Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
251. Dood en begraven? 
 

Titel:   

Dood en begraven? 

Ondertitel:   

Een onsmakelijke rel bij een joodse begrafenis in 1886

Auteur:   

Paul van Dun*

Jaargang:   

XI (1993) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

1

Pagina’ s:   

4-13


Samuel Mozes Catz was een in Tilburg woonachtige joodse koopman die op 27 januari 1886 van een reis thuisgekomen op 63-jarige leeftijd overleed. Op zondag 31 januari werd hij begraven. Zijn begrafenis werd door het massaal toegestroomde Tilburgse volk aangegrepen om de orde te verstoren. Naar aanleiding van de ongeregeldheden verscheen er in een aantal kranten een door bisschop Godschalk van 's-Hertogenbosch ondertekende brief. Dit 'herderlijk schrijven' stelde dat ook de joden God op een volwaardige manier dienden en veroordeelde de ongeregeldheden. In dit artikel zal gepoogd worden de rel rond de begrafenis en de nasleep ervan in een breder kader te plaatsen.(1)

Tilburg rond 1886

Tilburg kende in de jaren 60 en 70 van de negentiende eeuw een ware bevolkingsexplosie. Van de 15.854 inwoners op 31 december 1859 groeide het naar 28.989 inwoners op 31 december 1880. Deze bevolkingsgroei kwam voor een groot gedeelte tot stand door een positief migratiesaldo. Na 1880 groeit de bevolking, vooral als gevolg van een geboortenoverschot, met gemiddeld 20% per 10 jaar.(2) De industrie, die verantwoordelijk was voor de bevolkingsgroei, drukte haar stempel op de sociale samenstelling van deze bevolking. Van de mannelijke beroepsbevolking behoorde 73% tot de arbeidersklasse.(3)

De textielindustrie had in de jaren 80 te kampen met een crisis die geleidelijk aan vanaf 1875 was ontstaan. In de periode 1881-1889 nam het aantal textielfabrieken hierdoor af van 145 naar 116. In de fabrieken die bleven draaien, werd in de jaren 80 minder uren gewerkt. Ook de thuiswevers kregen te maken met een gebrek aan werk.(4) Naast het mindere werk verslechterde de situatie voor de arbeiders ook door loonsverlagingen.(5) In een dergelijke situatie kon gemakkelijk onvrede ontstaan. Zo werd in mei en augustus 1884 fabrikant De Rooy door fabrieksarbeiders mishandeld en werden in juni 1885 naar aanleiding van het verminderen van het loon voor de thuiswevers bij fabrikant Mommers in de wijk het Goirke een aantal ruiten ingegooid.(6) De onvrede kon zich ook uiten in opstootjes en relletjes; met name eind september 1885 was het rumoerig in de stad. De Nieuwe Tilburgsche Courant (NTC) van 27 september van dat jaar schreef dat zich sedert een aantal dagen soortgelijke ongeregeldheden als het voorafgaande jaar plaatsvonden. Onder het zingen van het - waarschijnlijk obscene - liedje 'Malbroek'(7) trokken fabrieksjongens door de straten. De Tilburgsche Courant sprak over 'bengels vergezeld van troepen kwajongens'. Bij de burgemeester werd een grote ruit ingegooid. In de krant verschijnt vervolgens een oproep van Burgemeester en Wethouders mee te werken een einde aan de ongeregeldheden te maken. Strenge politiemaatregelen zouden anders niet achterwege kunnen blijven.(8) Tot politie-ingrijpen kwam het inderdaad toen op zondag 27 september andermaal door 'eenige troepjes kwaadwilligen' oploopjes werden gehouden. Door hen werd volgens de NTC de 'Malbroek' weer gezongen en de politie op onuitstaanbare wijze uitgescholden en gesard. Na tweemaal langs het stadhuis te zijn gelopen werden de deelnemers door de politie omsingeld en werden er elf arrestaties verricht. Volgens de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC) zouden er 30 arrestaties zijn verricht en zouden ook argeloze toeschouwers sabelhouwen of stokslagen hebben gekregen. De Tilburgsche Courant sprak dit tegen.(9)
De ongeregeldheden waren voor Burgemeester en Wethouders aanleiding de gemeenteraadsvergadering op 1 oktober 1885 voor te stellen een verordening in het leven te roepen die in geval van oproerige bewegingen, samenscholingen en verstoring van de openbare orde in werking kon worden gesteld. Tijdens de raadsvergadering van 2 december 1885 werd zo'n verordening aangenomen.(10) 

Antisemitisme

Antisemitisme komt voort uit een elementair verschijnsel van groepsbewustzijn. Een 'wij' versus 'zij'. Een dergelijk groepsdenken tendeert altijd naar polarisatie en generalisatie. In het geval van het antisemitisme gaat het dan over het anti-joodse stereotype. Dit te verklaren is geen eenvoudige zaak, zeker niet waar het op zichzelf staande gebeurtenissen betreft. Belangrijk is in ieder geval de vraag hoe joden gezien werden, welke eigenschappen ze collectief toegeschreven kregen.(11) 
Het antisemitisme kent een heel lange geschiedenis. Reeds in de tweede eeuw verschenen er van kerkelijke zijde anti-joodse traktaten waarin de joden als godloochenaars en een inferieur volk werden weggezet. Hier was echter nog geen sprake van antisemitisme, maar van anti-judaïsme. Niet een rasbegrip, maar het religieuze begrip 'Juda' leverde het vijandbeeld. Het was het volk dat Christus had laten kruisigen.

Nadat joden - doordat zij in de loop van de Middeleeuwen uit veel beroepen werden geweerd - gedwongen werden zich op handel en geldzaken toe te leggen, konden stereotiepe etiketjes als sluwheid en gierigheid op hen geplakt worden. Het stereotype werd gelegitimeerd door het anti-judaïsme van de kerk.(12) Het is echter een misvatting dat het anti-judaïsme enkel een zaak was van de katholieke kerk. Zo was Luther ook niet vrij van anti-judaïstische trekken.(13) Met haar principiële gelijkstelling van alle mensen bracht de Franse Revolutie de joden hun bevrijding. Discriminerende bepalingen werden afgeschaft. De negentiende eeuw werd zo de eeuw waarin de joden uit hun eeuwenoude apartheid werden gehaald. Assimilatie met de rest van de bevolking ging nu tot de mogelijkheden behoren, waardoor de idee van een apart joods volk werd aangetast.(14) 

