde religieuze geestdrift' die voortkwam uit het volk dat geen weet had van de onmogelijke politieke situatie waarin de paus zich gemanoeuvreerd had. Katholieken uit andere landen, Italië voorop, lieten het afweten. Het isolement waarin de paus zich bevond en het uitblijven van steun uit de katholieke wereld betekenden dat de strijd van de circa 11.000 zoeaven die er tussen 1861 en 1870 volgens de matriculelijsten geweest zijn bij voorbaat verloren was, ook al was er wel eer te behalen in afzonderlijke slagen. Dat is het harde oordeel van de historici, in Nederland verwoord door Rogier.(6)
Probleem bij de vroegere geschriften en artikelen over de zoeavenbeweging is bovendien dat niet altijd duidelijk is waar mythe en legendevorming de werkelijkheid mee zijn gaan bepalen.
Terecht worden de laatste decennia een aantal vragen gesteld die bij de vroegere katholieke auteurs en journalisten niet aan de orde kwamen. Werden de Garibaldisten die soms met tien keer zo veel manschappen de strijd ingingen zo makkelijk onder de voet gelopen als wel gesuggereerd werd? En was hun ideaal, de eenheid van Italië, moreel van minder gehalte dan het ideaal van de zoeaven? Waren de Nederlanders inderdaad een groep die speciaal aanzien genoot bij de Paus of werden ze, zoals het gebrek aan Nederlandse officieren doet vermoeden, als voetvolk beschouwd, waarmee de Franse adel goede sier kon maken ? Als de katholieke emancipatie zo'n grote rol heeft gespeeld bij de trek van Nederlanders naar Rome waarom betrof het dan vooral
'gewone' jongens en ontbraken de hogere standen vrijwel volledig ? Of het nu om negentiende eeuwse kruisvaarders ging, oprecht gelovige katholieke jongeren of katholieke naïevelingen, het blijft opmerkelijk dat 3000 tot 4000 Nederlandse jongeren ten strijde trokken voor de paus.

Uitgave 1935 (coll. Albert de Natris, foto RHC
Tilburg).
Het verhaal over Pieter Jong uit Lutjebroek geeft voeding aan de mythevorming rondom de zoeaven in Nederland.
'Toen de schrikwekkende geweerkolf van Pieter Jong machteloos neerzonk te Monte Libretti, lagen er veertien Garibaldisten dood om hem heen. Daarna sloeg de held uit het kleine Lutjebroek voor 't laatst een groot, rechtvaardig Kruisteken, en stierf onder zijn wapenkreet: "Leve Pius, Paus en
Koning"'.(7) Bij alle katholiek opgevoede Nederlanders (die nu ongeveer veertig jaar of ouder zijn), is het verhaal over zijn heldendaden bekend. Hij staat synoniem voor wat een (Nederlands) zoeaaf is: heldhaftig, onverschrokken en ten alle tijde bereid voor zijn paus, de H. Vader, te sterven. Onderscheid tussen het wereldlijke en geestelijke leiderschap van de paus was daarbij niet aan de orde.
Tilburg en de paus
In Tilburg, een van Nederlands meest katholieke steden, was onder de circa 20.000 inwoners nauwelijks een afwijkend geluid over de paus of de zoeaven te horen. De oproep van de paus stond niet ter discussie, de noodzaak om de pauselijke staat te beschermen ook niet en het eenheidsstreven van Italië deden de kranten nog tot ver in de twintigste eeuw af als aanvallen op het gezag van de paus-koning door roversbenden, vrijmetselaars of toch ten minste te liberaal gezinden. Het lange pontificaat van Pius IX (1846-1878) met daarin een concilie en het vaststellen van de onbevlekte ontvangenis van Maria en de onfeilbaarheid van de paus, verhoogde zijn aanzien. De paus was voor een net in ere herstelde katholieke gemeenschap (1853) die sterk naar Rome keek al een heel bijzonder persoon, maar wie zo lang paus was kreeg haast iets mystieks.
Er deden zich tijdens het pontificaat van Pius IX een aantal gebeurtenissen voor die in Tilburg niet ongemerkt voorbijgingen. Op 11 april 1869 was de in 1792 geboren Giovanni Maria Mastai-Ferretti 50 jaar priester. In hetzelfde jaar op 29 juni verklaarde de paus de 19 martelaren van Gorkum heilig. Op 16 juni 1871 was Giovanni 25 jaar paus, een unieke situatie. Op 25 juni 1876 volgde het 30-jarig pausschap een unicum (sinds Petrus de eerste paus die 32 jaar aanbleef) en in 1877 vierde Tilburg het vijftig-jarig bisschopdom. Al deze voorvallen werden aangegrepen voor grootse feesten, waarin Tilburg kon bewijzen hoe zeer het Pius IX in het hart droeg.
Dat gold ook voor 7 februari 1878, de sterfdag van de paus. (8) In 1869 veranderden de omwonenden spontaan de naam van de verbindingsweg tussen Het Ven en de grintweg naar Hilvarenbeek in Piusstraat. 'Het Ven' werd daarop Piusplein gedoopt. In 1881 besloot de gemeenteraad tot de officiële
bevestiging(9)
Van een wat meer afstandelijke houding ten opzichte van Rome of Pius IX is in deze jaren geen spoor te vinden in Tilburg, hooguit is er nagedacht of de roep van de paus wel beantwoord kon worden. Niet iedereen kon, mocht of durfde aan de reis naar Rome te beginnen. Kritische geluiden verwoord in onder meer de liberale pers bleven onbesproken of werden misprijzend van de hand gewezen.
Toen de oud-strijders in de jaren zeventig en later bijeen kwamen in het gebouw van de zoeavenbroederschap aan de Koestraat was het zorgvuldig uit elkaar houden van mythe en werkelijkheid niet het eerste vereiste. Het is niet onbegrijpelijk. Na een lange reis kwamen de vrijwilligers aan in een grote stad als Rome, ze verkeerden in de nabijheid van de paus, gingen op bezoek in de immense Sint Pieter met zijn pracht en praal. Maar ook het patrouilleren in de bergen, het onbekende eten (van macaroni of spaghetti had nog niemand gehoord), de gevechtssituaties waarin ze terechtkwamen, de onduidelijke houding van de bevolking die niet laaiend enthousiast was over de paus-koning, het moet allemaal enorm indruk hebben gemaakt.
Verhalen, alsof de zoeaven de paus persoonlijk gekend hadden, deden alom de ronde. Dat deze vertelsels ontstonden in de bijeenkomsten van de broederschap waar ook niet-zoeaven lid van konden worden lijdt geen twijfel. Dat sommige niet-zoeaven als bestuurslid van de broederschap in de loop van de tijd de status kregen van zoeaaf was onvermijdelijk. Het verklaart waarom er
wel eens verwarring kon ontstaan over wie nu wel of niet zoeaaf waren geweest.
Ontdaan van alle politiek, romantiek en mythevorming blijft overeind dat ongeveer 65 'Tilburgse' jongeren de verre reis naar Rome maakten om daar te strijden voor het behoud van de pauselijke staat. Ze gingen uit overtuiging. Overeind blijft ook het respect dat ze daarmee verwierven in een katholieke gemeenschap als de Tilburgse. Het feit dat ze meer van de wereld gezien hadden dan hun meeste plaatsgenoten gaf hen al een speciale status.
De betekenis van Jan Vrancken
Bij het werven van jongeren in Midden- en Oost Noordbrabant die zoeaaf wilde worden is een centrale rol gespeeld door Joannes Vrancken. Opmerkelijk is dat over hem veel minder bekend is dan over broeder Bernardinus, die de centrale figuur was in Oudenbosch waar de meeste Nederlandse zoeaven voor hun vertrek opvang kregen in het instituut St. Louis. Ook pater De Kruijf uit Amsterdam die, na een bezoek aan Rome in 1864, de werving in Nederland ter hand nam is in de literatuur uitvoerig besproken.(10)
De rol van de Bosschenaar en latere Tilburger, die hier wordt bedoeld is minstens zo interessant geweest.
'President der Nederlandsche Zouaven', zo begroette (zoeaven)generaal baron Athanase de Charrette de Basse Motte hem in Frankrijk.
'Ziel van het zouavenwerk in de zuidelijke provincien' was de betiteling die Tilburgs bekendste zoeaaf, luitenant Antoine Arts, uitte bij zijn grafrede. En
'sauveur de Rome' moet paus Pius IX over hem gezegd hebben. De woorden zijn van toepassing op een man die zelf nooit zoeaaf is geweest, maar die tussen 1865 en zijn dood in 1892 van groot belang moet worden geacht voor de zoeaven en hun beweging. Het vraagt om uitleg.(11)