Het eeuwenoude anti-judaïsme en de andere stereotypen verdwenen ondanks verlichting en secularisatie niet. De negentiende eeuw was namelijk ook de eeuw van de opkomst van het modern antisemitisme, waarbij religieuze criteria vervangen werden door criteria van mentale of antropologische aard.(15) Het een en ander neemt niet weg dat de religie een zeer constante component in het antisemitische vijandbeeld bleef. Zo leefde binnen katholieke kringen in de negentiende eeuw nog steeds de opvatting dat de diaspora de collectieve schuld was van de joden wegens de kruisiging.(16) In 1865 bepaalde het Nederlands episcopaat dat het de katholiek verboden diende te worden een synagoge te bezoeken of met joden een bijzondere vriendschap te hebben.(17) Het Nieuw Israëlitisch Weekblad constateerde in 1868 dat de verhoudingen tussen joden en katholieken verslechterden. Niet ten onrechte, want in met name het laatste kwart van de negentiende eeuw was er nauwelijks een katholiek periodiek dat geen antisemitisch vijandbeeld uitdroeg. Religieuze en pseudo-religieuze elementen traden hierbij duidelijk op de voorgrond. Zo zou de Talmud een kwaadaardig en zedenbedervend karakter hebben. Onder andere tot uiting komend in de verplichting niet-joden te bedriegen. Zelfs het toch serieuze katholieke dagblad De Tijd bracht verhalen over rituele moorden die joden volgens Talmudvoorschriften met Pasen op christenkinderen zouden plegen. Schaepman en Aalberse, die rond 1900 tegen de 'bloedbeschuldigingen' protesteerden, werden daarop het slachtoffer van ordinaire scheldpartijen.(18) Ook de Tilburgse kranten, zoals bijvoorbeeld de Nieuwe Tilburgsche Courant, waren niet vrij van (religieus getinte) antisemitische smetten.(19) Daarvan gevrijwaard zijn is een voorwaarde om joden als volkomen gelijkwaardige medeburgers te kunnen bechouwen.(20)

De joodse gemeenschap in Tilburg

De eerste jood die zich eind achttiende eeuw - overigens niet zonder slag of stoot - in Tilburg wist te vestigen was de vleeshouwer Levi David Hartogh uit Oisterwijk. Omdat het Tilburgse plaatselijk bestuur bezwaar maakte tegen zijn vestiging, moest Hartogh eerst in beroep gaan bij de Staten-Generaal om alsnog een vestigingsvergunning voor Tilburg te krijgen. Met de kanttekening dat het niet de bedoeling was dat joodse mensen zich vrij in iedere andere plaats van de Meierij zouden mogen vestigen, beschikten de Staten-Generaal op 5 juli 1767 uiteindelijk ten gunste van Hartogh. Hij kon hierdoor in Tilburg gaan wonen, maar hem werden daarbij wel de restricties opgelegd dat hij noch zijn kinderen armlastig mochten worden, en om in zijn levensonderhoud te voorzien mocht hij enkel de beroepen slager of veehandelaar uitoefenen. 

Rond 1790 kreeg Hartogh andermaal onenigheid met de autoriteiten toen zijn kinderen eigen gezinnen wilden stichten en een van hen een ander beroep dan slager wilde gaan uitoefenen. Uiteindelijk werd het conflict beslecht doordat de Staten-Generaal op 22 maart 1791 bepaalden dat er in Tilburg meer joodse gezinnen toegelaten moesten worden. Voorwaarde was wel dat ze geen concurrentie vormden voor de plaatselijke nering.(21) Met name vanaf het begin van de negentiende eeuw verhuisden meer en meer joden naar Tilburg. De economische ontwikkeling en mogelijkheden die deze plaats bood zullen daarbij ongetwijfeld een grote rol hebben gespeeld. Reeds in 1820 was de Tilburgse joodse gemeenschap groot genoeg en bij machte aan het Piusplein een pand te kopen om als synagoge te dienen.(22)



Het pand in het midden was van 1834-1872 in gebruik als joodse synagoge. Dit gebouw is 
midden jaren zestig gesloopt ten behoeve van de flat aan de Schouwburgring. (coll. RHC Tilburg).

Gedurende de negentiende eeuw was geografische concentratie een belangrijk kenmerk van de demografische ontwikkeling van de joodse bevolkingsgroep in Nederland. Deze concentratie ging vooral richting Noord- en Zuid-Holland. Vooral na 1860 was er sprake van een forse joodse migratie naar Amsterdam. De provincies Noord- en Zuid-Holland herbergden voor de Eerste Wereldoorlag bijna 80% van deze bevolkingsgroep.(23) Daarnaast nam tussen 1840 en 1880 het aantal joden ook toe in die provinciale steden waar een krachtige industrialisatie in met name de textielindustrie plaatsvond. De Vries noemt in dit kader een aantal Twentse steden en onder andere Eindhoven en Tilburg.(24) Voor zover bekend groeide de Tilburgse joodse bevolkingsgoep in deze periode het sterkst van 1866 tot 1877. In deze jaren werd een groeipercentage van 44,2 gehaald (van 95 naar 137). De totale Tilburgse bevolking kende in deze jaren een groei van 41,5% (van 18.449 naar 26.103). Na 1876 is de sterke groei er waarschijnlijk uit gegaan waardoor het aantal joodse inwoners op ongeveer het niveau van 1876 bleef steken.(25) 

Voor zover ons bekend is, woonden er op 1 januari 1886 in Tilburg 135 joodse mensen, 0,43% van de totale bevolking.(26) Zij waren verdeeld over 28 huishoudens waar in 24 gevallen een man aan het hoofd stond. Van de 135 personen waren er 64 (± 47,5%) van het mannelijk geslacht. Van deze 64 mannen waren er 44 volwassen. Bij de 71 vrouwen lag dat aantal op 45. 
Van de 135 Tilburgse joden waren er 78 (57,8%) in Tilburg geboren.(27) Van de 57 niet in Tilburg geborenen zagen er overigens 25 (18,5%) elders in Brabant het levenslicht. Zeventien van de buiten Tilburg geborenen (29,8%) woonden voor 1860 reeds in Tilburg. Elf (19,3%) hadden zich voor 1870, maar na 1860 en zeventien (29,8%) voor 1880, maar na 1870 in de stad gevestigd. De overige twaalf (21,1%) deden dat pas na 1880. Op een fractie na was dus de helft (49,1%) van de elders geboren Tilburgse joden voor 1870 in Tilburg woonachtig. 

Vergeleken met de totale Tilburgse bevolking, waarvan in 1889 74% in Tilburg was geboren en 18% elders in Brabant, was het karakter van de joodse groep minder autochtoon.(28) Immers, slechts 57,8% van hen was in Tilburg geboren. Toch moet de groep gezien het feit dat in totaal 76,3% ervan in Brabant geboren was geen volstrekt vreemde eend in de Tilburgse bijt zijn geweest. Daarbij zal ook de relatief lange tijd dat een groot deel van de nieuwkomers al in de stad woonde hen redelijk ingeburgerd hebben.
Van 43 personen (36 mannen en 7 vrouwen) is een beroep bekend. In 18 gevallen (41,9%) valt het beroep te rangschikken onder de rubriek handel, 16 beroepen (37,2%) onder de rubriek ambacht, 3 beroepen (7%) onder de rubriek industrie en nijverheid en 6 beroepen (13,9%) onder de categorie overigen.(29) Bij deze verdeling dient in ogenschouw genomen te worden dat de groep handelaren feitelijk groter was dan de genoemde 41,9%; dit als gevolg van de omstandigheid dat de categorie 'ambacht' voor 14/16 uit slagers bestond. Een aantal van hen zal niet in loondienst geweest zijn, maar zelfstandig een vleeshandel of slagerswinkel hebben gehad. Waarschijnlijk gold dit in ieder geval voor acht van hen.(30) Het aandeel van de categorie handel komt daarmee feitelijk op 60,5%.

Dit beroepsbeeld wijkt fors af van het beeld dat de totale Tilburgse beroepsbevolking te zien gaf. Volgens een beroepentelling uit 1899 werkte daarvan toen 70,3% in de nijverheid. Slechts 12,2% van de totale beroepsbevolking was werkzaam in de handel.(31)
Wanneer we Tilburgse joden gaan indelen in inkomensklassen, dan zijn 8 (28,6%) van de 28 huishoudens te plaatsen in de klasse van meer dan f 2.000 geschat inkomen per jaar. In de inkomenscategorie tussen de f 1.200 en f 2.000 valt dan één huishouden (3,5%) te plaatsen, terwijl wederom acht huishoudens een geschat inkomen tussen de f 800 en f 1.200 genoten. In drie gevallen (10,7%) verdiende men tussen de f 400 en de f 800 per jaar. Acht joodse huishoudens ten slotte moesten het met minder dan f 400 per jaar stellen.(32) Hun inkomen kwam ongeveer overeen met dat van de gemiddelde Tilburgse fabrieksarbeider. Met een inkomen van f 8.000 was Mozes Deen de rijkste jood van Tilburg. De familie Deen bezat een katoenfabriek - met in de jaren 70 zo'n 50 werknemers - die een crisis in de katoenindustrie niet overleefde en daarom in 1876 werd gesloten.(33) Na Deen komen onder anderen de slager David Gersons, de koopman in huiden Michel de Haas en de weduwe Catz met allemaal een geschat inkomen van f 3.500. Van de minderbedeelden onder de joodse inwoners van Tilburg werden er door het Israëlitisch armbestuur in 1886 het gehele jaar door drie gezinshoofden samen met f 30 bedeeld.(34) 

Samenvattend kunnen we stellen dat het grootste deel van de joodse Tilburgers in de jaren 80 van de vorige eeuw wat betreft hun beroep en sociale status belangrijk verschilden van het grootste deel van de totale Tilburgse bevolking, de arbeidersklasse. Het enige echter dat hen wezenlijk deed verschillen van vrijwel de totale Tilburgse bevolking was hun geloof. Maar dat gold ook voor de ca. 2% protestanten die de stad toentertijd bevolkten.(35)

Samuel Catz

Samuel Moses Catz werd in november 1822 in Besoyen bij Waalwijk geboren als zoon van Rosetta Sara Samuel van Son en de koopman Moses Salomon Catz.(36) Het gezin vestigde zich in 1826 definitief in Tilburg, waar het ging wonen in de wijk Veldhoven. Moeder Catz baarde in totaal dertien kinderen, waaronder een tweeling en een drieling. De geboorte van de drieling was voor de Tilburger Jan Baptist de Beer kennelijk zo bijzonder dat hij er een aantekening van maakte in zijn dagboek: '1835, op den 9. mei verloste zeer voorspoedig van twee zoontjes en een dogter alhier (...) een jodin genaamd Sara van Zon, huisvrouw van Kats. Zij heeft vroeger in een kraming meermaals 2 kinderen ter wereld gebracht.'(37) Zeven van de dertien kinderen overleden voor het derde levensjaar.(38) Vader Catz stierf in 1841 op 42-jarige leeftijd.(39)



Uiterst rechts het pand van de firma Catz in de Zomerstraat (thans Heuvelstraat 
120-122). Foto ca. 1900. (coll. RHC Tilburg).

Samuel huwde op 3 juli 1854 in het Duitse Krefeld de aldaar op 3 januari 1825 geboren Wilhelmina Michels. Het echtpaar zou twee dochters en drie zonen krijgen. De eerstgeborene, Maurits, zou reeds in zijn eerste levensjaar overlijden.
Binnen de Tilburgse joodse geloofsgemeenschap bekleedde Samuel vanaf de jaren 50 diverse functies. In 1871 was hij lid van het kerkbestuur in de functies van penningmeester en schoolbestuurder. Als penningmeester was hij nauw betrokken bij de bouw en financiering van de synagoge in de Willem II-straat. Krap twee maanden na de mede door hem georganiseerde inwijding van deze synagoge diende Samuel op 11 oktober 1874 zijn ontslag in als lid van het kerkbestuur.(40) In 1865 staat Samuel in het adresboek als handelaar in manufacturen, terwijl hij ook met zijn broer Joseph Moses (1825 - 1881) bekend stond als commissionairs in wol.(41) Hun firmanaam was 'Gebroeders Catz'.

In 1856 koopt Samuel een pand aan de Zomerstraat van koopman Henri van der Voort.(42) In het pand zou de manufacturenhandel gevestigd worden. Na het overlijden van Samuels broer en compagnon Joseph wordt zijn jongste zoon, Mozes Salomon (1860), procuratiehouder bij de firma Gebr. Catz. De firmanaam blijft bestaan, ook na het overlijden van Samuel zelf, wanneer de firma door zijn vrouw en zoon wordt voortgezet.(43) Door het in 1891 op 31-jarige leeftijd overlijden van Mozes komt aan deze samenwerking een einde en besluit de rest van de familie de zaak van de hand te doen. In de zomer van 1891 werd het pand inclusief inboedel door notaris Daamen publiekelijk geveild.(44) Moeder Wilhelmina en dochter Clara verruilen Tilburg op 1 augustus 1896 voor Middelburg.

De begrafenis

Binnen de joodse opvattingen geldt het deelnemen aan een lijkstoet als een bewijs van grote eer aan de dode.(45) Dit had ook moeten gebeuren in Tilburg op zondag 31 januari 1886, toen Samuel Catz daar begraven werd. In groten getale waren hiertoe mensen verzameld voor het huis van de man, die naar de kranten schreven alom was geacht. Om elf uur in de ochtend zou worden begonnen met de begrafenisstoet naar de joodse begraafplaats buiten de bebouwde kom aan de Bredaseweg. Niet alleen deelnemers aan de begrafenis, maar ook veel nieuwsgierigen waren reeds vroeg in de Zomerstraat aanwezig. Over de samenstelling van deze nieuwsgierigen schreef de NRC dat het meest jongens waren.(46) 



Advertenties uit de Tilburgsche Courant van 31 januari 1886. 
(coll. RHC Tilburg).