Jo(h)annes Vrancken (1827-1892) speelde een
hoofdrol bij het werven van katholieke jongeren
in Tilburg en omgeving. Hij was ook na 1870
nauw betrokken bij het werk van de oud-zoeaven
in Nederland. (coll. RHC Tilburg).
Joannes Vrancken is op 11 november 1827 in Weert geboren en al op jeugdige leeftijd in Den Bosch terechtgekomen. Vrancken is wat karig bedeeld in de literatuur omdat hij geen papieren heeft nagelaten waaruit zijn rol duidelijk blijkt. Om hem toch in beeld te brengen was tijdrovend onderzoek nodig in diverse kranten en periodieken.
De bemoeienis van Vrancken met het zoeavenwerk dateert van het najaar van 1865. Toen kreeg hij in Den Bosch waar hij woonachtig was in de Verwerstraat A 252, bezoek van de heer Vergauwen uit het Belgische Gent die hem verzocht om via De Noordbrabanter, waar Vrancken redacteur was, animo te wekken voor de zaak van de paus. Vrancken was aanvankelijk afhoudend omdat hij de Nederlanders niet zo geschikt achtte voor de krijgsdienst. Bovendien was het werven voor 'dienst in den vreemde' in Nederland verboden. Hij besloot de belangstelling voor de rechten van de Kerk en de Paus in gang te zetten middels het overnemen van artikelen uit Belgische bladen. Geleidelijk ontstonden daaruit eigen verhalen die in De Noordbrabanter verschenen. Eind 1865 kaartte Vrancken daarin de mogelijkheid aan om zoeaaf te worden. Zo meldde de krant op 15 december 1865 op de voorpagina:
'Met genoegen zien wij dat zich vele katholieke zonen onder den vaan van den Paus gaan scharen en als verdedigers van het erfdeel van den H. Petrus het gemeenschappelijk goed der geloovigen, zich naar Rome begeven; België vooral levert tot uit de hoogste klasse der maatschappij'.
(12)
De artikelen hadden blijkbaar succes. 'Twee à drie maanden liepen voorbij, terwijl ik elke week het onderwerp min of meer uitdrukkelijk behandelde, toen in 't begin van Januari 1866 zich de eerste jongelingen bij mij kwamen aanmelden, allen Bosschenaren of tijdelijk te 's Bosch woonachtig
...', aldus Vrancken in een terugblik tijdens een toespraak in 1877.(13)
De Noordbrabanter van 10 januari 1866 bericht over jongeren die vanuit Gent naar Rome trekken. Twee dagen later kondigde de krant het vertrek aan van vele Vlamingen met de nadrukkelijke vermelding dat Nederland niet achter wil blijven. Het einde van dit verhaal is de aankondiging dat 12 Bosschenaren op 14 januari naar Rome zullen vertrekken.
Ook het Weekblad van Tilburg maakte melding van de geestdrift die in Den Bosch bestond om voor de eer van de paus te gaan strijden. Het was een verkapte oproep aan de Tilburgse jongeren om niet bij de Bosschenaren achter te blijven. Ook deze schrijfsels waren van
Vrancken.(14)
Berichten in deze periode over het 'Komité van Gend voor de aanwerving van het pauselijk leger' dat in korte tijd 1000 man, voornamelijk Belgen en Nederlanders, bijeen wenste te brengen, passen in de promotionele activiteiten die Vrancken vanuit Den Bosch ontplooid. Wie zich in Gent meldde moest voorzien zijn van een binnenlandsch paspoort, vrij zijn van militaire dienst in Nederland en een getuigschrift (van goed gedrag) kunnen overleggen van de geestelijke overheid, zo maakte Vrancken bekend.(15)
Niet opgehelderd is hoe Vrancken de praktische zaken regelde. Dat hij zich daarmee belast heeft is bekend. Maar financierde hij de transporten naar Gent zelf - er moesten toch treinkaartjes gekocht worden - of had hij steun van pastoors of congregaties in Den Bosch en later ook Tilburg. De gegevens in deze richting ontbreken. Zeker is dat de grote stroom Brabantse zoeaven die zich in de eerste maanden van 1866 in Den Bosch en Tilburg melden naar Gent gingen. In Den Bosch zette Vrancken hen op de trein naar Boxtel (de spoorlijn naar Tilburg dateert pas van 1881) van waar ze via Roosendaal naar Gent gingen. Ook bij het vertrek van grote groepen uit Tilburg, de gebruikelijke vertrekplaats vanaf februari 1866, was hij veelal aanwezig. Later komt Brussel in beeld als centrale verzamelplaats, waar ook de transporten vanuit Oudenbosch naar toe gingen.
Vrancken heeft in meerdere opzichten betekenis gehad voor Tilburg. Hij vestigde zich op 10 augustus 1866 met zijn gezin in de opkomende industriestad. Hij stierf er in 1892. In de tussenliggende jaren was hij niet alleen betrokken bij de Tilburgsche Courant, bankier en gemeenteraadslid, maar was hij ook de centrale persoon bij het werven van de zoeaven en de initiator en stimulator van de landelijke en plaatselijke zoeavenbroederschap. Bij vrijwel alle nationale zoeavenactiviteiten speelde hij een rol. In een zwartomrand artikel op de voorpagina van de Tilburgsche Courant en een uitgebreid in memoriam bij
'concurrent' de Nieuwe Tilburgsche Courant werd zijn dood betreurd.(16)
Vrancken was betrokken bij de oprichting van het Weekblad van Tilburg waarvan op 7 oktober 1865 het eerste nummer verscheen.(17) Het Weekblad werd aanvankelijk in Den Bosch gedrukt bij drukkerij Teulings, maar al vanaf 7 juli 1866 gebeurde dat in Tilburg bij N. Luijten. Qua opmaak, stijl en inhoud wijkt het Weekblad nauwelijks af van de Noordbrabanter. Bovendien was Vrancken van beide bladen redacteur. Het Weekblad van Tilburg is in deze periode dan ook te beschouwen als de Tilburgse editie van de Noordbrabanter.
Al voor zijn verhuizing naar Tilburg stichtte hij met notaris Adrianus Johannes Verschure een wissel- en effectenkantoor eerst in de Nieuwlandstraat, later aan de Nieuwen Dijk tegenover de pastorie (tegenwoordig
Bisschop Zwijsenstraat). Daar lag het hoofdwerk van Vrancken. De redactie van het Weekblad, die hij ook samen voerde met Verschure is vermoedelijk bijzaak geweest. De veronderstelling dat het tweetal ook zakelijk bij de krant betrokken was, is voor de hand liggend, maar onbewijsbaar. Wanneer in 1869 het hinderlijke dagbladzegel (een soort belasting op het uitgeven van een krant en feitelijk een belemmering voor persvrijheid) wordt afgeschaft, gaat het Weekblad over in de twee keer per week verschijnende Tilburgsche Courant met Luijten als drukker/uitgever en Vrancken als redacteur. Verschure is in 1 juli 1868 overleden. Pouwelse en Van Puijenbroek gaan er in hun interessante studie over de kranten in Tilburg vanuit dat de fraters redactioneel zijn bijgesprongen. Die redenering is logisch, de krant werd immers gedrukt bij Luijten, die als weesjongen onderdak had gekregen bij de fraters en door hen was opgeleid. Het lijkt er op dat Vrancken zich toen ook als redacteur heeft teruggetrokken. Uit een brief van Luijten aan bisschop Zwijsen gedateerd 26 september 1868 valt op te maken dat Vrancken als redacteur (node) werd gemist.(18)
De fraters waren al eerder bijgesprongen. Zeker is dat de 'brieven van een zouaaf'
in het fratershuis bewerkt waren alvorens ze naar de Tilburgsche Courant gingen. Meer persoonlijke passages van Mauritus Vliegendehond die aan superior De Beer of medefraters waren gericht werden niet afgedrukt. Het staat vast dat de brieven uit Italië niet aan de krant maar aan het fratershuis op De Locht waren gericht.
Vrancken heeft zowel in Den Bosch als in Tilburg via de kranten ook een rol gespeeld in de geldelijke inzamelacties die op poten waren gezet door het katholieke dagblad De Tijd. Vanaf 13 december 1865 staat op de voorpagina van de Noordbrabanter en vervolgens ook het Weekblad van Tilburg onder het kopje
'Vrijwillige Bijdragen van Z.H.' vermeld hoeveel geld er binnen is gekomen ter ondersteuning van de 'armlastige' paus, die immers een flink deel van zijn territorium (en dus inkomsten) was kwijtgeraakt. Dat in Rome nauwelijks sprake was van armoede, maar dat er wel problemen waren door het gevoerde financiële beleid was iets wat de eenvoudige gelovige in Noordbrabant ontging. Van harte schonken de Tilburgers hun centen, stuivers, dubbeltjes en in een enkel geval zelfs guldens. Voorzien van gedichtjes worden de tientallen bijdragen in het Weekblad verantwoord. Als achtergrond bij het nu volgende is het goed te weten dat het weekloon voor een textielarbeider of amabachtsman omstreeks 1870 acht tot negen gulden bedroeg voor zes dagen werken. Een borrel kostte een stuiver.
Weekblad 23 december 1865:
''k Heb achttien glaasjes laten staan
Ik bied ze Pius IX aan
't is wel niet veel, maar 't is toch wat
Ik zeg u 't heeft wat in gehad
Maar nu 'k beproefd heb wat ik kon
En 't eerste strijden overwon
Vangt Satan met zijn duiv'len heer
Mij nooit door zijn Schiedammer meer
'k Kom weder cirka Nieuwejaar
Met alle stuivers die ik spaar f 0,90'
Enkele weken later komen er voor het eerst verwijzingen naar de zoeaven.
'Wanneer 't ons voegde, het zwaard te omgorden
En voor den Paus Zouaaf te worden
Bedachten we ons geen enkel uur
Met stofdoek gaan we nu ten strijde
En brengen Hem van harte blijde
Vier gulden vijftig van onz' huur
(drie dienstmaagden) f 4,50'
Let wel, op het moment van publicatie, Weekblad 6 januari 1866, is vanuit Tilburg nog geen persoon vertrokken om dienst te nemen in het pauselijk leger. Als het al door drie vrouwen geschreven is zal Vrancken het met graagte hebben gepubliceerd. De verwijzingen naar de zoeaven gaan door. Op 13 januari 1866 drukt het Weekblad een bijdrage van een oud-militair af:
'Ik was een fiks sergeant voor dezen
Ik ken de kracht van kruid en lood
Wat zou'k reeds lang te rome wezen
Zoo niet de jeugd mijn arm ontvlood' f 5,-'
In hetzelfde nummer stond een gift van:
'Van een paar jongelui die het betreuren
den Paus niet te kunnen gaan helpen f 0,50'
De gedichtjes en verantwoording van bijdragen die soms hele pagina's vullen, stonden met een verwijzing naar het Weekblad van Tilburg ook in de Noordbrabanter, een bewijs te meer dat er een directe lijn was tussen de beide bladen. Wat de Tilburger Bode, de andere krant in Tilburg, over de strijd in Italië, de werving van zoeaven en de inzamelingsacties voor de paus schreef is door het ontbreken van nummers van dit blad dat van 1862 tot 1878 heeft bestaan, onbekend.(19)
Het einde van 1865 en de eerste maanden van 1866 vormen de periode waarin Vranckens promotionele werk zijn hoogtepunt bereikte en al dan niet met steun van de pastoors tientallen jongeren het besluit namen naar Rome te trekken. Vrancken zorgde er vervolgens voor dat hun verhalen breed uitgemeten in de kranten verschenen.
De Tilburgers
Waar over het begrip zoeaven weinig tot geen discussie kan bestaan, is de toevoeging
'Tilburgs' problematischer. In de talloze berichten en artikelen, komen steeds andere aantallen, maar ook verschillende namen voor als het gaat over de Tilburgse zoeaven. Het leidt er toe dat het aantal Tilburgse zoeaven in de loop van de tijd gevarieerd heeft van ruim twintig tot meer dan zestig. Een lijst die ontleend is aan de Mentanaherdenking van 1892 in Utrecht komt tot 34. Cees Weijters noemt in Roomsch Leven van 1 juli 1960 het getal 35. Pierre van Beek komt in zijn artikel voor het Nieuwsblad van het Zuiden op 16 december 1971 tot een aantal van 31. In dezelfde krant van 10 mei 1985 staan 35 Tilburgers genoemd, maar daaronder bevonden zich ook personen die geen zoeaaf zijn geweest. Jan Hoofs c.s., die in 1995 en 1996 genealogische gegevens over de Tilburgse zoeaven bijeen gebracht hebben, kwamen na schifting tot 28 namen. Hun uitgebreide onderzoek leverde in eerste instantie 60 namen op en een twijfelachtig geval. Bij het afsluiten van deze tekst was het aantal gestegen tot 66 en drie bijzondere gevallen.
Het lijkt voor de hand te liggen om uit te gaan van de definitie 'geboren in
Tilburg'. Immers bij de registratie (de matriculelijsten) of deze nu in Oudenbosch, op het verzamelpunt in België of bij aankomst in Italië plaatsvond moest de geboorteplaats worden opgegeven, zodat dit feit controleerbaar is. Deze definitie, geboren in Tilburg, leidt tot 27 namen.
Het levert onmiddellijk problemen op. Antoine Arts, algemeen aangeduid als de bekendste Tilburgse zoeaaf, zou afvallen, om de eenvoudige reden dat hij in Arnhem geboren en getogen is en pas na zijn zoeaventijd via Den Bosch in Tilburg terecht is gekomen om daar een vooraanstaande rol te spelen onder de oud-zoeaven. Ook L. Jacquemijns en P. Scheefhals, die bestuursfuncties in de broederschap Fidei et Virtuti hebben vervuld, komen van elders. Anderzijds zijn er enkele mensen in Tilburg geboren die de stad nauwelijks gekend hebben. Het meest aansprekende voorbeeld is Henricus Bodij, waarvan de vader tijdelijk als militair in Tilburg gelegerd was. Reeds als baby is hij naar Amersfoort verhuisd. Ook de eerste uit Tilburg (geboren) afkomstige zoeaaf, Jacob van Woerkom, blijkt op negenjarige leeftijd naar Den Bosch te zijn vertrokken. Charles Bastings daarentegen, die niet in Tilburg geboren is, komt al op driejarige leeftijd in Tilburg wonen, vertrekt van hieruit naar Rome en zal gezien zijn beroep voerman en caféhouder of herbergier later niet in de anonimiteit zijn ondergegaan en zeker als Tilburgs zoeaaf hebben gegolden. Duidelijk is dat de indeling op geboorteplaats niet voldoet.
Gekozen is dan ook voor een ruimere definitie. Onder Tilburgs wordt verstaan al die zoeaven die in Tilburg geboren of gestorven zijn of kortere of langere tijd woonachtig zijn
geweest. Bepalend is daarbij de registratie via de Burgerlijke Stand (het bevolkingsregister). Wie bij zijn geboorte of overlijden in Tilburg is geregistreerd of wie als 'ingekomen' staat aangemeld is in deze beschouwing Tilburger. Ook hier zitten nadelen aan. Zo telt Willem Baeten uit Alphen mee. Ongetwijfeld had hij als stationskoffiehuishouder van Alphen aan de spoorlijn Tilburg-Turnhout een relatie met de nabijgelegen grote industriestad, maar hij heeft er nooit gewoond of gewerkt. Slechts zijn overlijden vindt in Tilburg plaats. Duidelijk mag zijn dat de ruime definiëring in ieder geval niemand uitsluit.(20)
Deze begripsbepaling betekent dat mannen die als zoeaaf in Italië zijn geweest en zich later in Tilburg hebben gevestigd, zoals Antoine Arts, als Tilburger worden beschouwd.
Wanneer in de 'brieven van een Tilburgse zouaaf', die tussen 1866 en 1868 in het Weekblad van Tilburg verschenen, over
'de Tilburgers' wordt gesproken, betreft het de jongens die op het moment van vertrek in Tilburg woonden. Die Tilburgse zouaaf was Levinus Vliegendehond oftewel frater Mauritius. Hoe lastig de definiëring is blijkt wel uit het feit dat hij zelf niet geboren en ook niet gestorven is in Tilburg. Ook heeft hij er slechts een beperkt aantal jaren gewoond.
Over de Tilburgse zoeaven zijn incidenteel wat krantenartikelen geschreven, maar ze waren nooit apart onderwerp van onderzoek. Wel was over een aantal zoeaven meer bekend. Vooral Antoine Arts, een van de weinige Nederlandse officieren, redacteur van de Kruisvaan en oprichter van de Nieuwe Tilburgsche Courant en een enkele keer de broederschapbestuurders Frans Becx en later Piet Scheefhals traden daarbij voor het voetlicht. Ook frater Mauritius (Levinus Vliegendehond) trad door zijn 'brieven' uit de anonimiteit; in zijn voetspoor kregen ook twee andere fraters, Fredericus (Henricus Laurentius Versteeg) en Eustachius (Gerardus Ludovicus Brauers), aandacht. Meer anekdotisch waren de verhalen die rond Tilburgse volksfiguur Jan Viool (Nol van Sommere) ontstonden, waarvan de veronderstelling was dat de gebeurtenissen in zijn leven waaronder zijn verblijf in Italië en de slag bij Mentana hem uiteindelijk tot gekte hadden gedreven. En als herinnering aan een langvervlogen tijd kwam in de jaren dertig Adriaan Lemmers regelmatig in beeld, tenslotte vanaf 1931 tot aan zijn dood in 1938 de laatst overgebleven Tilburgse zoeaaf.
De overzichten geven een beeld van de Tilburgse zoeaven uitgaande van de geboorteplaats. Tabel A vermeldt de zoeaven die Tilburg als geboorteplaats hebben opgegeven; in tabel B wordt een overzicht gegeven van de tot nu toe bekende zoeaven die elders geboren zijn, maar zich voor of na hun zoeaventijd in Tilburg gevestigd hebben.(21)
A. Geboorteplaats Tilburg
naam
geboorte- leeftijd diensttijd in Rome
datum
Fr.E. Becx
21-03-1844 23 07-12-1867 - 09-06-1870
J.C. Beeris
21-11-1837 29 23-11-1867 - 20-09-1870
A. Bertens
04-01-1841 26 22-12-1867 - 20-09-1870
H.J. Bodij
29-08-1842 25 17-11-1867 - 21-10-1868
H. v. Broekhoven 04-06-1825
40 24-03-1866 - 01-03-1868
F.J. Broné
07-05-1842 23 10-02-1866 - 16-02-1868
J. de Cocq
05-07-1840 25 10-02-1866 - 16-08-1868
C. van Dijk
27-09-1842 26 28-09-1869 - 20-09-1870
P. Driessen
10-03-1836 30 23-01-1867 - 11-10-1867
F.I. Gaillard
06-03-1842 25 23-11-1867 - 07-07-1870
J. van Hees
09-05-1835 25 23-06-1870 - 20-09-1870
J.B. Horsten
15-07-1838 27 10-02-1866 - 16-02-1868
Th. Horvers
20-10-1839 26 24-02-1866 - 01-03-1868
J. van Hulten
12-06-1834 31 28-04-1866 - 01-05-1868
P. van Ierland
19-10-1844 23 23-11-1867 - 02-12-1869
J.J. Keller
28-05-1834 31 10-02-1866 - 16-02-1868
A. de Kock
29-10-1823 42 24-02-1866 - 01-03-1868
H.F. Lommers
30-07-1850 17 01-12-1867 - 02-06-1870
J.B. van Loon
16-08-1847 20 01-12-1867 - 16-12-1869
H. van Luick
12-03-1847 20 23-11-1867 - 02-12-1869
J.A. Mansveldt
21-03-1850 17 28-01-1868 - 27-01-1870
F.H.A. Nozeman 29-11-1833
32 10-02-1866 - 12-08-1969
P.G. Roxs
17-06-1832 37 19-05-1870 - 20-09-1870
P. Smits
30-01-1850 17 18-11-1867 - 25-11-1869
J.C. Spijkers
27-08-1838 27
10-02-1866 - 16-02-1868
T. Vrinds
30-03-1846 21 23-11-1867 - 02-12-1869
J.H. van Woerkom 18-04-1840 25
03-02-1866 - 16-02-1868
B. Woonplaats Tilburg
naam
geb.datum/plaats
diensttijd in Rome
J. van Alphen
12-12-1838 Chaam
11-12-1867 - 31-12-1869
A.H.A. Arts
20-04-1845 Arnhem
10-02-1866 - 20-09-1870
W. Baeten
24-12-1843 Alphen
07-12-1867 - 23-12-1869
Ch. Bastings
06-08-1838 Boxtel
20-01-1866 - 10-01-1868
J. van Beek
14-02-1845 Geldrop 17-11-1867 - 19-05-1870
J. Beuijssen
03-10-1835 Geldrop 08-02-1866 - 17-12-1868
bijgetekend
14-07-1870 - 20-09-1870
P.M. Biermans
04-01-1839 Herkenbosch 05-11-1867 - 11-11-1869
P.M. Bolsius
13-12-1852 Den Bosch 12-12-1869 - 20-09-1870
G.L. Brauers
15-07-1837 Middelburg 11-12-1867 - 20-09-1870
A. de Bree
27-01-1840 Udenhout 23-02-1867 - 26-02-1869
G.L. Derksen
08-12-1848 Oldenzaal 26-03-1869 - 20-09-1870
C. van Dongen
12-02-1837 Oosterhout 14-04-1866 - 15-04-1866
bijgetekend
11-06-1868 - 16-06-1870
A. van Geelen
19-01-1838 Nijmegen 17-02-1866 - 01-03-1868
A. Griellis
09-10-1843 Hilvarenbeek 16-06-1870 - 20-09-1870
G.J. van Haandel
27-04-1840 Erp
23-01-1867 - 12-02-1869
M.F. van Houtum 29-12-1843 Den Bosch
17-02-1866 - 01-03-1868
L. Jacquemijns
18-08-1842 Gorinchem 17-02-1866 - 01-03-1868
K. Jansen
01-10-1842 Nijmegen 03-02-1866 - 16-02-1868
A.W. Kerssemakers 03-01-1849 Gestel
01-12-1867 - 02-06-1870
A. de Kort
05-08-1839 Oisterwijk 01-12-1867 - 09-06-1870
C. Koene
18-10-1842 Geertruidenberg 07-12-1867 - 02-05-1869
A. van der Lee
28-12-1845 Heusden 05-01-1868 - 13-01-1870
A.C. Lemmers
22-03-1842 Hilvarenbeek 23-11-1867 - 15-08-1870
P.F. Mercx
24-04-1845 Oirschot 11-12-1867 - 16-06-1870
A.J.L. Nicolai
06-09-1842 Den Bosch 12-10-1869 - 20-09-1870
Theodorus Princen 29-09-1842 Boxtel
08-04-1868 - 29-05-1870
J. de Regter
29-07-1845 Hapert 16-06-1870 - 20-09-1870
H.J. van Rooij
01-05-1837 St.Mich.Gestel 24-02-1866 - 01-03-1868
P.H.A. Scheefhals 12-12-1841 Den Bosch
28-04-1866 - 01-05-1868
C. Schenkels
25-09-1847 Dongen 23-11-1867 - 16-12-1869
A. van Sommere
07-01-1842 Batenburg 03-03-1866 - 12-03-1868
bijgetekend
06-01-1870 - 20-09-1870
F. Sprengers
05-02-1839 Geldrop 10-02-1866 - 16-02-1868
bijgetekend
22-09-1869 - 20-09-1870
J. Strijbosch
22-07-1845 Deurne
15-12-1867 - 31-12-1869
A. Verhulst
27-03-1841 Den Bosch 15-12-1869 - 20-09-1870
H.L. Versteeg
31-03-1839 Arnhem
10-02-1866 - 16-02-1868
L. Vliegendehond 15-02-1838 Den Haag
10-02-1866 - 10-09-1869
M. Vlemmings
17-06-1839 Stratum 13-01-1867 - 15-01-1869
H. van Vucht
08-09-1844 Hapert
16-06-1870 - 20-09-1870
J. Vugts
23-10-1835 Moergestel 10-03-1866 - 12-03-1868
Op reis naar Rome
Op zondag 4 februari 1866 vertrekt vanuit Tilburg de eerste groep vrijwilligers. Slechts Charles Bastings en Jacobus van Woerkom waren hen voorafgegaan, maar over hun vertrek is niets gemeld. Ze gingen in principe voor twee jaar. Een enkeling tekende bij, (onder)officieren bleven langer.
De eerste groep bestond uit negen personen waarvan we de namen konden achterhalen. het gaat om de fraters Mauritius en Fredericus en verder Frederik Broné, Jan de Cocq (in Tilburg ook bekend staand als Dirk de Cocq), Jan Horsten, Johannes Keller en Jan Spijkers uit Tilburg. De overige twee zijn onbekend; mogelijk komen ze uit een omliggend dorp.(22)
'Pater superior (de Beer) begeleidde onder een toevloed van duizenden nieuwsgierigen en belangstellenden de twee fraters naar het station, tegelijk met een zevental wapenbroeders, die zich in het fratershuis verzameld hadden. De trein (uit Den Bosch-Boxtel) hield even stil en de Weled. Heer J. Vrancken die de nieuwe Zouaven tot hier begeleid had, trad uit den trein, liet zich fr. Mauritius voorstellen, benoemde hem tot chef van den troep, gaf zijne instructiën voor het vervolg der reis en onder een geestdriftig "Leve de Paus", aangeheven door duizenden toeschouwers en de zouaven zelf, vertrok de trein,
...', zo meldt de kroniek van de fraters over 1866.(23)
De reis van deze Tilburgse groep is beschreven door Levinus Vliegendehond, een voormalig sergeant die de wapenrok verruild had voor de fraterstoog. Frater Mauritius zoals hij toen heette, meldde zich met frater Fredericus Versteeg aan als vrijwilliger voor het pauselijk leger. Eind januari 1866 krijgen ze daartoe toestemming van hun algemeen overste Mgr. Zwijsen. Kort voor hun vertrek vanuit de Ruwenberg te St. Michielsgestel naar het fratershuis in Tilburg bevestigen zij hun vastberadenheid en vragen ze de
'apostolischen zegen' van de bisschop.(24)

Antoine Arts (1845-1926), Tilburgs bekendste
zoeaaf, op jeugdige leeftijd gefotografeerd tijdens
zijn verblijf in Rome (part. coll.).
De eerste groepen vanuit Tilburg reisden niet via het pensionaat St.-Louis in Oudenbosch. Mauritius verhaalt
(25) :
'... Breda, Rozendaal enz. deden wij, zonder eenige ontmoeting gehad te hebben aan; te Antwerpen zou een Heer zijn, die ons brengen moest naar het Waalsche spoor
(bedoeld wordt het Waassche spoor, het latere Antwerpen Linkeroever waar de treinen naar het land van Waas vertrokken - HvD),
hebbende tot teeken een oranjekleurigen zakdoek voor den mond, zeggende Bosschenaren, en waarop geantwoord zou worden: naar Rome. Deze was er en bracht ons naar het station der Schelde, waar wij naar een uur wachtens ten 6 1/4 uur op den stoomboot werden overgezet, en aan den anderen kant op het spoor plaats namen; ten 9 ure kwamen wij te Gent aan, waar een goed souper onze krachten herstelde; sigaren en bier maakten onder een vrolijk gesprek den avond aangenaam...'
Maandagochtend 5 februari presenteerde de groep zich bij het comité in Gent waar de formaliteiten werden vervuld. Om 11 uur vertrok men naar Brussel van waar om half acht 's avonds de trein naar Parijs werd genomen. De reis met oponthoud aan de grens duurde tot dinsdag 6 februari 6 uur in de ochtend. Het valt Mauritius op dat
'eene groote drukte heerscht in deze waarlijk groote stad'. 'Ik was overtuigd dat hier de wereld is en wenschte niets liever dan zoo spoedig mogelijk te vertrekken'. Om 4 uur 's middags wordt de reis in de richting van Lyon vervolgd. De volgende ochtend (het is nu woensdag en men is nu drie nachten onderweg) reist de groep door het Rhônedal waar voor het eerst heuvels worden aanschouwd. In de loop van de avond wordt Marseille bereikt dat buitengewoon smerig wordt gevonden
('de Hollandsche zindelijkheid kent men hier niet'). Daar wordt de nacht doorgebracht.
Donderdag 8 februari om 10 uur begint de bootreis met de Quirinal via Livorno naar Civitavecchia dat op zaterdag 10 februari bereikt wordt. Zonder dat er melding van wordt gemaakt vindt daar blijkbaar de officiële keuring plaats. De hierbovengenoemde Tilburgers staan immers vanaf 10 februari 1866 als zoeaaf te boek. Mauritus komt terecht bij de 8e compagnie die gelegerd is in Velletri, een ruim 15.000 inwoners tellend stadje ten zuiden van Rome.(26)
Uit gepubliceerde brieven van zoeaven uit andere plaatsen blijkt dat dit als standaardvoorbeeld van een reis naar Rome is te beschouwen. Het verschil is slechts dat later in 1866 de vrijwilligers niet meer eerst via Gent, maar rechtstreeks via Brussel naar Parijs reisden. Tilburg blijft ook in 1867 en later genoemd als plaats waar de Oost- en Middenbrabanders zich verzamelden en opgevangen werden door Joannes Vrancken. Het lijkt er op dat Vrancken zijn mensen dan niet meer rechtstreeks naar België stuurt, maar via Oudenbosch laat reizen.(27)
Na het vertrek van deze eerste groep verschijnen regelmatig mededelingen in de krant over zoeaven die naar Rome trekken. Van een echte stormloop is pas sprake wanneer de berichten over de veldtocht van het najaar van 1867 en met name de slag van Mentana in de kranten verschijnen. Blijkbaar gaf dat voor velen aanleiding de doorslag om het besluit te nemen naar Rome te reizen. Bijna wekelijks treft men nu lijsten aan van 'edelmoedige jongelieden' die naar Rome trekken. Ruim een derde deel van de Tilburgse zoeaven komt in de maanden november en december 1867 en januari 1868 te Rome aan.(28)
'Wit papier dient tot niets'
Dat de zoeaven met grote regelmaat naar het thuisfront schreven staat vast. De een meer dan de ander; niet allen zullen het schrijven even goed onder de knie hebben gehad.(29) In het Zouavenmuseum te Oudenbosch liggen vele brieven, maar duidelijk is ook dat er in de loop van 130 jaar veel moet zijn verdwenen.
Er zijn voldoende gegevens die er op wijzen dat ook de Tilburgers naar huis schreven. Zo systematisch en uitvoerig als de meer ontwikkelde Levinus Vliegendehond, die in de periode februari 1866 tot de zomer van 1868 tientallen brieven naar het fratershuis stuurde, is dat door anderen niet gedaan. Waarom Vliegendehond in 1868 minder gaat schrijven en in het najaar zelfs helemaal ophoudt is niet duidelijk. Hij is immers tot 10 september 1869 in Italië gebleven. Na de zomer van 1868 zijn geen brieven meer voorhanden en verschijnt er van hem ook niets meer in het Weekblad van Tilburg.(30)

Handschrift van frater Mauritius (Levinus Vliegendehond).
Hij schreef van februari 1866 tot de zomer van 1868 tientallen
brieven naar het moederhuis van de fraters in Tilburg. 59
brieven zijn in het Weekblad van Tilburg opgenomen
(coll. Archief fraters van Tilburg).
Van tenminste zeven zoeaven zijn brieven in het Weekblad van Tilburg verschenen.
(31)
De eerste brief die de krant op 10 februari 1866 publiceerde was opgestuurd door een Bosschenaar aangeduid als W.v.D. Op 10 maart 1866 verscheen een brief van een niet nader genoemde Tilburger. Al vrij spoedig, vanaf de krant van 17 maart 1866 nam frater Mauritius Vliegendehond de taak over. Hij is de derde schrijver. In een brief gedateerd 'april 1866' maakt frater Mauritius voor het eerst melding van het opsturen van brieven of berichten naar de krant in Tilburg. Hij meent dat tot op dat moment Tilburgse zouaven nog geen brieven hebben opgestuurd.(32)
De redactie plaatste een noot bij de eerste brief van Vliegendehond: 'Door de bijzonderheden in dezen brief voorkomend, achten wij het overbodig den brief in ons vorig Nr begonnen, voort te
zetten'. (33)Voortaan kwam de informatie uit Rome en omgeving van een eigen correspondent, die uit de eerste hand kon berichten. Daarnaast bleef het Weekblad gebruikmaken van berichtgeving uit internationale kranten en het katholieke dagblad De Tijd, soms met bronvermelding, vaak ook zonder dat de herkomst van het bericht werd aangeduid. Een enkele keer verscheen er ook een brief van frater Fredericus en één keer werd een brief geplaatst die afkomstig was van Theo Horvers. In het najaar van 1868 verschijnen drie brieven van een onbekende (Tilburgse) zoeaaf in de krant. De laatste brief die de Tilburgsche Courant publiceerde is op 20 september 1870 vanuit Livorno geschreven en betreft de capitulatie en aftocht. Namen van Tilburgers worden daar niet meer in genoemd.
Ondanks de niet altijd eenvoudige omstandigheden waarin de brieven zijn geschreven is het handschrift van frater Mauritius gelijkmatig en in principe goed leesbaar. Een belemmering vormt het feit dat er veel op een blaadje moest en dat de achterzijde soms door de voorzijde heenschijnt. Mauritius had de gewoonte om geen stukje wit te laten.
'Daar dit wit papier tot niets dient ...', schreef hij eens onder een brief van frater Fredericus. De brieven van frater Mauritius en een enkele keer frater Fredericus Versteeg waren gericht aan medefraters of frater-superior. Bekend is dat frater Hilarius een rol gespeeld heeft bij het bewerken van de brieven voordat ze in het Weekblad van Tilburg verschenen. Persoonlijke mededelingen voor de fraters verschenen niet in druk. Ook minder gunstige berichten kwamen niet in de krant. Waarschijnlijk achtte men die informatie niet relevant of in ieder geval niet passend bij het beeld van
'onze jongens' die een 'moderne kruistocht' voerden voor de bescherming van de pauselijke staat.
Mauritius was daarmee bekend. Bovendien stuurde frater Mauritius grote hoeveelheden brieven op die geen aaneengesloten geheel vormden. Frater Hilarius zorgde dan dat de eenheid van tekst er wel kwam.
'Daar het schrijven mij gewoonlijk gelegen komt des avonds laat en ik alles uit het hoofd moet opstellen is het mij geheel ondoenlijk zulk een geheel van de brieven te maken als het voor u wel wenschelijk is. Daarom verzoek ik u ze niet letterlijk over te nemen en er af te laten of bij te voegen, wat gij denkt dat voor een goede vorm noodzakelijk
is', zo schrijft hij op 22 januari 1867. In zijn brief van 19 maart 1867 complimenteert hij frater Hilarius voor de bewerking.
'De Courant van 11 february heb ik gelezen en daarbij het vernuft van frater Hilarius bewonderd, die uit zulk een zamenraapsel een goed geheel heeft gemaakt'.
(34)
Slechts een enkele keren klinkt er iets van kritiek door op de wijze waarop de brieven zijn weergegeven in de krant. 'Weest zo goed, fr. Hilarius OGW. alle zaken die op een bijzondere zaak of persoon tot de Compie behoorende, geschreven worden, nimmer in de Courant te melden ...' en
'Op den 11e april (1867) ontving ik het weekblad van Tilburg waarin den 23e brief voorkomt. Hetzelve doorlezende trof ik eenige zinnen aan die ik gaarne gewenscht had daarin niet aangetroffen te hebben.'
(35) Mauritus meldde nadrukkelijk dat het Weekblad niet alleen te Tilburg, maar ook in Rome gelezen wordt. Het handelt hier over de korporaalsbenoeming die Mauritius aanvankelijk wilde weigeren en waarover hij frater-superior raadpleegde. Hij wilde dit bericht liever niet in de krant hebben.(36)