De politie zou hebben getracht hen te verspreiden. Ook langs de route naa de begraafplaats stonden veel nieuwsgierigen te kijken. De stoet bestond uit een veertiental rijtuigen waarachter vele voetgangers. Onder de deelnemers van de lijkstoet bevonden zich ook katholieke en protestantse deelnemers. Naast de oprechte deelnemers zijn ook een aantal van de nieuwsgierigen meegetrokken. De NRC noemde hen een 'woesten troep'. Een aantal van hen zou - tot groot vermaak van de anderen - spotliederen op de joden hebben gezongen.(47) Onderweg naar de begraafplaats hebben zich waarschijnlijk mensen die in de cafés zaten te drinken bij de relbelusten aangesloten.(48) In totaal zouden er volgens de NRC honderden rustverstoorders zijn geweest.(49) Bij de begraafplaats aangekomen zouden er richting de lijkkist - nadat deze te voorschijn was gehaald - scheldwoorden zijn geuit en projectielen zijn geworpen. De politie was tegen de meute machteloos. Wel wist zij de begraafplaats af te sluiten, maar dat bleek spoedig overbodig. Het volk dat niet op de begraafplaats gewenst was, beklom namelijk de omheining waarop deze instortte.(50) Op de begraafplaats spraken de leraar van de joodse gemeente in Tilburg, S. Kolthoff, en B. Frank van Zutfen, waarna de begrafenis was beëindigd.(51) 
Tegen een aantal ordeverstoorders is door de politie een proces-verbaal opgemaakt.(52) De plaatselijke overheid heeft naar aanleiding van de ongeregeldheden besloten om in het vervolg joodse begrafenissen te escorteren door een tweetal politieagenten. Tot de Tweede Wereldoorlog toe heeft men dit volgehouden.(53)

Reacties

In verschillende kranten kwam de onrust bij de begrafenis ter sprake. De eerste krant die over de ongeregeldheden berichtte, was de NRC van 2 februari. In het beeld dat deze krant schetste, was er sprake van een zeer ernstige verstoring van de openbare orde, waartegen de politie machteloos was. Met name bij de begraafplaats zouden er ernstige misdragingen zijn geweest zoals het omverhalen van de omheining en het gooien met takken en kluiten aarde naar de lijkkist. De krant zag de intolerante houding van de bevolking als oorzaak van de gebeurtenissen: 'Het fanatieke gepeupel onzer stad heeft namelijk deze gelegenheid te baat genomen om zijnen godsdiensthaat en spotlust bot te vieren.'(54)



Het eerste bericht over de rel in de Tilburgsche Courant van 4 februari 
1886. (coll. RHC Tilburg).

Dat er ernstige ongeregeldheden waren geweest, werd door de Tilburgsche Courant die op 4 februari verscheen niet tegengesproken. Deze krant sprak over 'hoogst oneerbiedwaardig gedrag van een troep volks die zich de toegang wilde verschaffen tot de begraafplaats'. Ook volgens deze krant was de politie machteloos iets tegen het 'schuim' uit te richten. De krant hoopte dat dergelijke 'schandelijke tooneelen' zich niet meer zouden herhalen.(55)

De NTC kwam met haar berichtgeving op 7 februari. De krant sprak over 'ongeregeldheden welke door ieder rechtgeaard Tilburger ten zeerste worden betreurd'. De krant had het erover dat het in de stad en langs de begrafenisroute wat rumoerig was. De honderden die langs de afrastering bij de begraafplaats aanwezig waren, waren volgens de krant nieuwsgierig naar de wijze waarop er begraven zou worden. Dat er ongeregeldheden ontstonden, was volgens de krant een gevolg van het feit dat er zich onder de aanwezigen een aantal 'kwaadwilligen uit de heffe des volks' bevond. Ook de NTC vermeldde dat deelnemers werden uitgescholden en dat er met takken en kluiten aarde gegooid is. In tegenstelling tot de twee eerder genoemde kranten nam de NTC een andere stelling in over de slagvaardigheid van de politie. Volgens de krant wisten de drie aanwezige politieagenten - met behulp van hun wapenstokken en een fikse regenbui waardoor de menigte naar de dichtstbijzijnde herberg vluchtte - erger te voorkomen. De krant sprak de hoop uit dat degenen die de begrafenis zo 'schandelijk verstoorden' hun verdiende straf zouden ondergaan.(56)

Na dit feitelijk verslag kwam de NTC met een exacte weergave van wat er in de NRC van 2 februari had gestaan. De redactie stelde in een commentaar hierop zeer verontwaardigd te zijn over het feit dat de NRC-redacteur de gebeurtenissen zag als een gevolg van godsdiensthaat. Om dit te weerleggen nam de NTC een ingezonden brief die al eerder in de NRC van 4 februari had gestaan integraal in haar kolommen op. De brief was geschreven door de 36-jarige in Schiedam geboren, maar in Tilburg woonachtige Jozef Kaltner. Kaltner was katholiek, maar had waarschijnlijk een goede verstandhouding met de ongeveer even oude joodse koopman Barend Polak. Deze woonde van 1878 tot 1882 bij hem in huis.(57)
Kaltner ontkende in zijn schrijven niet dat er wanordelijkheden waren, maar wilde deze niet toeschrijven aan godsdiensthaat. Ook protesteerde hij tegen de insinuatie dat zo ongeveer de totale Tilburgse bevolking voor het voorgevallene aansprakelijk zou zijn. In zijn versie van de gebeurtenissen ontstonden de ongeregeldheden pas bij de begraafplaats. Volgens hem was overmatig drankgebruik mogelijk verantwoordelijk voor het gedrag van een aantal van de rustverstoorders. Kaltner prees in zijn schrijven Catz als een bemind en rechtschapen man.(58)



Dankbetuiging van de familie in de Tilburgsche 
Courant van 7 maart 1886. (coll. RHC Tilburg).

Het landelijke katholieke dagblad De Tijd schreef vooral een reactie op de NRC. De Tijd stelde niet verbaasd te zijn dat de NRC haar beschuldigende vinger richting de 'onverdraagzaamheid der ultramontaansche bevolking' wees. Maar ieder die het Zuiden kende, wist dat dit een loze beschuldiging was. Ook De Tijd drukte Kaltners brief integraal af.(59)
Opvallend is dat het Weekblad voor Israëlitische Huisgezinnen schrijft alsof er niets aan de hand is geweest. Het nummer van dit periodiek, dat op vrijdag 5 februari verscheen, lijkt vooral onrust onder haar lezers te willen wegnemen. Er werd gerefereerd aan het NRC-bericht als een bericht dat iedere weldenkende met ontzetting zou hebben vervuld. Van geloofwaardige kant zou het blad echter gehoord hebben dat het NRC-bericht onjuist was. Er zouden enkel veel nieuwsgierigen zijn geweest die bij de begraafplaats - 'in de veronderstelling dat daar (..) iets vreemds zoude te zien zijn' - op de omheining waren geklommen. Deze stortte hierdoor in. Het blad stelde de wanorde niet te prijzen, maar vergoelijkte het gedrag door te stellen dat het in Tilburg geen alledaags schouwspel was dat de begrafenis van een eenvoudig persoon door honderden belangstellenden werd bijgewoond.(60) 
Gezien het feit dat het weekblad de onrust onder zijn lezers wilde wegnemen, is de wijze waarop een gefingeerd 'herderlijk schrijven'(61) van de Bossche bisschop aan de Tilburgse deken opgenomen is, nogal vreemd. Bisschop Godschalk schreef hierin namelijk dat er bij Catz' begrafenis met stenen gegooid was. Dit werd niet tegengesproken. Wel stelde de redactie in een drieregelig commentaar over de rest van de inhoud dat die te mooi was om waar te zijn. Over het al dan niet gefingeerd zijn van de brief wenste ze geen oordeel te vellen.(62)