Het zogeheten Hollands Casino te Rome. In de brieven van frater Mauritius wordt
deze lokatie genoemd als plaats waar de Tilburgers weleens verbleven. Op 19
februari 1868 werd hier door honderden Nederlandse zoeaven de verjaardag van
Koning Willem III gevierd (coll. Archief
Fraters Tilburg).
Een enkele keer schrijft hij daarna in een brief 'het navolgende niet in de krant plaatsen'. Het betreft dan informatie over de verblijfplaatsen van de verschillende compagnieen of de wijze waarop nieuwe bataljons worden geformeerd. Hij wil dat kwijt als achtergrondinformatie voor superior De Beer of zijn medefraters, maar het lijkt nadrukkelijk niet bestemd voor publicatie.
Uit de brieven wordt duidelijk dat ook andere Tilburgers correspondeerden met het
thuisfront(37). Regelmatig maakt Mauritius melding van brieven van andere Tilburgse zoeaven zoals Broné, De Kok of De Cocq die helaas nogaleens verward worden, Spijkers, Bastings en later Becx. Maar hij merkt ook op dat het schrijven lastig is.
'Aan de overige zouaven gelijk aan Versteeg heb ik gevraagd te schrijven doch dit is voor hun eene zaak van groot gewigt en zij verontschuldigen zich maar te zeggen ik heb geen nieuws, doch het is waar, zij zijn gezond en tevreden en zijn tot heden aan alle kanten gelukkig en omdat er nu toch geschreven wordt laten zij het er bij.'
(38)
'Z.H. sprak eenen geruimen tijd'
'De hitte is hier zoo hevig, dat men er zich bijna geen denkbeeld van kan maken, wind is hier zoo min als regen, daarbij ligt de stad geheel in een laagte, zoodat alles verbrandt en verdort, en 't is derhalve goed te begrijpen dat er vele zieken zijn.'
(39)
Het warme weer en de tochten door de heuvels zijn zaken die Mauritius sterk opvallen ten opzichte van Nederland. Maar het hoofdonderwerp in de brieven betreffen ontmoetingen met de paus, bezoeken aan kerken, graven van heiligen, viering van kerkelijke feestdagen in Italië. Ook gewoontes van Italianen, acties van de zoeaven en dagelijkse zaken zoals eten, drinken, kleding en hygiensche omstandigheden worden besproken. Mauritius blijkt in Rome ook een rol te spelen in het leggen van contacten met verschillende prelaten en monseignori in verband met de goedkeuring van de regels van de fraters van Tilburg. Zo tracht hij uit te vinden waar een vanuit Nederland geschreven belangrijke brief is beland.(40)
Wat betreft de Tilburgse zoeaven maakt Mauritius dikwijls melding van gelden die voor hen zijn binnengekomen. Met enige regelmaat stuurt hij het moederhuis in Tilburg een overzicht van de financiële situatie van diverse zoeaven. Duidelijk is dat het genoten tractement verre van toereikend was en dat het thuisfront moest bijspringen. Het kan niet anders of dat moet een beproeving geweest zijn. In de gezinnen was men een van de krachten kwijt die in de bloei van zijn leven verkeerde. Naast het inkomen dat gemist werd moest de in Italië verblijvende jongeman ook nog ondersteund worden. Mauritius vervult voor een tiental Tilburgse zoeaven en enkele niet-Tilburgers die met hem vertrokken zijn, een sleutelrol bij het beheren en verdelen van de toegezonden gelden.

Wanneer de zoeaven manoeuvres hielden verbleven ze in het kamp Rocca di
Papa, in de Oudheid het kamp van Hannibal, gelegen ten oosten van Albano
(coll. Zouavenmuseum Oudenbosch).
Hoogtepunt van hun verblijf in Rome was voor de zoeaven een ontmoeting met de paus. Wat Mauritius daar over schrijft zal weinig afwijken van de denkbeelden van de andere zoeaven. Zijn eerste ontmoeting vond plaats in de loop van februari 1866 voordat zijn compagnie naar Velletri trok.
'Voordat wij Rome verlieten hadden wij het geluk om als Souaaf aan onzen H. Vader den Paus te worden voorgesteld. Wij waren ten getale van 52 Hollanders en 5 Franschen. (...) Na een half uur wachtens werden wij gewaarschuwd dat Z.H. aankwam.' Mauritius wijdt dan uit of de indruk die de paus op hem maakt en geeft dan weer wat de paus in het frans tot de zoeaven had verteld.
'Z.H. sprak eenen geruimen tijd over den stap die wij gedaan hadden om hem te gaan dienen, na eerst alles verlaten te hebben, om voor regt en waarheid der Catholyken godsdienst te strijden.'
De paus adviseerde de zoeaven bij elkaar te blijven en de eenvoud te zoeken. In Italië waren ook slechte katholieken
'die zich met de zaken der regering bemoeijen zonder daartoe geroepen te
zijn'. Een duidelijke vingerwijzing naar de talloze katholieken die voor het Italiaanse nationalisme streden.(41) Ook bij latere ontmoetingen met de paus toonde Mauritius zich zeer onder de indruk. Uiteraard kwamen deze ontmoetingen met het hoofd van de kerk in het Weekblad van Tilburg terecht.
Interessant zijn een aantal zaken die hij in zijn brieven aanstipt en die niet in de krant zijn verschenen. Naast persoonlijke mededelingen voor superior de Beer em medefraters betreft dat enkele pijnlijke gevallen.
Zo is weggelaten dat Spijkers en De Kok en de (oude) Gustenhoven uit Baarle-Nassau
'8 dagen provoost' hebben gekregen wegens dronkenschap. 'Zij hebben op het avondappel gemankeerd en zijn om 11 ure erg dronken in de kazerne teruggekeerd, waar zij door hun geweld iedereen de slaap beletten' en
'Het is een ongelukkige zaak voor de Tilburger jongelui: wanneer zij geld hebben dan moet het ineens op, en indien zij geen geld hebben dan wordt er geld geleend, en de straf volgt er op, zooals met deze drie heeft plaatsgehad'(42) Eerder had hij al gemeld:
'Men betaalt voor den rooden wijn 7 1/2 - 10 of 12 cts de flesch, zoodat hij nogal verleidelijk is en voor menigeen de oorzaak is geweest van straf.'
(43)
Ook voorvallen met Vugts en Bastings die in de gevangenis belanden blijven in het Weekblad van Tilburg onvermeld. Vugts krijgt 15 dagen voor een ongelukkige vechtpartij met de Franse kok van de compagnie.(44) En Bastings dreigt zelfs een langere gevangenisstraf op te lopen wegens (vermeende of werkelijke) diefstal van vijf nieuwe hemden, die bij visitatie in zijn ransel gevonden worden. Bastings' diensttijd zat er op 10 januari 1868 op. Mauritius bezoekt hem op 21 januari 1868 in de gevangenis en verzoekt frater-superior om een brief te schrijven met een verzoekschrift om gratie.(45) Hoe dit voorval is afgelopen blijft onduidelijk; ook omdat de brieven vanuit Nederland niet bekend zijn.
Ook het feit dat hijzelf '8 dagen politiekamer' heeft gehad voor het achterwege laten van een bevel dat hij een korporaal had moeten geven, laat Mauritus in zijn correspondentie niet onvermeld. Bijna vanzelfsprekend meldt het Weekblad van Tilburg er niets over.(46)
Frater Mauritius meldt alleen feiten over niet-Tilburgers wanneer ze tot zijn compagnie behoren of tot de groep waarvoor hij zich verantwoordelijk voelt. Dat kan betrekking hebben op personen die met hem vertrokken zijn zoals de regelmatig genoemde Gustenhoven (uit Baarle-Nassau) en Knepfle (uit Oss). De tientallen personen die zich pas na hun terugkeer uit Rome in Tilburg hebben gevestigd of de in 1868 of later vertrokken Tilburgers krijgen geen plaats in zijn beschouwingen. Wel maakt hij eind 1867, begin 1868 melding van het feit dat een nieuwe groep Tilburgers is aangekomen en dat hij hen de stad heeft laten zien.
Op hetzelfde moment moet door de eerste groep Tilburgse zoeaven beslist worden of ze terug zullen keren of voor een half jaar bij zullen tekenen.
De Cocq en frater Mauritius besluiten bij te tekenen. Jacquemijns wil van zijn familie weten hoe die er over denken. Brone, Horsten, Horvers, Keller en Spijkers keren terug.(47)
Een brief aan monseigneur Zwijsen meldt de terugkomst van frater Fredericus. Hij was tijdens de slag van Monte Libretti gewond geraakt aan zijn wang en mond.
'Gisteren avond met den laatsten trein is Frater Fredericus met 5 andere Tilburgers teruggekeerd, doch eerst heden morgen bij ons aangekomen, omrede hij veronderstelde dat we reeds te bed waren; hij heeft derhalve deze nacht in den Engel gelogeerd. Hij ziet er goed, doch mager, uit, is opgeruimd en bijzonder goed gestemd en tevreden; hij spreekt goed en niet slechter dan vroeger, maar het eten gaat zeer moeilijk en langzaam'
(48)
Veldslagen
'Het is van hier dat ik UEw. schrijf en de brief zal opzenden om bij UEw. allen twijfel weg te nemen dat ik gesneuveld zou
zijn', zo deelde Mauritius in zijn brief van 26 november 1867 mee. Er was alle reden voor die mededeling. Het najaar van 1867 was voor de zoeaven een hectische tijd.
Het leven van de zoeaven in Italië bestond voor het grootste deel uit het kazerneleven, aangevuld met patrouilles op het land en in de bergen. Daarbij ging het vooral om opsporen van loslopende rovende en stelende groepen. Slechts een enkele keer, zo blijkt uit de brieven van Mauritius, stuitte men op de reguliere troepen van Victor Emmanuel of Garibaldi. In 1867 veranderde dat drastisch en komen een aantal dramatische gebeurtenissen voor met de strijd in Monte Libretti en vooral Mentana als hoogtepunt.
Niet het uitvoerig relaas van die strijd maar enkele persoonlijke belevenissen zoals die in de brieven vermeld staan komen hier naar voren.(49)
In het najaar van 1867 zette de Garibaldisten een offensief in om Rome te veroveren. De gevechten met het pauselijk leger, waaronder de zoeaven, speelden zich op diverse plaatsen af. Deze gevechten staan bekend als de veldtocht van 1867. Op 5 oktober vond het korte maar hevige gevecht te Bagnorea plaats waarbij de Tilburgse zoeaaf Theo Horvers betrokken was.
'Het was of dat onze kogels gezegend waren, want onderweg zagen wij er velen van hen dood en geblesseerd
liggen', zo schrijft hij in een brief aan zijn ouders die in het Weekblad van Tilburg een plaats kreeg.
'Wij deelen dien brief des te gereeder mede, omdat de gevoelens van trouw en liefde voor de Kerk en den Paus welke onze dappere Nederlandsche jongeren bezielen zoo duidelijk er in
doorstralen', onderkent Vrancken, die dan de redactie nog voert de waarde van de brief. Horvers eindigt zijn relaas over de gevechten in Bagnorea met:
'Vreest niet voor mij, maar leest den brief met blijdschap gelijk ik hem heb geschreven. Ik ben bereid voor den dood, zoowel als voor het leven; bidt voor mij dat ik nog veel mede mag overwinnen, dat God onze wapenen zegene, gelijk Hij hier heeft
gedaan.' (50)

Schoolplaat met afbeelding van de Slag van Mentana in november 1867.
(coll. Zouavenmuseum Oudenbosch).
Een van de andere plaatsen waar de zoeaven de nationalistische troepen ontmoetten was bij Monte Libretti. Deze slag is in Nederland vooral bekend geworden omdat Pieter Jong hier sneuvelde. Ook Horsten, de Kok en Broné hebben aan de gevechten deelgenomen. Bij de bestorming van het kasteel van Monte Libretti was frater Fredericus Versteeg betrokken. Er waren talloze vuurgevechten gaande. Hij schreef:
'Men vocht met bajonet, geweerkolf en dolk, groep tegen groep, man tegen man; kermende gewonden en stervenden dekten den grond. Te nmmidden dier razernij zag ik in een zijstraatje een Garibaldist te paard naderen. Ik schoot, maar miste; op 't eigen oogenblik vuurde hij ook, en de kogel trof mij in 't gelaat. Een geweldige duizeling wierp me bijna omver, ik moest op mijn karabijn steunen om niet te vallen. De kogel was bezijden mijn mond door de linkerwang binnengedrongen, had eenige tanden verbrijzeld en was door de rechterwang weer ontweken. Een stroom van bloed vulde mijn mond en golfde vandaar over mijn uniform. (...) Ik zette mijn karabijn tegen den muur en deed mijn lederen koppel en mijn rooden sjerp af. Mijn loshangende wang duwde ik omhoog om den linnen doek op mijn stukgeschoten kaak te leggen, en toen die, slecht of goed er lag wond ik sjerp om wang en hoofd. En toen den koppel weer om 't lijf. 't geweer ter hand en-vooruit naar de anderen toe, om mee te helpen.' Dat was wat te optimistisch gedacht, want de verwonding was te serieus om nog aan meevechten te denken. Bovendien trokken de zoeaventroepen die gering in aantal waren zich bij het vallen van de avond terug.(51)
Het beroemdste gevecht vanuit het gezichtspunt van de zoeaven was de slag van Mentana, een plaatsje aan een aanvoerweg naar Rome. Het woord Mentana was in zoeavenkringen een begrip. Hier werd een overmacht aan Garibaldisten definitief een halt toegeroepen en was Rome (voorlopig) gered. Gevolg was weer dat het Vaticaans Concilie waarin Pius IX zijn onfeilbaarheid liet bevestigen - de tegenstemmers mochten bijtijds vertrekken - in betrekkelijke rust kon plaatsvinden. De eigenlijke slag vond plaats op 3 november 1867.
Bij deze slag zijn verschillende Tilburgers aanwezig geweest. Frater Mauritus schrijft over een persoonlijke ervaring:
'De roodhemden achternaloopende, zie ik plotseling een geweer op mij gericht op den afstand van 10 passen. Die Garibaldist zat op een boom tusschen eene haag die het dal aan de eene zijde in tweeën verdeelde; in het eerst wist ik niet wat te doen, want tijd tot schieten had ik niet, ontloopen kon ik hem niet, hulp roepen evenmin. Hem toch geen zeker schot willende geven en hem voortdurend goed in de oogen ziende, maakte ik allerlei wendingen en bewegingen. Hij volgde met zijn geweer overal waar ik ging, doch ofschoon hij van den beginne den vinger aan den trekker had, wilde hij niet schieten. Terwijl ik die sprongen om het leven maakte, zie ik terzijde een anderen Garibaldist door de opening der haag naar mij toekomen, doch zoodra zijn roodhemd te voorschijn kwam, ontving hij twee kogels van Zouaven die achter mij aankwamen en hem na 10 minuten in de eeuwigheid brachten. De man die met de dreigende geweertromp mij onophoudelijk volgde en zijn makker niet had gezien die zooeven was neergevallen, meende waarschijnlijk dat men hem had willen treffen, maakte een draaiende beweging in zijn moeilijke positie en toonde mij den rug; nu was het mijne beurt en een oogenblik later rolde hij tusschen de dichte doorntakken naar beneden.'
(52)
De verslaggeving over de veldtocht van 1867 en met name de slag bij Mentana bracht zo veel enthousiasme te weeg in Nederland dat bij velen de laatste twijfel wegviel en de reis naar Rome werd aanvaard. De Tilburgers bleven daarbij niet achter. In enkele maanden trokken meer dan twintig nieuwe zoeaven naar Rome. Het kon niet verhinderen dat - zoals al geschetst - de pauselijke staat niet behouden kon blijven.
De val van Rome
Op 12 september 1870 waren te Vitterbo en Civite Castellana groepen zoeaven gevangen genomen. Op 20 september 1870 viel Rome en was de strijd voor de overige zoeaven ten einde. Antoine Arts was een van de vele
'Tilburgers' (hij had toen nog geen band met de stad) die op dat moment als zoeaaf in Italië dienden. Naast Arts is de aanwezigheid bekend van Jan Beeris, Adrianus Bertens, Petrus Bolsius, frater Eustachius (Gerardus Ludovicus) Brauers, Cornelis van Dijk, Johannes van Hees, Johannes de Regter en Nol van Sommere.
Voor zover ze in de stad Rome waren namen ze op 21 september 1870 afscheid van Pius IX, leverden hun wapens in en werden per spoor naar Civitavecchia vervoerd. Per schip ging het vandaar naar Genua. Daar kwam de hoofdmacht van de overgebleven zoeaven vast te zitten in een fort voordat ze naar hun vaderland werden gerepatrieerd. Het Italiaanse deel van de reis moet daarbij niet erg aangenaam geweest zijn, al ontbreekt het aan ooggetuigenverslagen van Tilburgers. Wel verscheen een brief van een ons onbekende zoeaaf over de overgave van Civitavecchia aan de Piemontenzen in de Tilburgsche Courant.(53)

Ontslagbewijs van Johannes Keller (foto coll.
RHC Tilburg).
Tilburgs laatste zoeaaf Adriaan Lemmers wist bij een interview in 1932 te vertellen dat de terugtocht zeven dagen duurde en dat de zoeaven opgepakt zaten in goederenwagons en slechts eens per 24 uur te eten kregen. Dat moet dan gegolden hebben voor het Italiaanse gedeelte, want de berichten uit andere bronnen spreken over een hartelijke ontvangst en volop eten en drinken toen Italië eenmaal verlaten was.(54) Via Bozen in Tirol (het tegenwoordige Bolzano in de Italiaanse Dolomieten) reisden de Belgen en Nederlanders over Oostenrijk en Beieren naar Mainz. Vervolgens ging het via Keulen naar Aken waar de Nederlanders en de Belgen uiteengingen. Begin oktober kwamen de verdedigers van Rome in Maastricht aan waar hen volgens de toenmalige kranten een
'geestdriftig' ontvangst ten deel viel.
In Tilburg arriveerden op maandag 3 oktober een groep van een honderdtal zoeaven. Het idee bestaat dan dat de zoeaven spoedig weer zullen terugkeren.
'Aller harten gloeiden voor Pius IX en voor Rome, en met ongeduld wachtten zij het oogenblik af, om hunnen beminden grijsaard den onsterfelijken en grooten Pius IX van zijne vijanden te bevrijden'. Nog viert het optimisme hoogtij als we de krant mogen geloven: bij het afscheid nemen spraken de zoeaven de wens uit elkaar binnen enkele maanden in Rome terug te zien.(55)

Oorkonde met afbeelding van de medaille die uitgereikt is aan de
zoeaven, die hebben deelgenomen aan de slag van Mentana. Deze
oorkonde behoorde toe aan Mauritius Vliegendehond (coll. Archief
Fraters Tilburg).
In principe waren de troepen die Italië verlieten ontwapend. Antoine Arts is een van de weinigen die er in slaagde zijn geweer naar Nederland te krijgen. Een assistent van de zoeavenluitenant bleek het Remingtongeweer, een achterlader in plaats van de in die tijd gebruikelijke voorladers, uit elkaar te hebben gehaald en in zijn wijde broekspijpen gestopt. Via de Antoine Arts kwam het in het gebouw van de Nieuwe Tilburgsche Courant terecht. Vervolgens is het via de familie uiteindelijk in Oudenbosch bij het Zouavenmuseum beland.
(56)
Broederschap
Bij terugkeer in Nederland sluiten de zoeaven zich op diverse plaatsen aaneen in broederschappen die de idealen, waarvoor in Italië gestreden was, hoog wilden houden. Sommigen van deze genootschappen, zoals de Amsterdamse en Rotterdamse, ontstaan al voor de val van Rome op 20 september 1870. De zoeavenverenigingen blijken vooral stedelijk of regionaal te werken. De verschillen onder de zoeaven waren, ondanks de eenheid van opvatting ten opzichte van de paus, zo groot dat het lange tijd niet lukte om een landelijke overkoepelende vereniging van de grond te krijgen. Generaal de Charette verbaasde zich over die onderlinge verdeeldheid in het toch zo kleine Nederland. Hij verwoordde dat regelmatig, maar nog eens specifiek tijdens de grote Mentanaherdenking in 1892 in Utrecht waar de zoeaven zich in broederlijke eenheid presenteerden. De woorden van hun vroegere aanvoerder bewerkstelligden in 1894 de aaneensluiting in de Algemene Nederlandse Zoeavenbond. Op 20 juni 1897 zorgde die bond voor een bescheiden
'Ondersteuningsfonds voor behoeftige Oud-Zouaven'. Diverse Tilburgse oud-zoeaven zouden er een beroep op doen.(57)

Advertentie Tilburgsche Courant 4 november 1883.
(coll. RHC Tilburg).
Ook in Tilburg is aanvankelijk enige verdeeldheid geweest over de op te richten organisatie. Door het ontbreken van een archief met notulen of jaarverslagen is onduidelijk wat er precies aan de hand was. Ook de krantenberichten geven hierover geen uitsluitsel. Slechts een bericht bij het 25-jarig bestaan van Fidei et Virtuti wijst er op dat er twee groepen zijn geweest. Gememoreerd wordt dan dat de leden bij het ontstaan van de broederschap
'in twee partijen gesplitst lijnrecht tegenover elkaar stonden'.(58) Had het te maken met het onderscheid tussen de groep die de veldtocht van 1867 had meegemaakt en dus
'echt' had gevochten en de laatkomers die uit Rome waren weggetrokken ? Of was het gewoon een verschil van inzicht over de wijze waarop men zich moest organiseren: plaatselijk, landelijk of zelfs internationaal? Feit is dat in Tilburg het voortouw is genomen in een poging te komen tot een landelijke organisatie van oud-zoeaven.
Frans Becx heeft in Tilburg de aanzet gegeven tot de oprichting van een (lokale) zoeavenvereniging. In een advertentie nodigt hij de zoeaven uit Tilburg en omgeving uit om zich bij hem te verzamelen voor de viering van het zilveren pausschap van Pius IX in 1871. De oud-zoeaven speelden bij dit feest dat op vrijdag 16 juni in Tilburg plaatsvond een centrale rol. Ze trokken gezamenlijk naar de kerk van 't Heike waar een plechtige mis ten behoeve van de paus zou worden opgedragen.
'Leve de Zouaven was de dreunende kreet welke over het marktplein klonk, toen een 60-tal dier dapperen, meest allen in hun zwierig tenue gekleed, kerkwaarts trok voorafgegaan door een muziekkorps, en in hun midden de heer J. Vrancken ...' Na de hoogmis trokken de
'verdedigers van Rome' naar de bloementuin in de Piusstraat om 'eene broeder-vereeniging, een zouavenbond in te
stellen'. Op zondag 18 juni 1871 gaan de zoeaven vergezeld van de liedertafel Oefening geeft Kracht naar de pastoors van 't Goirke en Korvel. Een naam van het gezelschap wordt niet genoemd.(59) Uit latere berichtgeving over jubilea blijkt dat hier sprake geweest moet zijn van de oprichting van
'De Tilburgsche Zouavenbroederschap Fidei et Virtuti'. (60)
In 1876 vierde Tilburg het feest ter ere van het 30-jarig pausschap van Pius IX. Op 21 juni 1876 vond in Tilburg een
'Plegtige Internationale Bijeenkomst' van de zoeavencomité's uit Frankrijk, Nederland en België plaats. Het was de eerste grote zoeavenbijeenkomst sinds de val van Rome in 1870. De organisatie was in handen van Fidei et Virtuti. Vol trots somde de krant, de Tilburgsche want de N.T.C. bestaat nog niet, de aanwezigen op. Daartoe behoorden Graaf de Villermont uit Brussel, voorzitter van de wervingscomite's in België, kapitein Zénon de Résimont, die in Albano belast was geweest met ontruimen van deze plaats na een cholera-epidemie, Mgr. Sacré, de eerste aalmoezenier van de zoeaven in Italië en zijn opvolger de uit Poppel afkomstige Mgr. J.B. Paaps (de klacht dat de Nederlanders zich niet verstaanbaar konden maken bij de franstalige aalmoezeniers lijkt wat de Tilburgers betreft niet waarschijnlijk) en de luitenants Looijmans (Oudenbosch) en Arts (Den Bosch). Het spreekt voor zich dat Vrancken als organisator bij de manifestatie betrokken was. Het uitgebreide verslag in de krant memoreert hoe de viering van deze dag plaatsvond in de kerk van het Heike en later in de door de fraters beschikbaar gestelde ruimte. De bouwstenen voor de Bonifaciusbond lijken op deze bijeenkomst gelegd. Graaf de Villermont dringt aan op een algemene aaneensluiting van de zoeavenbroederschappen in Nederland.
(61)
(Coll. RHC Tilburg).
Een jaar later op 28 juli 1877 is een nieuwe bijeenkomst in Tilburg nu ter gelegenheid van het gouden bisschopsfeest van Pius IX. De St. Bonifacius Bond der Nederlandsche Zouaven onder de zinspreuk 'Fidei et Virtuti' wordt op deze bijeenkomst een feit. Het voorlopig bestuur bestond uit Jonkheer L. Ridder de van der Schueren uit Den Bosch, Joannes Vrancken uit Tilburg en Antoine Arts, dan nog woonachtig in Vught. De vereniging is een landelijke organisatie die in Tilburg gevestigd is. Als orgaan gaat ze de Kruisvaan uitgegeven.(62) Als Tilburgse afdeling bestond de Zouaven Broederschap Fidei et Virtuti, die in de Koestraat haar onderkomen had. Ze telde 240 leden. Er is geen spoor te bekennen van een andere Tilburgse vereniging rondom deze gebeurtenissen.
Vrancken heeft Arts benaderd voor de functie van hoofdredacteur van de Kruisvaan. Arts vestigde zich in 1878 in Tilburg en begon in de Poststraat een eigen drukkerij waar hij vanaf 1 januari 1879 de Kruisvaan, die eerst door Luijten werd gedrukt, gaat uitgeven. Eind januari 1879 adverteert hij dan in dat blad met de mededeling dat hij in april wil beginnen met de uitgave van de Nieuwe Tilburgsche Courant. Hij brengt de nieuwe krant als midweekse aanvulling op de wekelijks verschijnende
'De Kruisvaan'. (63)