Het herderlijk schrijven

De brief van Godschalk verscheen voor het eerst in het in Roermond door Jos Raemaekers uitgegeven weekblad De Volksvriend. Na het gebeurde te hebben geschetst meldde dit blad dat de bisschop er aanleiding in had gezien een brief aan de deken van Tilburg te zenden. In de brief stelde de bisschop dat de ongeregeldheden hem gegriefd hadden. De ongeregeldheden zouden enkel zijn gepleegd omdat de overledene het geloof had dat Jezus tijdens zijn leven beleed. Nog erger vond hij dat omdat 'die ergerlijke daden (...) zijn bedreven (...) uitsluitend door oud-leerlingen en leerlingen der Broeder- en Zusterscholen in Tilburg'. De onderwijzers zouden er beter aan doen de werkelijke verdraagzaamheid - zoals Jezus die onderwezen had - aan hun leerlingen over te brengen. Indachtig het evangelie stelde de brief dat enkel hij die zonder zonde is de eerste steen mocht werpen: 'En toch hebben bij honderden zich vermeten steenen te werpen naar het lijk van een man, wiens schoenen zij zeer zeker niet waard waren te mogen binden; (...) die bij zijn leven zóó hoog stond dat hùn vuil hem niet kon bereiken.'

Om vergiffenis af te smeken voor het 'door een groot getal uwer parochianen veroorzaakte leed aan eene achtenswaardige Israëlitische familie' stelde Godschalk voor om op zondag 13 februari een algemene bede- en verzoendag in te stellen. De brief eindigde met de aanmaning dat alle geestelijken de kinderen in het vervolg goed moesten onderwijzen dat: 'alle menschen zijn kinderen van denzelfden God; dat het Gode onverschillig is op welke wijze hij wordt vereerd; dat geen menschenkind het recht heeft zijne wijze van vereering de eenig ware te noemen (...)' De kern van alle godsdienst zou opgesloten liggen in de woorden 'bemint elkander'.(63)

Verschillende kranten namen de brief (integraal) in hun kolommen op. Het Weekblad voor Israëlitische Huisgezinnen is al genoemd. Verder verdienen nog vermelding het Twentsch Zondagsblad en het Centraal Blad voor de Israëlieten.(64) Daarnaast verdient het apart vermelding dat de brief ook een aantal Duitse kranten heeft gehaald. De eerste Duitse krant waarin de brief werd afgedrukt, was de Allgemeine Zeitung des Judenthums van 9 maart 1886. Het blad had 'dieses merkwürdige und sehr erfreuliche Schreiben' uit het Twentsch Zondagsblad. De tekst was integraal vertaald afgedrukt.(65) Hierop volgde in verschillende andere Duitse kranten het overnemen van de brief, onder andere in de Heiligenstädter Zeitung und Dingelstädter Anzeiger. Omdat men toch twijfelde aan de echtheid van het 'herderlijk schrijven', verzocht redacteur Chr. Bertram op 21 april 1886 om nadere inlichtingen bij Godschalk. Bertram was vooral bezorgd vanwege een mogelijke aantasting van de katholieke godsdienst door de brief. Vervolgens kon de krant in haar nummer van 1 mei 1886 een verklaring van Godschalk afdrukken dat de brief van A tot Z verzonnen was.(66) Eerder verscheen deze verklaring op 24 februari in onder andere De Maasbode.(67) Godschalk kreeg overigens nog meer bezorgde brieven uit Duitsland. Vooral de laatste zinsnede over de gelijke waarde van iedere godsdienst maakte hen bezorgd en die wilden ze graag uitgelegd zien.(68)

Afsluiting van het 'herderlijk schrijven', vermoedelijk uit De
Roermondsche Volksvriend.

In Nederland fulmineerde vooral De Tijd nogal tegen de domheid van de bladen die het 'ondergeschoven stuk van den Roermondschen Volksvriend' hadden geplaatst. De Roermondsche Volksvriend, 'een schendblad in den regel te vies om het zelfs met handschoenen aan te vatten en waarvan de naam door de katholieke bladen in den regel niet genoemd wordt', zou met de brief enkel zijn eigen godsdiensthaat hebben willen dienen. Bladen die een stuk als de gefingeerde brief afdrukken, waren volgens De Tijd geen betrouwbare gids voor katholieken.(69) Twijfels bij de echtheid had een briefschrijver aan het socialistische blad Recht voor Allen heel duidelijk. Over de zinsnede dat het God onverschillig is hoe de godsdienst wordt beleden, schreef hij: 'als dat zoo is dan spelen alle sekten voor Jan Klaasen.'(70) 
Het Twentsch Zondagblad verontschuldigde zich in het eerstvolgende blad dat verscheen na het afdrukken van het 'herderlijk schrijven' bij zijn lezers dat het de brief te klakkeloos en zonder nadenken had geplaatst. In het daarop volgend nummer kwam het met een uitgebreide verklaring. Hierin stelde de redactie schromelijk gedwaald te hebben.(71)



Eerste verontschuldiging van de redactie van het 
Twentsch Zondagsblad in hun nummer van 21 
februari 1886, voor het plaatsen van het 'herderlijk 
schrijven'. 

Slotbeschouwing

Er is zondag 31 januari 1886 meer aan de hand geweest dan het Weekblad voor Israëlitische Huisgezinnen haar lezers wilde doen geloven. Dit blijkt onder andere uit de berichtgeving in de NRC, de NTC en de Tilburgsche Courant en het zonder commentaar in het Weekblad voor Israëlitische Huisgezinnen afdrukken van Godschalks 'herderlijk schrijven' met passage over de gegooide stenen. Waarschijnlijk zijn er inderdaad projectielen gegooid en antisemitische uitingen geweest. Ook de politiemaatregelen bij volgende joodse begrafenissen en bevestigen dit.
De gebeurtenissen hebben diepe wonden achtergelaten bij de joodse gemeenschap in Tilburg. Intolerante stadgenoten hebben daar een zeer emotionele en op religieus gebied belangrijke gebeurtenis - een begrafenis - van een minderheid met afwijkende religieuze riten wreed verstoord. Op zondag 23 mei 1886 was er binnen de joodse gemeenschap een huwelijk. Uit angst voor verstoring door het Tilburgse volk werd dit niet in de synagoge gevierd. In een discussie over de synagogale liturgie, die naar aanleiding van de kwestie in het genoemd joods weekblad werd gestart, komt de begrafenis van Catz weer ter sprake. H. Hartog stelt hier dan met kracht dat hij daarover liever over wil zwijgen 'om niet aan dien treurigen slag te herinneren'. Hartog stelde wel weer dat de berichten over de dag overdreven waren. In het volgende nummer stond een ingezonden stuk van S. Kolthoff, de leraar van de joodse gemeente in Tilburg. Hij stelde dat het kerkbestuur met het oog op de nodige politie, talrijk gepeupel, uitjouwingen en oploopjes er goed aan had gedaan de huwelijksinzegening niet in de synagoge te houden. Omdat zo blasfemie voorkomen werd, kwam het kerkbestuur alle lof toe.(72)



Uit 'Weekblad voor Israëlitische Huisgezinnen', 18 juni 1886.