Bestuur en leden van de zangvereniging St. Caecilia poseren voor de zaal van de
zoeavenbroederschap Fidei et Virtuti aan de Koestraat, in 1881. De met (*) gemarkeerde
personen zijn met zekerheid zoeaaf geweest. De bijnaam van het gezelschap was het
'Zouavenkoor'. Van boven naar beneden en van links naar rechts: 1e rij: Drik Horsten,
Jos Staps, Jan Bredo, G. Stalpers; 2e rij: Ant. de Rooy, Jan Staps, F. Smits, Jos. Dijkmans,
G. Horsten, N.N., L. Rijven, Jan van Beurden, W. Meeuwese, Jan Mandos, J. Hoefnagels,
Frans Staps; 3e rij: Freek Broné (*) met het vaandel van Fidei et Virtuti, Jos. de Kanter,
P. v.d. Weegen, N.N., H. Hobbelen, Hub. Klercx, W. Reijnierse, B. de Kanter, V. Heerkens,
P. v.d. Hout, F. van Gorp, N. v.d. Abeelen; 4e rij: A. Caspanni, Louis Jacquemijns (*),
Fr. v. Zantbeek, Frans Becx (*), Jan Vrancken, W. Mutsaers, Piet Scheefhals (*),
P. de Rooij, W. v. Gorp, C. v.d. Zande. (coll. RHC Tilburg).
De connectie Arts-Vrancken speelde in 1880 ook bij de zoekactie van pater Sebastianus Wyart naar een plaats voor de vestiging van een trappistenklooster in Nederland. Wyart die een
officiersfunctie vervuld had in het zoeavenleger kwam in Tilburg
'zijn' luitenant Arts tegen. Via hem bankier Vrancken verantwoordelijk voor de uitzending van zoeaven in Tilburg. En vervolgens Superior De Beer van de fraters van Tilburg die uit eigen ervaring ook nogal wat te maken had gehad met de zoeaven. Toen ook nog pastoor van der Lee van het Heike en de industrieel Caspar Houben kennis gemaakt hadden met Wyart was snel beslist dat de lokatie waar de pater naar op zoek was bij Tilburg lag. Dat een aantal boeren in de hoeven vertoefden die als vestigingsplaats geschikt werden geacht en eigenlijk niet voornemens waren om hun gronden te verlaten, was met zo'n overmacht aan geestelijke en wereldlijke autoriteiten een misschien wel lastig, maar niet onoplosbaar probleem. De stichting van de abdij Koningshoeven nabij Tilburg heeft zo een rechtstreekse relatie met de zoeaventijd.(64)
Zo voor de hand liggend en eenvoudig als de zoeavenconnectie hier werkte zal het niet in alle gevallen zijn gegaan. Niettemin blijft het opvallend dat verscheidene ex-zoeaven na hun terugkeer in Tilburg terechtkomen. Zijn ze door hun voormalige kameraden getipt over mogelijkheden om in deze snelgroeiende industriestad aan werk te komen. Maar liefst twintig oud-zoeaven, afgezien van de terugkerende Tilburgers, vestigden zich tussen 1869 en 1873 in Tilburg.(65)
Bij de grote Mentanaherdenking van 1892 in Utrecht staan twee verenigingen uit Tilburg aangemeld. Of hier nu bedoeld wordt dat Tilburg de landelijke bond van zoeaven en een plaatselijke afdeling van dezelfde bond herbergde of dat er nog en andere vereniging moet zijn blijft in het midden.
Medio oktober 1898 herdenkt de 'Zouaven-Vereeniging Bene Merenti' uit Tilburg de slag bij Mentana tijdens een vergadering die aangekondigd staat in café het Witte Anker op de Heuvel.(66)
Een ongedateerde, maar uit het laatste decennium van de negentiende eeuw afkomstige, ledenlijst van de
'Tilburgsche Bond van Oud-Zouaven Bene Merenti' vermeldde achttien namen, waarbij zes overledenen. Petrus Bolsius is de president van dit gezelschap, De Cocq wordt als secretaris vermeld. De vereniging was thuis bij F. van Erve op de Heuvel. Tot de leden behoren A. Bertens, M. Vlijmings (=Vlemminx), A. Grielis, Karel Jansen, Cornelis Schenkels, Gerard van Haandel, Norbertus van Geelen, Joh. van Loon, Joh. Spijkers en de Oisterwijkse zoeaaf A. Verhoeven. Als overleden leden staan Theo Princen uit Boxtel, Pierre Biermans uit Herkenbosch, Joh. de Vugt uit Moergestel, Ant. de Bree uit Udenhout en Laurent. Jacquemijns genoemd. Ook de ons verder niet bekende J.F. van Duuren geboren in Geldrop komt op deze lijst voor. Omdat Princen al in 1871 overleden is, zou dit er op kunnen wijzen dat al in die jaren een vereniging van oud-zoeaven heeft bestaan, die gericht was op Frankrijk. Merkwaardig blijft dan dat deze zoeavenvereniging tot het laatste decennium van de negentiende eeuw geen enkel spoor heeft nagelaten.
Een meer voor de hand liggende verklaring is dat het hier de pas in 1892 ontstane Nederlandse tak van de club van generaal Charette betreft. Deze Franse Bourbon die stellig meende dat een troonsbestijging van een telg uit de Bourbonfamilie in Frankrijk, tot ingrijpen in Italië ten gunste van de paus zou leiden, had in zijn residentie in Basse-Motte een eigen zoeavenbroederschap toegewijd aan het H. Hart. Deze Confrèrie du Sacre-Coeur a Basse Motte kreeg na 1892 veel Nederlandse verenigingen in zijn gelederen. Het geeft nog geen definitief uitsluitsel of Bene Merenti Tilburg pas in 1892 is opgericht of dat het al bestond.(67)
Fidei et Virtuti (geloof en deugd) Tilburg ontving op 2 november 1885 de koninklijke goedkeuring. Doel van de vereniging was volgens de dan overlegde statuten in de eerste plaats
'de zouaven, die in het leger van Z.H. Paus gediend hebben, door vergaderingen en gezellige bijeenkomsten in de gelegenheid te stellen, den broederband, te Rome gelegd, vast te houden en zoveel mogelijk nauwer toe te
halen'. Daarnaast was het de bedoeling om als goed katholiek de zaak van de kerk en de godsdienst met hart en ziel te behartigen. Ook het ondersteunen van behoeftige oud-zoeaven behoorde tot de doelstellingen van de broederschap.
Het bestuur bestond ten tijde van de aanvrage van koninklijke goedkeuring uit P. Scheefhals (voorzitter), F.E. Becx (onder-voorzitter), F. van Zantbeek (secretaris), P.G. de Rooy (penningmeester) en de leden of commissarissen W. van Gorp, A. Caspanni en A. van den Boer.
Onder deze zeven bestuursleden diende ten minste een zoeaaf te zijn. Met Scheefhals en Beckx voldeed dit bestuur daaraan. Van het bestuur maakte ook de beschermheer J. Vrancken en de ere-voorzitter W.P.A. Mutsaers (de burgemeester) deel uit.(68)
Gebouw en activiteiten
De zoeavenbroederschap opgericht door Frans Becx was aanvankelijk gevestigd in café Jan van Berkel op de hoek van de Spoorlaan en de Heuvel. Al spoedig was deze ruimte niet toereikend. Immers naast oud-zoeaven mochten ook niet-zoeaven, mits van onberispelijk katholiek gedrag, toe treden tot de broederschap. In september 1873 nam de broederschap een groter lokaal in gebruik 'op den Heuvel'. Als hier al het gebouw aan de Koestraat wordt bedoeld is de aanduiding verwarrend.(69)
Van belang is vervolgens de actie die kassier-bankier Johannes Vrancken onderneemt. Vrancken koopt van wolhandelaar Jan Karel Lodewijk Roëll een bergplaats met erf groot samen 5 are en 40 centi are aan de zogeheten Molenbogten. Het gaat om een gebouw aan de weg van de overweg bij de Heuvel tot de Veldhovense molen, in 1881 officieel Koestraat genoemd, een naam die al langer in gebruik was. Het gebouw lag ongeveer ter hoogte van de Lange Nieuwstraat. Vrancken liet deze voormalige bergplaats verbouwen tot een woning en sociëteit. Voorheen had dit gebouw dienst gedaan als fabrieksgebouw van textielfabrikant Jan Berghegge. De (smout)olie moet nog zichtbaar zijn geweest op de vloer. Het leverde de sociëteit de bijnaam Den Ollie op. De stichting van het sociëteitsgebouw staat op 1878 gedateerd. Alles wat ooit over Fidei et Virtuti (het gebouw) geschreven is suggereert een aanmerkelijk vroeger gebruik van de accommodatie aan de Koestraat.(70)
Mogelijk hebben de zoeaven een tijd gebruik gemaakt hebben van het oude fabrieksgebouw voordat Johannes Vrancken tot aanschaf en verbouwing overging.
Op 2 juni 1886 verkoopt Vrancken het pand aan de Zouavenbroederschap voor 4000 gulden waarbij de financiering geschiedt door het kassierskantoor van Vrancken (en Kerstens). De Zouavenbroederschap betaalt jaarlijks 180 gulden aan rente. Er vinden nog enige uitbreidingen plaats in 1894 en 1895.(71)

Het gebouw van de Zouavenbroederschap Fidei et Virtuti in de Koestraat.
Reconstructietekening van Frans Mandos uit 1937; het gebouw was toen al gesloopt.
Bij aanvang van de mobilisatie in verband met de Eerste Wereldoorlog kreeg Fidei et Virtuti te maken met inkwartiering van militairen. De zaal was daarmee onbruikbaar voor activiteiten. Het bestuur van Fidei et Virtuti, dan onder leiding van Henri Daniels, verwachtte dat de opbrengsten van de inkwartiering ten goede zouden komen aan de vereniging. Dat bleek niet het geval. Een proces dat de vereniging voerde tegen de kastelein van de sociëteit verloor ze omdat verzuimd was verlenging aan te vragen van de in 1886 (voor 29 jaar) verleende rechtspersoonlijkheid. Daniels stelde voor om de gebouwen die in slechte staat verkeren en dringend moeten worden opgeknapt van de hand te doen.(72) Fidei et Virtuti verkoopt haar eigendommen dan in 1916 en 1917 aan de firma André van Spaendonck. Bij verbouwingen door deze firma ten behoeve van uitbreiding van haar fabriekscomplex is het sociëteitsgebouw vervolgens verdwenen.(73)
De belangrijkste activiteit van de broederschap bestond uit het houden van bijeenkomsten waarin stichtende of vermakelijke, maar altijd zedelijke voorlezingen of toespraken een centrale plaats innamen. Naast de meer serieuze activiteiten zoals vergaderingen en lezingen stond Fidei et Virtuti bekend als centrum van culturele en ontspannende activiteiten. Uit de advertenties blijkt dat de leden van de broederschap kaarten, domino, biljarten, kegelen en dammen in hun gebouw beoefenden.(74)
Maandag 14 mei 1894 opende Fidei et Virtuti een kegelbaan, die uitsluitend toegankelijk was voor leden en donateurs van de broederschap. De kegelclub onder de (Italiaanse) naam Avanti kreeg de heer Strengnaerts als voorzitter. Zoals statutair bepaald was ook dit gezelschap ondergeschikt aan de zoeavenbroederschap. De uitgave van 325 gulden voor de aanleg van de baan op kosten van de broederschap verantwoordde president Scheefhals door te verwijzen naar het
'nog meer bevorderen van het gezellig onderling verkeer van de leden'.(75)
Voorts waren er een aantal onderafdelingen zoals de schutterij St. Joris, de harmonie Tilburgse Capelle (Capelle St. Jan), een toneel- of dilletantenvereniging 'l'Art après le travail'. De sociëteit manifesteert zich nadrukkelijk naar buiten met de verenigingen die deel van de broederschap uitmaken. Zo laat het kermisprogramma uit 1906 het volgende zien: kermiszondag matinee door de Capelle, maandag soiree met komische voordrachten door de Liedertafel; dinsdag toneel door l'Art apres le travail; woensdag idem; donderdag, vrijdag, zaterdag bal.(76)
Een geheel apart verschijnsel was het Liefdewerk Oud Papier. Op 21 mei 1876 richtte Fidei et Virtuti een vereniging op onder deze naam. Doel was geld inzamelen voor de paus. Het magazijn was eerst gevestigd bij bierbrouwer A. van den Boer aan de Bredaseweg M 245. Een paar jaar later vestigde de afdeling Tilburg van het Liefdewerk Oud-Papier met Vrancken als eerste president en Scheefhals als zijn opvolger zich in het gebouw van de broederschap aan de Koestraat. In 1900 is Charles Kieckens voorzitter van deze activiteit die beoogde
'de opbrengst van het verzamelde aan Z.H. den Paus te zenden', terwijl ook sprake is van voorzien in de noden van behoeftige oud-zoeaven. Het blijft voortdurend een belangrijke activiteit van de broederschap.(77)
De zoeavenbroederschappen waren vanzelfsprekend trouw aan de paus. De woorden van paus Leo XIII in 1891 uitgesproken in de encycliek Rerum Novarum wogen zwaar voor de zoeaven. Op verschillende plaatsen in Nederland blijken oud-zoeaven een belangrijke rol te spelen bij de opkomst van de katholieke vakorganisaties. In Arnhem was die lijn rechtstreeks aanwezig: de plaatselijke zoeavenbond werd daar omgezet in een R.K. Werkliedenvereniging. Ook in Delft en Amsterdam hebben de zoeavenbonden direct met de RK werkliedenverenigingen te maken.(78) De katholiek-democratische richting met de priesters Schaepman en Ariëns en de Tilburgse oud-zoeaaf Antoine Arts vond bij Fidei et Virtuti in Tilburg alle gelegenheid om haar sociale denkbeelden uiteen te zetten. Elders in de stad was dat door
'zaalafdrijvingen' problematisch. De oprichting van de eerste katholieke Tilburgse vakvereniging, de anti-socialistische spoorwegbond Recht en Plicht, vindt plaats in het lokaal van de broederschap. Vanaf 1893 vond ze onderdak bij de zoeavenbroederschap. Haar belangrijkste activiteit was overigens de oprichting van een fanfare.(79)
In het begin van de twintigste eeuw heeft de RK vakbeweging (de Gildenbond) haar eigen lokaal in de Tuinstraat. Naast de diverse culturele verenigingen maakt dan nog wel de RK Vereniging van Meesterknechts van de zaal van Fidei et Virtuti gebruik.(80)
St. Caecilia
Mogelijk nog belangrijker en in de twintigste eeuw ook van betekenis voor het voortbestaan van de zoeavenbroederschap was St. Caecilia. Dit nog steeds bestaande mannenkoor heeft zijn wortels bij Fidei et Virtuti.
Bij de reünie van de oud-zoeaven in 1876 moeten de strijdliederen door de straten hebben gegalmd. Het heeft het idee doen postvatten om te komen tot een eigen muziekgezelschap. Toch is dat gezelschap niet, zoals wel beweerd is, ontstaan bij Fidei et Virtuti, maar het was er wel direct nauw mee verbonden. St. Caecilia is geboren bij P. van de Boer die op Claassens' molen op de Noordhoek molenaar was. Een aantal leden van de zogeheten Congregatie der Jongelingen en enkele uitgetreden leden van zangvereniging Orpheus vonden elkaar daar. In de al eerder genoemde bovenzaal van cafe J. van Berkel is het op 21 februari 1877 tot de oprichting gekomen van St. Caecilia.(81) Al direct is het de intentie geweest dat het zangkoor onderdeel uit zou gaan maken van Fidei et Virtuti. St. Caecilia trad op bij de al gememoreerde festiviteiten op 28 juli 1877 ter gelegenheid van het vijftig jarig jubileum van Pius IX als bisschop. Het wordt dan de Afdeeling St. Cecilia der Tilburgsche Zouaven-Broederschap genoemd.(82) Het levert haar de bijnaam zoeavenkoor op. Officieel treedt St. Caecilia op 26 augustus 1877 voor het eerst in het openbaar op als koor van Fidei et Virtuti.
De rol van St. Caecilia onder leiding van Willem Reijniers was statutair vastgelegd. St. Caecilia was van groot belang voor het sociëteitsleven van de broederschap. Niet de kwaliteit van de muziek, hoewel die nauwgelet in de gaten werd gehouden, maar het ondersteunen van de gezelligheid in de sociëteit stond voorop. Gaandeweg werd de zang professioneler en werd het oorspronkelijke doel meer en meer verlaten. De concoursen waar St. Caecilia aan deelnam leverden succes op, de band met de zoeavenbroederschap had voor de jongere leden niet meer die betekenis die er vroeger aan gegeven werd. In 1912 onderzocht een comité bestaande uit W. Staal, H. van Stokkum, Jos van Luijck, Aug. Stalpers, Jean Smits en Louis Rijven de mogelijkheden om St. Caecilia onafhankelijk te laten bestaan. Op 6 december 1912 scheidde de zangvereniging zich af. Niet tot genoegen van het bestuur van Fidei et Virtuti dat toen onder leiding stond van Louis Donders. In haar statuten van 1913 wordt de band met de zoeavenbroederschap niet meer genoemd. St. Caecilia is dan een zelfstandige vereniging.(83)