Voor het ontstaan van het anti-joodse stereotype en jodenhaat moet een aantal voorwaarden aanwezig zijn. Joden moeten gestigmatiseerd zijn en er moet een duidelijke sociale afstand zijn tussen de discriminant en de gediscrimineerde.(73)
In ons onderhavige geval was heel duidelijk sprake van een sociale afstand tussen deze twee. De discriminanten waren - afgaande op de kranteberichten - overwegend uit de arbeidersklasse afkomstig. De gediscrimineerden - de joodse Tilburgers - waren sociaal gezien overwegend beter gesitueerd, waardoor er inderdaad van een grote sociale afstand sprake zal zijn geweest. Van stigmatisering was ook sprake. In onder andere de NTC gebeurde dat. Ook zal het anti-judaïsme van de RK kerk op de overwegend katholieke Tilburgse bevolking zijn uitwerking niet hebben gemist. De bepaling van het episcopaat uit 1865 zal vooroordelen tegengaande interactie tussen joden en katholieken niet bepaald bevorderd hebben. Daarnaast voldeed de joodse Tilburger aan allerlei stereotiepe voorstellingen over joden. Een groot percentage van hen hield zich bezig met de handel. Dit zal een belangrijke invloed hebben gehad op de wijze waarop de Tilburgse bevolking hen bekeek. De slechte economische situatie en onrustige sfeer die al geruime tijd in de stad heersten, zullen er ongetwijfeld toe hebben bijgedragen dat de rel ontstond, maar zijn geen afdoende verklaring.
Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of de rel een geïsoleerd incident was, of dat er sprake was van structureel antisemitisme. Ook de achtergronden daarvan zouden in dat onderzoek aan de orde moeten komen.