Ledenlijst uit 1889 van St. Caecilia, zangafdeling van de
'Zouavenbroederschap Fidei et Virtuti' (part. coll.).
Het verdwijnen van St. Caecilia eind 1912 is voor Fidei et Virtuti het begin van een moeilijke periode. Behalve de jaarvergaderingen en de traditionele herdenkingen van de slag van Mentana is de sociëteit in die jaren aan betekenis aan het verliezen. Opmerkelijk is de mededeling in 1914 dat 'zij die de laatste twee jaren lid zijn geweest en zich opnieuw willen aanmelden geen entree behoeven te betalen'. Daarbij komen de problemen rondom de inkwartiering en het verlies aan inkomsten. In 1916 stelde de toenmalige voorzitter H. Daniels voor om de vereniging op bescheidener schaal voort te laten bestaan.(84)
In 1907 vond de veertigjarige herdenking van Mentana plaats in het eigen gebouw. Van de 32 Tilburgse oud-zoeaven die geteld worden zijn er twintig aanwezig. Tien jaar, in 1917, later vierden de vroegere pauselijke strijders hun belangrijkste feest voor het eerst buitenshuis. 's morgens verzamelde de oud-zoeaven zich in de kerk van de Besterd. Daarna trok de stoet naar het Molentje om een ontbijt te gebruiken. Bij die gelegenheid laten de merendeels zeventig- en soms ook tachtigjarigen zich portretteren.
De feestavond - ook al een lange traditie - houden de zoeaven in de bovenzaal van café Remmers.(85)

Ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de herdenking van de roemruchte slag van
Mentana 1917, poseerden achttien toen nog levende oud-zoeaven uit Tilburg en omgeving in de
tuin bij cafe 't Molentje. Bij het vaandel staat in zoeavenkostuum Frans Becx, oprichter van
Fidei et Virtuti. Voor het vaandel ziet oud-luitenant Antoine Arts, lid van de Tweede Kamer.
(coll. RHC Tilburg).
Een van de laatste keren dat melding wordt gemaakt van een openbaar optreden van Fidei et Virtuti is bij het overlijden van oprichter Frans Becx in 1923. H. Daniels sprak daarbij een afscheidswoord in zijn hoedanigheid als voorzitter van de Zouaven-Broederschap.(86)
Tilburgs laatste zoeaaf
Na de eerste wereldoorlog is de aanwezigheid van oud-zoeaven bij katholieke festiviteiten een nog regelmatig voorkomend verschijnsel. Zoals bij de intronisatie van het H. Hart beeld op de Heuvel op 6 november 1921.
Opmerkelijk was dat onder oud-zoeaven verschillende hoogbejaarden voorkwamen. Toen de zoeaven in 1927 het zestigjarig herdenkingsfeest van Mentana vierden bleken alleen al in Noord-Brabant nog 35 oud-strijders in leven te zijn. Merendeels tachtigers, een enkele negentiger en wat 'jonkies' die eind zeventig waren. Van bovengenoemde lijst met Tilburgers waren dat W. Baeten (84), Nol van Sommere (85), Adriaan Lemmers (86) en A. Vrinds (82).(87)
Uiteraard kreeg de leeftijd vat op hen, dat proces was niet te stoppen. Zeventig jaar na Mentana herdenkt de Volkskrant, toen nog een katholieke vakbondskrant met zelfs speciale Tilburgse pagina's, de strijd van de zoeaven met een paginagroot artikel. Dan, in 1937, zijn er nog steeds 41 oud-zoeaven in leven, maar inmiddels zijn het wel curieuze verschijningen geworden.(88) Een van de verklaringen voor de hoge ouderdom van veel zoeaven is gelegen in de hoge keuringseisen die gehanteerd werden.
De berichten in de kranten in de jaren veertig gaan over het overlijden of nog in leven zijn van de laatste of vermeend laatste zoeaaf. In Nederland was dat Petrus Verbeek uit Rosmalen die op 27 september 1946 overleed.(89)

Adriaan Charles Lemmers, poseert op negentigjarige
leeftijd bij het vaandel van de Tilburgsche Zouavenbroederschap
Fidei et Virtuti, opgericht in 1871.
(coll. RHC Tilburg).
Tilburgs laatste zoeaaf was Adriaan Lemmers. Als laatst overgeblevene had hij het vaandel van Fidei et Viruti in zijn bezit. Hij stond het af voor het Tilburgs museum, waar in die tijd veel sprake van is. Op negentigjarige leeftijd werd hij uitgebreid geinterviewd. Op 96-jarige leeftijd reed een motor hem aan, voor de deur van zijn woning aan de Lange Schijfstraat. Hij overleed aan de verwondingen.
Met gevoel voor dramatiek schreef de krant in 1938 dat hij, die in het warme Italië had gevochten voor de paus en het geweervuur had getrotseerd, nu omkwam in het moderne verkeer.(90)
Biografisch overzicht van de Tilburgse zoeaven. Zie record 250.
Geraadpleegde bronnen
Archivalia
Archief Fraters van Tilburg:
- diverse dossiers: congregatie, historie en curiosa, zouaven,
- persoonsdossiers frater Eustachius Brauërs, frater Mauritius Vliegendehond, frater Fredericus Versteeg, frater Michiel
van Rooij
Bisschoppelijk archief bisdom 's-Hertogenbosch:
- doos zouaven
- correspondentie
Gemeentearchief Tilburg:
- burgerlijke stand
- collectie W.I. Reijniers
- collectie L. de Wijs
- collectie bidprentjes
- collectie kranten
- documentatiemap Zouaven
- notarieel archief
Zouavenmuseum Oudenbosch:
- kopie-registratie matriculelijsten Nederlandse zouaven.
- ondersteuningsfonds 20 juni 1897. Aanvragen.
- confrèrie du Sacré-Coeur à Basse Motte, Bene Merenti Tilburg.
Literatuur
Arts, Antoine, Herinnering aan het Mentanafeest der Nederlandse zouaven, gevierd te Utrecht op den 13en November 1892, onder voorzitterschap van Z.E. Generaal Baron de Charette. Tilburg 1892.
Arts, Antoon, Van Blad tot Boek. Tilburg 1937.
Christofoor, Br., Uit het epos der 3000 Nederlandse zouaven. Nijmegen 1947.
Coenen, J., De Geldropse zoeaven in de strijd tegen de eenheid van Italië
(1861-1870). Geldrop 1977.
Eijkens, Joep (red.), Enigen uit velen. Fraters van Zwijsen in 22 portretten. Tilburg 1994.
Flaneur, Antoine Arts. Korte Levensschets. Tilburg 1901.
Hoofs, Jan e.a., Tilburgse zouaven. Ongepubliceerde genealogische documentatie betreffende Tilburgse zouaven. Tilburg 1996.
Janssen, Rolf, We hebben gezongen en niks gehad. Muzikanten en liederen uit Midden-Brabant. Tilburg 1984.
Natris, Albert de e.a., Tilburgse zouaven ten strijde voor de paus. Krantenknipsels uit het Gemeente Archief Tilburg van het Weekblad van Tilburg, Tilburgsche Courant en de Nieuwe Tilburgsche Courant van 23 december 1865 tot 1988. Ongepubliceerd manuscript. Tilburg 1996.
Nispen, M.C.J.L. van, Pro Petri Sede. Voor de stoel van Petrus. Hommage aan de zouaven van Oudenbosch. Oudenbosch (1995).
Nispen, M.C.J.L. van, 'Het Zouavenkoor van Tilburg. Het Koninklijk Tilburgs Mannenkoor St. Caecilia', in: Pro
Petri Sede jrg. 27 (1979), 15-17.
Nispen, M.C.J.L. van, 'Tilburgse fraters werden soldaten van de paus', in Pro Petri Sede jrg. 26 (juli 1978), 11-15.
Nuyens, A., Gedenkboek der pauselijke zouaven 1867-1892. Uitgegeven bij den vijf-en-twintigsten gedenkdag van hunne roemrijke overwinning bij Mentana 3 november 1867. Roermond 1892.
Overveld, W. van, De geschiedenis der pauselijke zoeaven. Pro Petri Sede. Oudenbosch 1967.
'De overwinning van Mentana herdacht', in: Katholieke Illustratie, jrg. 26 (1892-1893), 185-192
Peters, fr. Caesario, 'Drukker en uitgever Bartje Luijten over de Tilburgsche Courant', in:
Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur II (1984) nr. 1, 17-20.
Peeters, Ronald, De straten van Tilburg. Tilburg 1987.
Peeters, Ronald en Ed Schilders, Katholiek Tilburg in beeld. Tilburg 1990.
Pouwelse, W.J. en F.J.M. van Puijenbroek, 'Kranten in Tilburg', in: De Lindeboom Jaarboek III-IV (1979-1980), 123-210.
Rogier, L.J., Katholieke herleving. 's-Gravenhage 1956.
Spoorenberg, F., Pater Cornelis de Kruyf van de orde der augustijnen. De vader der Hollandsche Zouaven
1813-1874. 's-Hertogenbosch 1930.
Ter herinnering aan den Edelen Moed der Nederlandsche Pauselijke Zouaven bij gelegenheid van de cholera te Albano in den jare 1867. Amsterdam 1872.
Terstegge, A. Honderd jaar monnikenleven in Koningshoeven. Tilburg 19..
Veerdegem, Armand van, De laatste kruisridders. Geschiedenis der pauselijke zouaven. Z.p. 1914.
Verreijken, H., 'Een eeuw gezang', in: Actum Tilliburgis 1976-'77, 76-102.
Verslag van het Feest der Zuavencomites van Nederland en België onder voorzitterschap van Graaf de Villermont ter eere van het 30-jarig Pausschap van Z.H. Pius IX, op 21 Junij 1876 te Tilburg gevierd. Tilburg 1877.
Wagemakers, A.J.M., Buitenstaanders in actie. Socialisten en neutraal-georganiseerden in confrontatie met de gesloten Tilburgse samenleving
1888-1919. Tilburg 1990.
Zaal, Wim, 'De zouaven, vechtersbazen voor de paus', in: Tilburg Magazine jrg. 6 nr. 3 (september 1995) 26-29.
Zaal, Wim, De vuist van de paus. De Nederlandse zouaven en het einde van de Kerkelijke Staat, 1860-1870. Amsterdam 1980.
Kranten en periodieken
Actum Tilliburgis
Adresboek van Tilburg
Bisdomblad
Brabants Dagblad editie Tilburg
Katholieke Illustratie
De Kruisvaan
De Lindeboom
Nieuwe Tilburgsche Courant
Nieuwsblad (van het Zuiden)
De Noordbrabanter
Pro Petri Sede
De Staatscourant
Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis monumenten en cultuur
Tilburg Magazine
Tilburgsche Courant
Tussenbeide. Maandblad van de Nederlandse provincie der fraters van Tilburg Weekblad van Tilburg