Noten

(1) Van grote waarde voor mij was de hulp die ik kreeg bij het doorspitten van het bevolkingsregister en het secretarie-archief van Gerrit Kobes, medewerker van het Gemeentearchief van Tilburg. Daarnaast was hij behulpzaam bij het uitzoeken van een aantal genealogische gegevens betreffende de familie Catz. Ook ben ik dank verschuldigd aan mijn oudste broer, drs. Th. van Dun, voor het vertalen van een aantal Hebreeuwse zinsneden die voorkwamen in een van de door mij voor dit artikel gebruikte bronnen.
(2) Vgl. C.A.M.M. van de Put, Volksleven in Tilburg rond 1900, (dissertatie KUN) (Assen, 1971), bijlage 1 en 2, blz. 218-223.
(3) J. Giele, Een kwaad leven, heruitgave van de arbeidsenquête van 1887, deel 3. Inleiding op Tilburg blz. IV.
Genoemd percentage geldt voor 1889. Voor 1886 zijn mij geen exacte percentages bekend.
(4) Vgl. o.a. P.J.M. van Gorp, Tilburg eens de wolstad van Nederland. Bloei en ondergang van de Tilburgse wollenstoffenindustrie, (Eindhoven, 1987), blz. 138 en diverse jaarverslagen van de Kamer van Koophandel (opgenomen in de gemeenteverslagen van de stad Tilburg).
(5) Zie o.a. H. van Doremalen, 'Tilburg en de arbeidsenquête van 1887, achtergronden en kanttekeningen', in: De Lindeboom, jaarboek VII, (Tilburg, 1983), blz. 77-79. 
(6) Vgl. Nieuwe Tilburgsche Courant (NTC) van 21-6-1885 en het archief van de politie Tilburg (Gemeentearchief Tilburg; verder als GAT). Dagboek politiepost 't Goirke.
(7) De tekst van het liedje is mij onbekend. Dat het waarschijnlijk een obsceen liedje betreft, is te herleiden uit het verhoor van de Tilburgse hoofdagent - M. van Lierop - in het kader van de arbeidsenquête van 1887. Van Lierop noemde een liedje over een meisje met drie vrijers als aanleiding tot oploopjes. Zie Giele, Een kwaad leven, de Tilburgse verhoren, vraag 10223.
(8) Vgl. NTC van 27-9-1885 en Tilburgsche Courant (TC) van 27-9-1885.
(9) Zie Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC) van 29-9-1885 (Aanwezig KB Den Haag) en de TC van 1-10-1885.
(10) GAT, Notulen van de vergaderingen van de gemeenteraad van Tilburg gehouden op 1-10-1885 en 2-12-1885.
(11) Vgl. D. van Arkel, 'De groei van het anti-joodse stereotype. Een poging tot een hypothetisch-deductieve werkwijze in historisch onderzoek', in: Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, jrg. 10, nr. 33, blz. 34-70; D. van Arkel, 'Historisch racisme onderzoek: achtergronden, benaderingen, problemen', in: Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, jrg. 10, nr. 36, blz. 438-462; H.W. von der Dunk, Voorbij de verboden drempel, De Shoah in ons geschiedbeeld, (Amsterdam, 1990), blz. 44 en P. Vries, 'De hypothetisch-deductieve benadering toegepast in de geschiedbeoefening. Een methodologische analyse van het werk van Dik van Arkel', in: H. Diederiks en Chr. Quispel ed. Onderscheid en minderheid, sociaal-historische opstellen over discriminatie en vooroordeel, (Hilversum, 1987), blz. 25-60.
(12) Von der Dunk, Voorbij de verboden drempel, blz. 49-55.
(13) Idem, blz. 68.
(14) Idem, blz. 79-81.
(15) Idem, blz. 86-88.
(16) J. Ramakers, 'Godsmoordenaars en Addergebroed, Het antisemitische vijandbeeld bij de Nederlandse katholieken in de negeniende eeuw' in: H. Righart ed., De zachte kant van de politiek, opstellen over politieke cultuur, (Den Haag, 1990), blz. 89.
(17) M.W. Prins-Afman, Tegen de verdrukking in, Joden in oostelijk Noord-Brabant 1796-1910, Ongepubliceerde doctoraalscriptie R.U.Utrecht, (Vught, 1990), blz. 117-118.
(18) Ramakers, 'Godsmoordenaars', blz 91-96.
(19) Vgl. W.J. Pouwelse en F.J.M. van Puijenbroek, 'Kranten in Tilburg' in: De Lindeboom, jaarboek III-IV, (Tilburg, 1980), blz. 123-210. Dit antisemitisme was niet enkel religieus getint zoals Pouwelse en Van Puijenbroek schrijven (blz. 167). Ook werden aan joden duidelijk raciaal bepaalde eigenschappen toegekend. Zie bijv. de NTC van 12-10-1901. In dit nummer worden joden weggezet als koele rationalisten die er weinig principes op nahouden.
(20) Prins-Afman trekt om ongeveer soortgelijke redenen de conclusie dat joden in oostelijk Noord-Brabant aan het einde van de negentiende eeuw nog steeds niet als gelijkwaardige medeburgers werden beschouwd. Zie Prins-Afman, Tegen de verdrukking in, blz. 127.
(21) C. Reijnders, Van "Joodsche natiën" tot joodse Nederlanders, een onderzoek naar getto en assimilatieverschijnselen tussen 1600 en 1942, Dissertatie R.U.Utrecht, (Amsterdam, 1969), blz 67-68; Prins-Afman, Tegen de verdrukking in, blz. 27; J. Michman, H. Beem en D. Michman, Pinkas, Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland, (Ede/Antwerpen, 1992), blz. 535-536.
(22) Michman, e.a., Pinkas, blz. 536.
(23) Vgl. H. Knippenberg, De Religieuze Kaart van Nederland, Omvang en geografische spreiding van de godsdienstige gezindten vanaf de Reformatie tot heden, (Assen/Maastricht, 1992), blz. 204-210 en B.W. de Vries, From Pedlars to Textile Barons, the economic development of a Jewish minority group in the Netherlands, (Amsterdam/New York/Oxford/Tokyo, 1989), blz. 105.
(24) De Vries, Pedlars, blz. 105 en 152-153. In Twente speelden de joden een belangrijke rol in de textielindustrie, in Tilburg was dat veel minder het geval. Volgens De Vries is dit een gevolg van het feit dat de textielindustrie al een voldoende niveau van ontwikkeling had behaald vóór de komst en integratie van de joden ter plaatse, waardoor er voor hen te weinig ruimte was om nog een substantiële rol te kunnen spelen.
(25) GAT, Secretariearchief 1810-1907, inv. nrs. 2487 en 2488 en het Bevolkingsregister 1880-1890. Zie ook J. Stoutenbeek, Een demografische beschrijving van de joden in Nederland, in: De Mediene, de geschiedenis van het joodse leven in de Nederlandse provincie, (Amsterdam, 1984), blz. 28 en Prins-Afman, Tegen de verdrukking in, blz. 147.
Na 1876 wordt geen uitsplitsing naar godsdienst in de gemeentelijke bevolkingsstatistieken meer gegeven. De conclusie dat de sterke groei er na 1876 uit moet zijn gegaan, is daarom slechts een vooronderstelling. Waarschijnlijk is er na 1876 zelfs sprake geweest van eerst een lichte daling waarna ergens in de jaren 80 het aantal weer is gaan stijgen. Op basis van de volkstelling van 1879 komt Prins-Afman voor dat jaar op een aantal van 133. Volgens Stoutenbeek moeten er in 1889 153 joden in Tilburg hebben gewoond. Op basis van het bevolkingsregister 1880-1890 heb ik 135 joodse mensen kunnen opsporen die op 1 januari 1886 in Tilburg woonden (stand totale bevolking op 31-12-1885: 31424 inw.).
(26) Bij het zoeken naar gegevens over de samenstelling en herkomst van de joodse bevolkingsgroep in Tilburg op 1 januari 1886 hebben wij gebruik gemaakt van de bevolkingsregisters van de gemeente Tilburg over de periodes 1860-1870, 1870-1880 en 1880-1890. Wat betreft de beroepsactiviteit geeft het bevolkingsregister niet het meest accurate beeld. Dit is een gevolg van het feit dat de registratie van de beroepsactiviteit bij het overbrengen naar de nieuwe registers bij aanvang van een volgende tienjarige periode niet werd geactualiseerd. Daarnaast werd in een groot aantal gevallen enkel het beroep van het gezinshoofd gegeven. Zie ook Janssens, A.A.P.O., Family and social change, the household in an industrializing context, Tilburg 1840-1920, ongepubliceerd proefschrift K.U.Nijmegen, (Nijmegen, 1991), blz. 43.
(27) Van deze 57 (52 volwassenen en 5 kinderen) werden er 25 (43,9%) weliswaar buiten Tilburg, maar toch in de provincie Brabant geboren.
(28) 1889 was het dichtstbij liggende jaar waarmee een vergelijking mogelijk was. De gegevens betreffende de stand van de totale Tilburgse bevolking in dat jaar zijn ontleend aan A. Wagemakers, Buitenstaanders in actie, socialisten en neutraal georganiseerden in confrontatie met de gesloten Tilburgse samenleving, 1888-1919, (Tilburg, 1990), blz. 15. Zie ook Giele, Een kwaad leven, inleiding Tilburg blz. III.
(29) Twee van de zeven vrouwen waarvan het beroep bekend is, vallen onder de rubriek handel, twee onder de rubriek ambacht (een slager en een kunstsmid) en drie (waarvan een nog minderjarig) waren inwonende dienstbodes en zijn gerubriceerd onder 'overigen'. Van de drie mannen wier beroep onder 'overigen' is gerubriceerd, waren er twee - godsdienstig - leraar en een bediende.