Bij optochten of toneelvoorstellingen en andere speciale gelegenheden droegen kinderen
nagemaakte zoeavenkostuums. Op de foto zijn kinderen te zien van de parochie Hoefstraat
die in 1924 deelnamen aan de Kindheidsoptocht.
(coll. RHC Tilburg).
Noten bij Historische
achtergrond
AFT Archief fraters van Tilburg
GAT Gemeentearchief Tilburg
N.T.C. Nieuwe Tilburgsche Courant
T.Crt. Tilburgsche Courant
ZO Zouavenmuseum Oudenbosch
(1) AFT, Kroniek fraters van Tilburg jaar 1866, 352.
(2) Ten gevolge van de veranderingen in de spelling die geresulteerd hebben in de nieuwe Woordenlijst Nederlandse taal is zoeaven de correcte schrijfwijze geworden van een woord dat zowel met oe als ou geschreven werd. Omdat veel benamingen zoals Zouavenlaan en Zouavenmuseum niet veranderen en ook citaten ongewijzigd blijven zal, heel verwarrend, in deze tekst zowel het woord zoeaven als zouaven voorkomen. Met dank aan het
Groene Boekje.
(3) Christofoor, Epos der 3000, 7-22; Van Nispen, Pro Petri
Sede, 14-23; Zaal, 'Vechtersbazen voor de paus', 26-29.
(4) Christofoor, Epos der 3000, 17-18.
(5) Zaal, De vuist van de paus, 131-133 en 150. Van Nispen, Pro Petri
Sede, 53-54.
(6) Roger, Katholieke Herleving, 105-106; zie voor een uitgebreide beschouwing ook de eerste hoofdstukken van Zaal,
De vuist van de paus, 9-37. Exponenten van de klassieke katholieke visie op het behoud van de pauselijke staat en de zoeaven zijn vooral Nuyens en Christofoor en ook Van
Nispen.
(7) Christofoor, Epos der 3000, 9. Over Pieter Jong uit Lutjebroek verscheen een boeiend jongensleesboek dat 'verplichte' kost was op de R.K. lagere scholen.
(8) T.Crt. 17 februari 1878 waarin ook een curriculum van Pius IX wordt opgesomd.
(9) Weekblad van Tilburg 17 april 1869. Peeters, Straten, 127.
(10) Christofoor, Epos der 3000, 26-30 over De Kruijf. De betekenis van Oudenbosch en de daar actieve personen zoals broeder Bernardinus, vader Vincentius en pastoor Hellemons komt op vele plaatsen in dit boek aan de orde.
Pro Petri Sede van Van Nispen uit 1995 doet dat nog eens over.
(11) T.Crt. 2 juni 1892 en N.T.Crt. 5 juni 1892 necrologie, Christofoor,
Epos der 3000, 181 vermeldt Vrancken samen met De Kruijf en broeder Christofoor als de redders van Rome omdat ze voor zo veel Nederlandse zoeaven hadden gezorgd.
(12) De Noordbrabanter 15 december 1865.
(13) De Kruisvaan 5 januari 1878. Toespraak ter ere van de viering van het Gouden Bisschopsfeest van Pius IX op 28 juli 1877.
(14) De Noordbrabanter 10 januari 1866; Weekblad van Tilburg 13 en 27 januari 1866.
(15) De Noordbrabanter 15 en 26 januari 1866.
(16) Een speciale rouwpagina was een wel meer voorkomend verschijnsel in de negentiende eeuw dat echter was voorbehouden aan leden van het koningshuis en de hogere geestelijkheid. Slechts bij hoge uitzondering viel een normaal burger deze eer te beurt. Vranckens compagnon en mederedacteur Verschuere was in het
Weekblad van Tilburg van 4 juli 1868 een van de andere.
(17) Pouwelse, 'Kranten in Tilburg', 147 e.v..
(18) Caesario Peters, 'Bartje Luijten', 17-20.
(19) Pouwelse, 'Kranten in Tilburg', 141.
(20) De bijzondere gevallen betreffen Cornelis de Rooij en Carel Hendriks. De op 28 november 1841 in Tilburg geboren Cornelis de Rooij, die vier jaar dienst zou hebben gedaan, is niet in Oudenbosch geregistreerd. Van 30 november 1866 tot 30 mei 1870 moet deze wever in Rome zijn geweest, zoals aangegeven staat in het register van uitgegane personen (GAT).
Het andere geval handelt over de in Zutphen op 4 september 1856 geboren Carel Hendriks. Hij is volgens zijn bidprentje (coll. GAT) op 15 september 1947 als laatste oud-zoeaaf in Tilburg overleden, een bewering die niet erkend wordt. Hendriks is evenmin geregistreerd in Oudenbosch. Bovendien zou hij op dertienjarige leeftijd (!) zoeaaf geweest moeten zijn. Dat hij secretaris is geweest van Fidei et Virtuti maakt hem nog niet tot zoeaaf.
Onduidelijk is het geval Petrus Konicks. Hij wordt in diverse overzichten genoemd als Tilburger. Zie o.a. Arts,
Herinnering, 66
(21) De norm hiervoor is dat men ingeschreven is in het bevolkingsregister (de Burgerlijke Stand). Onderzoeksgegevens verwerkt tot en met 25 september 1996.
(22) Weekblad van Tilburg 10 en 17 maart 1866. Gegevens over de namen van deze groep zijn ontleend aan registratie aanwezig op het Nederlands Zouavenmuseum te
Oudenbosch.
(23) AFT, Kroniek van de fraters jaar 1866, 358-359.
(24) AFT, Dossiers fraters Mauritius Vliegendehond en Fredericus
Versteeg; Archief Bisdom 's-Hertogenbosch, ingekomen brieven Mgr.
Zwijsen, 1866.
(25) Weekblad van Tilburg 10 maart 1866. AFT, Brieven frater Mauritius pauselijk
zouaaf, brief d.d. 20 februari 1866. De brieven zijn soms exact gedateerd, soms is alleen de maand en het jaar aangegeven. Dit had vermoedelijk te maken met het feit dat Mauritius brieven opspaarde tot hij voldoende had om te versturen. De citaten die hierna volgen zijn afkomstig uit de transcriptie van de brieven, die in boekvorm aanwezig is op het archief van de fraters van Tilburg.
(26) Nuyens, Gedenkboek, kaart 240-241.
(27) N.T.Crt. 30 januari 1932, interview met oud-zoeaaf Adriaan Lemmers die verklaart dat Vrancken alles geregeld had. Lemmers (zoeaaf vanaf 23-11-1867) vertelt echter ook via Oudenbosch te zijn gereisd.
(28) Zie de data van inschrijving te Rome in de beide overzichten en de mededelingen in het Weekblad van Tilburg.
(29) Met als belangrijkste bron circa 150 brieven van de zoeaven schreef Th.E.A. Bosman in 1979 (RU Utrecht) een interessante, onuitgegeven scriptie onder de titel 'Ter eere Gods, tot heil van paus en kerk.' Enige aspecten van de Nederlandse zouavenbeweging nader beschouwd. Zowel bij het Zouavenmuseum te Oudenbosch als op het bisschoppelijk archief te 's-Hertogenbosch ligt een exemplaar ter inzage.
(30) Weekblad van Tilburg 22 augustus 1868 59e en laatste brief.
(31) Zie Weekblad van Tilburg jaargangen 1866 tot en met 1870. De gepubliceerde brieven zijn opgenomen in het dossier De Natris dat berust op het GAT.
(32) AFT, Brieven Mauritius, brief april 1866 nr. 6.
(33) Weekblad van Tilburg 17 maart 1866.
(34) AFT, Brieven Mauritius, brieven 22 januari en 19 maart 1867.
(35) AFT, Brieven Mauritius, brieven 13 en 23 april 1867.
(36) Weekblad van Tilburg 30 maart 1867, 23e brief.
(37) Tot nu toe is van het bestaan van andere Tilburgse brieven dan die bij de fraters berusten of in het Weekblad van Tilburg gepubliceerd zijn niets bekend. Mogelijk vertoeven er nog in particulier bezit.
(38) AFT, Brieven Mauritius, 18 augustus 1866.
(39) Weekblad van Tilburg 28 juli 1866.
(40) AFT, Brieven Mauritius, brief 31 maart 1867. De onlangs verschenen studie van rector Peijnenburg over Joannes Zwijsen maakte duidelijk dat dit deel van de correspondentie tussen Mauritius en superior De Beer betrekking had op de moeizame onderhandelingen die Zwijsen met Rome voerde over de erkenning van de regels van de fraters. Zie: J.W.M. Peijnenburg,
Joannes Zwijsen 1794-1877, Tilburg 1996, 122 e.v..
(41) AFT, Brieven Mauritius, brief 4 maart 1866.
(42) AFT, Brieven Mauritius, brief 2 augustus 1866.
(43) AFT, Brieven Mauritius, brief maart 1866.
(44) AFT, Brieven Mauritius, ongedateerde brief eind december 1867.
(45) AFT, Brieven Mauritius, brieven november 1867 en 28 januari 1868.
(46) AFT, Brieven Mauritius, brief 2 maart 1868.
(47) Weekblad van Tilburg 29 februari 1868.
(48) AFT, Correspondentie 1868, brief 22 februari 1868.
(49) In de literatuur over de zoeaven worden deze veldslagen uitvoerig besproken. Zie: Christofoor,
Epos der 3000, 161-182; Nuyens, Gedenkboek, 191 e.v en 282-305; Zaal,
De vuist van de paus, 97-101 en 106-116. Het meest recente werk, dat van Zaal, beziet de veldslagen ook door de Italiaanse bril.
(50) Weekblad van Tilburg 26 oktober 1867.
(51) AFT, Brieven Mauritius, ongedateerd, november 1867, daarbij brief frater Fredericus over de slag te Monte Libretti. Bij deze slag sneuvelde Croné uit Groningen, eveneens afgebeeld op de Romeinse foto op de voorpagina van dit boekje.
(52) AFT, Brieven Mauritius, brief gedateerd 'Mentana november 1867'. Bevat uitvoerig verslag over de slag van
Mentana.
(53) T.Crt. 28 september 1870.
(54) N.T.C. 30 januari 1932; vergelijk met Nuyens, Gedenkboek, 376-377; Christofoor,
Epos der 3000, 218-219.
(55) T.Crt. 5 oktober 1870. Nuyens, Gedenkboek, 373 e.v. verhaalt uitvoerig over de terugreis naar Nederland.
(56) N.T.C. 2 juli 1927.
(57) Van Nispen, Pro Petri Sede, 60-61; Zaal, De vuist van de
paus, 148; Z.O., Ondersteuningsfonds, aanvragen voor ondersteuning.
(58) T.Crt. 18 juni 1896.
(59) T.Crt. 11 en 22 juni 1871.
(60) T.Crt. 7 september 1873 noemt de naam voor het eerst. Bij herdenkingen in 1883 en 1896 wordt naar de oprichting verwezen.
(61) T.Crt. 25 juni 1876. Bij Luijten de uitgever van de Tilburgsche Courant verscheen een brochure met daarin het verslag van het feest.
(62) De Kruisvaan 5 januari 1878.
(63) De Kruisvaan 25 januari 1879; vergelijk met Pouwelse/Puijenbroek, 'kranten in Tilburg', 158. De bron van enigheid tussen Arts en Luijten ligt bij het eerst zelf gaan drukken van de Kruisvaan en dan binnen een paar maanden ook nog eens een krant beginnen.
(64) Terstegge, Monnikenleven, 18-19.
(65) Zie specifieke gegevens in het volgende hoofdstuk.
(66) T.Crt. 13 oktober 1898.
(67) Z.O., Confrèrie du Sacre-Coeur a Basse Motte, Zouaves Neerlandais, Bene Merenti Tilburg. Behalve Verhoeven en Van Duuren zijn al deze mensen als Tilburgs zoeaaf bekend. Christofoor, Epos der 3000, 289 en 293-295; De enige andere aanwijzing voor een tweede zoeavenvereniging komt voor bij Van Nispen,
Pro Petri Sede, 60, die als zoeavenvereniging in Tilburg omstreeks 1870 Bene Merenti noemt.
(68) Staatscourant 19 januari 1886, vereeniging no. 10. Hierin staat ten onrechte de naam Beck in plaats van
Becx.
(69) T.Crt. 7 september 1873.
(70) Verslag feest zoeavencomité, 53-54 noemt een vuurwerk op 21 juni
1876 dat de 'gehele vlakte van Nijveroord verlichtte'.
(71) GAT, kadastrale legger, 8328; GAT, notarieel archief notaris J. van den Mortel 2 juni 1886 nr. 202; P. Westland stelde een dossier samen over het gebouw van Fidei et Virtuti. Niet alle gegevens zijn echter terug te vinden.
(72) T.Crt. 6 en 16 maart 1916.
(73) Er is van dit gebouw geen zogeheten sloopdossier aanwezig, maar uit de kadastrale gegevens is wel af te leiden dat op de plaats van Fidei et Virtuti gebouwen van André van Spaendonck zijn verschenen.
(74) N.T.C. 20 mei 1894; Notulenschrift Fidei et Virtuti 1905-1909 (familie
Becx).
(75) T.Crt. 5 april 1894; N.T.C. 20 mei 1894.
(76) Notulenschrift, verg. 5 augustus 1906.
(77) T.Crt. 18 mei 1876; Adresboeken 1879, 1881, 1889, 1900 en 1902; Van Nispen, 'Zouavenkoor', 16; zie ook Notulenschrift, diverse verg. 1905-1909.
(78) Van Nispen, Pro Petri Sede, 62-63; Zaal, De vuist van de paus, 147-148.
(79) Wagemakers, Buitenstaanders in actie, 92-94.
(80) Notulenschrift, verg. 26 november 1908.
(81) Verreijken, 'Een eeuw gezang', 80-81.
(82) De Kruisvaan 19 januari 1878.
(83) T.Crt. 17 maart 1913; Van Nispen, 'Zouavenkoor', 15-17 vat de verschillende gedenkboeken van St. Caecilia summier samen m.b.t. de relatie met de
zoevenbroederschap.
(84) N.T.C. 25 april 1914; T.Crt. 6 maart 1916.
(85) N.T.C. 7 november 1907 en 5 november 1917. Notulenschrift, verg. 10 november 1907 waarin de klacht voorkomt dat er tegenwoordig zo veel te doen is zodat de sociëteit niet altijd voorop staat. Daarbij verwijst de voorzitter ook naar de dames die ook verplichtingen aangaan waar rekening mee gehouden moet worden.
(86) N.T.C. 24 april 1923.
(87) N.T.C. 5 november 1927.
(88) GAT, doc. zouaven, de Volkskrant 16 october 1937.
(89) Zaal, De vuist van de paus, 150-151.
(90) N.T.C. 23 maart 1932; 22 maart 1938; 3 tot en met 10 juni 1938.
* Henk J.M. van Doremalen (Tilburg, 1952) is werkzaam als free-lance historicus, publicist en (sport)journalist. Zijn specialiteit op historisch gebied is de geschiedenis van Tilburg. Op dit terrein heeft hij talloze publicaties op zijn naam staan. Hij schreef onder meer diverse afleveringen van de succesvolle populair-wetenschappelijke serie Ach Lieve Tijd Tilburg. Hij vormt samen met Ronald Peeters de redactie van het tijdschrift Tilburg en de Tilburgse Historische (bronnen) Reeks. Hij heeft meegewerkt aan een tiental tentoonstellingen op het Nederlands Textielmuseum en het Gemeentearchief Tilburg.