(30) Het hier gehanteerde criterium is het door de raad geschatte inkomen van de betrokken personen. Daarnaast was bij een aantal van hen in het bevolkingsregister - over de periode 1880-1889 of een eerdere periode - naast de aanduiding slager of slachter ook vermeld 'koopman'.
(31) Wagemakers, Buitenstaanders, blz. 17.
(32) GAT, Secretarie-archief 1810-1907, inv. nrs. 2603 en 2604, Kohieren van de hoofdelijke omslag over 1886. 
(33) Deen was gehuwd met Dina Wolff, dochter van een Kampense katoenfabrikant. Haar broer had een katoenfabriek in Dalfsen. Gemeentearchief Kampen, Registers Burgerlijke Stand en De Vries, Pedlars, blz. 178-179 en 258.
(34) GAT, Jaarverslag van de gemeente Tilburg over 1886, hoofdstuk X, Armwezen.
(35) In 1889 was 96,9% van de beroepsbevolking katholiek, 2,2% Nederlands Hervormd, 0,1% ongelovig en 0,8% behoorde tot de overige kerkgenootschappen. Vgl. Wagemakers, Buitenstaanders, blz. 16.
(36) Gemeentearchief Waalwijk, Burgelijke Stand Besoyen, Bevolkingsregister Besoyen en Registers van vertrokken personen. Zie ook J.G.M.M. Rosendaal, 'De joodse bevolking van Waalwijk en Besoyen 1690-1940' in: De Klopkei, jrg. 14, (1990), blz. 43.
(37) GAT, Collectie handschriften, aantekeningencahier I van J.B. de Beer.
(38) GAT, Burgerlijke Stand.
(39) Idem.
(40) GAT, Archief Nederlands Israëlitische gemeente, inv, nr. 33, notulenboek 1871-1915. Voor de financiering van de synagoge werden honderd aandelen à f 60 verkocht. Samuel kocht er vier, zijn broer Joseph drie. De kapitaalkrachtige Mozes Deen kocht er twintig.
(41) GAT, Adresboeken 1865, 1879, 1881 en 1889.
(42) GAT, Gemeentelijk kadaster, art. nr. 4826, sectienr. L 1584, na 1867 sectienr. M 1384. Het bewuste pand bestaat nog steeds en het uiterlijk van de bovenverdieping aan de voorkant is waarschijnlijk nog nagenoeg ongewijzigd sinds de vorige eeuw. Het bewuste pand is nu opgesplitst in twee panden, Heuvelstraat 120-122, waar respectievelijk een cadeauwinkel en een petit-restaurant in gevestigd zijn.
(43) GAT, Bevolkingsregister 1880-1890 en Adresboek 1889.
(44) GAT, Notarieel-archief, inv. nr. 374, aktenr. 54 en 58.
(45) S.Ph.Mzn. de Vries, Joodse riten en symbolen, (Amsterdam, 1988), blz. 270.
(46) NRC van 2 februari 1886.
(47) NRC van 2-2-1886. De NTC van 7-2-1886 schrijft dat er 'behoudens wat gedrang en het onvermijdelijke dat bij elke nieuwsgierig wachtende volksmenigte als van zelf ontstaat' niets bijzonders voorviel. Eventueel gezongen spotliedjes hebben waarschijnlijk een religieuze lading gehad. Prins-Afman geeft in haar doctoraalscriptie een voorbeeld van een dergelijk liedje zoals dat in Oost-Brabant gezongen werd rond 1900: 'Jood smous maak een krauws (kruis), anders komt de duvel in houws (huis)'; Prins-Afman, Tegen de verdrukking in, blz. 117.
(48) NRC van 4-2-1886 en NTC van 7-2-1886, ingezonden brief van J. Kaltner. Kaltner schrijft in zijn brief over volk dat zich in verschillende herbergen 'te goed had gedaan'.
(49) NRC van 2-2-1886.
(50) Vgl. o.a. NRC van 2-2-1886 en NTC van 7-2-1886. Over de aard van de projectielen waren de berichten verschillend. Sommige kranten spraken over stenen, maar er werd ook gesproken over kluiten aarde en takken.
(51) Weekblad voor Israëlitische Huisgezinnen (WvIH) van vrijdag 12 februari 1886. Aanwezig in bibliotheek Universiteit van Amsterdam.
(52) NRC van 4-2-1886. Deze processen-verbaal zijn door mij niet teruggevonden; niet in het archief van de Tilburgse politie - dat over deze periode zeer slecht bewaard is gebleven - noch in de archieven van het kantongerecht Tilburg en de arrondissementsrechtbank in Breda. Rijksarchief in Noord-Brabant, Archief van het kantongerecht Tilburg: doorgenomen de inventarisnummers 64 en 65, en van het Archief van de arrondissementsrechtbank in Breda: de inventarisnummers 161-165 en 750 en 751.
(53) Mondelinge mededeling van de heer E. Elzas. De agenten waren afkomstig van de politiepost Bisschop Zwijsenstraat.
(54) NRC van 2-2-1886.
(55) TC van 4-2-1886.
(56) NTC van 7-2-1886. 'De heffe des volks; het laagste gemeen, het grauw'.
(57) GAT, Bevolkingsregister 1870-1880 en 1880-1890.
(58) NRC van 4-2-1886 en NTC van 7-2-1886.
(59) De Tijd van 5-2-1886 (aanwezig KB, Den Haag). Blijkens De Tijd van 6-2-1886 had er op 31-1-1886 door een aantal huzaren ook in Den Haag een verstoring van een joodse begrafenis plaatsgevonden.
(60) WvIH van 5-2-1886.
(61) Voor het gegeven dat de brief gefingeerd was, is een aantal argumenten te geven. Ten eerste is het zo dat de inhoud nooit door een RK bisschop in de 19e eeuw uitgesproken kon zijn. Hij heeft dan ook fel ontkend de brief geschreven te hebben. Ook de wijze waarop de brief wordt beëindigd, maakt het aannemelijk dat hij gefingeerd is. Er staat onder aan de brief 'gegeven in mijn bisschoppelijk paleis', een eerder pauselijk dan bisschoppelijk gebruik. Daarnaast is hij ondertekend met eerst de naam en dan de titel. Bij alle overige Bossche episcopale brieven was dat juist andersom (mededeling dr. J. Pijnenburg, archivaris van het Bisdom 's-Hertogenbosch). 
Het laaste argument is dat het blad waar de brief voor het eerst in verschijnt, De Volksvriend uit Roermond, een anti-clericaal getint satirisch blad was. Niet de eerst aangewezen plaats voor een authentiek herderlijk schrijven. 
(62) WvIH van 19-2-1886. Het commentaar luidde als volgt: 'Sommige geloofwaardige personen beweren, dat de geheele brief - ofschoon die door verschillende bladen is overgenomen - gefingeerd is. Wij kunnen daarover inderdaad niet oordelen, maar vinden inderdaad "die kalle zu schön"'.
(63) Het bewuste nummer van De Volksvriend is niet meer te achterhalen. Ook op het Rijksarchief in Limburg of het gemeentearchief van Roermond is het niet te vinden. Dat de tekst toch bekend is, komt doordat de brief in veel bladen integraal is afgedrukt. Al dan niet met toelichting. Afgaande op de beschrijvingen zou een knipsel dat in een plakboek van de toenmalige pastoor van de parochie 't Heike is ingeplakt, uit De Volksvriend afkomstig kunnen zijn. GAT, Archief parochie 't Heike, inv. nr. 266, Plakboek van kranteknipsels, verzameld door pastoor J. van der Lee betreffende de parochie en de stad, 1875-1888. 
(64) De Tijd van 17 en 18 feb. 1886. Het Centraal Blad voor Israëlieten is over deze periode helaas verdwenen.
(65) Allgemeine Zeitung des Judenthums. Ein unparteiisches Organ für alles jüdische interesse, 50e Jahrgang, no. 11, 9-3-1886 (aanwezig Bibliotheek Universiteit van Amsterdam).
(66) Archief Bisdom 's-Hertogenbosch, Doos dekenaten, Tilburg II, 'dossier betreffende het gefingeerd schrijven van mgr. Godschalk aan de deken van Tilburg inzake de begrafenis van den Israëliet Catz te Tilburg'. In dit dossier bevindt zich een knipsel uit genoemde krant.
(67) Verklaring werd o.a. afgedrukt in De Maasbode van 24-2-1886 (aanwezig KB, Den Haag).
(68) Archief Bisdom 's-Hertogenbosch, doos dekenaten, Tilburg II, 'dossier gefingeerd schrijven mgr. Godschalk'.
(69) De Tijd van 17-2-1886.
(70) Recht voor Allen, Orgaan van de Sociaal-Democratische Partij in Nederland. Het nummer van 20-2-1886. (aanwezig Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam). De man ondertekende met 'een ex-katholiek'. 
(71) Twentsch Zondagblad van 21 en van 28 februari. Het gefingeerde schrijven drukte de krant af op 14 februari 1886. Knipsels uit deze kranten zijn aanwezig in genoemd dossier op het Bisschoppelijk archief in 's-Hertogenbosch.
(72) WvIH van 28 mei, 4, 11 en 18 juni. In deze nummers werd de discussie gevoerd.
(73) Vries, P. 'De hypothetisch-deductieve', blz. 37-47.

* Drs. Paul van Dun studeerde economische en sociale geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Daarna volgde hij een opleiding tot archiefambtenaar aan de Rijksarchiefschool. Momenteel is hij tijdelijk verbonden aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam. Hij publiceerde al eerder in dit tijdschrift.