Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
254. De huidige kerk van 't Heike
 

Titel:   

De huidige kerk van 't Heike

Ondertitel:   

Auteur:   

Joost van Hest *

Jaargang:   

VIII (1990) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

3

Pagina’ s:   

77-80


N.B. Artikel uit themanummer De kerk van het Heike


Het gebouw

De kerk van 't Heike zoals we die nu kennen, is tot stand gekomen in een tijd die van grote betekenis was voor het katholieke volksdeel. Na de periode van ruim twee eeuwen achterstelling trad er met de komst van de Fransen in 1795 een aanzienlijke verbetering in. De Fransen trachtten in geheel Europa de revolutionaire principes van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap te vestigen. In ons land, waar door de revolutionair-gezinde Nederlanders de Bataafse Republiek gesticht was, waren in het vervolg protestanten en katholieken gelijkberechtigd. Dit leidde ertoe dat vele kerken die bij de Reformatie in protestantse handen gekomen waren, terugkwamen aan de katholieken.

Een belangrijke maatregel was het op 4 mei 1809 uitgevaardigde decreet van Lodewijk-Napoleon, koning van het Koninkrijk Holland, dat in 1806 als nieuwe staatkundige eenheid na de Bataafse Republiek gevormd was. Dit regelde de toewijzing van kerken aan de katholieken en de bouw van nieuwe protestantse kerken. Daarnaast werden voor de goede gang van zaken de ministeries van Rooms-Katholieke en Protestantse Eredienst in het leven geroepen (1808).

Nadat in 1813 een einde gekomen was aan de Franse tijd en in het daaropvolgende jaar het Koninkrijk der Nederlanden gevormd werd, bleef de situatie gunstig. De restitutie (= teruggave) van kerken bleef doorgaan en bovendien kon een rijkssubsidie voor benodigde onderhouds- of restauratiewerkzaamheden verkregen worden. Vanwege de grote aanvraag tot herstel of nieuwbouw vaardigde koning Willem I op 16 augustus 1824 het Koninklijk Besluit uit dat tot 1868 de Nederlandse kerkenbouw zou regelen. Dit bepaalde dat een kerkbestuur toestemming moest vragen aan de koning bij herstel of nieuwbouw. De aanvraag diende vergezeld te gaan van een opgave van de kosten en de parochie-inkomsten. Daarnaast kon een verzoek tot rijkssubsidie ingediend worden. De gegevens werden bestudeerd door het ministerie van Rooms-Katholieke Eredienst, dat een financieel oordeel gaf. Doordat het gebruikelijk werd dat tevens de ontwerptekening en het bestek ingediend werden, raakte ook het ministerie van Waterstaat betrokken. Daar zaten namelijk de ingenieurs die een technisch oordeel konden geven. Bovendien konden zij zelf een ontwerp of bestek maken. Voorts kregen zij het toezicht bij de uiteindelijke verbouwing of nieuwbouw. Vanwege deze betrokkenheid hebben de tussen 1824 en 1868 gebouwde kerken de bijnaam waterstaatskerk. 

De Heikese kerk is zo'n waterstaatskerk. Op 19 november 1821 werd door Willem I het besluit genomen dat het oude gebouw teruggegeven zou worden aan de katholieken. Uiterlijk 1 januari 1823 moest het door de protestanten verlaten zijn. Het zou echter tot 1829 duren voordat de schuurkerk definitief vervangen kon worden.

De waterstaatskerk voor de verbouwing van 1894-1895. (Coll. RHC Tilburg).

De reden hiervan was dat het teruggekregen gebouw in zeer slechte staat verkeerde en bovendien te klein geworden was. Sedert de Reformatie was de Tilburgse bevolking en daarmee het aantal parochianen sterk gegroeid. Ondanks de splitsing van de parochie in 1797 was hierdoor vergroting noodzakelijk, hetgeen alleen maar kon gebeuren door nieuwbouw. In de periode tussen 1822 en 1826 werd daarom een intensieve correspondentie gevoerd tussen pastoor Evermodus Duchamps en het Rijk. 

In eerste instantie werd een belangrijk geschilpunt gevormd door de afkoop van de domeinenverplichting. De instantie der Domeinen was verantwoordelijk voor het onderhoud van de kerkgebouwen. In het Tilburgse geval had zij deze plicht overgenomen van de abdij van Tongerlo die in de Oostentijkse tijd te maken had gekregen met de anti-katholieke maatregelen van keizer Jozef II en in de Franse tijd uiteindelijk opgeheven werd. Ondanks de inning van de tiendenbelasting - eveneens overgenomen van de abdij - bleef zij echter in gebreke. Nu het vervallen kerkgebouw teruggegeven was aan de katholieken, wilden deze de domeinenplicht zo snel mogelijk doen afkopen en met het verkregen geld een nieuwe kerk bekostigen. Na veel wikken en wegen werd de totale afkoop op 1 april 1825 door de koning goedgekeurd.

Een ander probleem was: het Rijk te overtuigen van de noodzaak tot nieuwbouw. In een schrijven van het ministerie van Rooms-Katholieke Eredienst aan Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant werd bijvoorbeeld de vraag gesteld of de verzochte uitbreiding wel echt nodig was en of de gestelde kosten wel redelijk waren. Door de gemeente Tilburg wordt dan gewezen op het feit dat de katholieke bevolking toegenomen is, dat bovendien de belangrijkste Tilburgse fabrieken in de parochie 't Heike staan - sterke arbeidersconcentratie - en dat een straatweg aangelegd wordt door de parochie waardoor huizenbouw en bevolking zullen toenemen. De berekende kosten worden eerder te weinig dan te veel genoemd. Door stadsarchitect Justinus Backx werd een begroting opgesteld.

Uiteindelijk werd op 20 september 1826 de definitieve goedkeuring voor de nieuwbouw verkregen. Hierbij werd bepaald dat, zoals gebruikelijk, een en ander diende plaats te vinden onder toezicht van het ministerie van Waterstaat. De bekostiging kon afgezien van andere geldbronnen geschieden door een rijkssubsidie van ca. f 20.000. 

Een openbare inschrijving voor aannemers resulteerde in de keuze voor Noach van der Waals. Hij nam het werk aan en kwam onder toezicht te staan van Waterstaat in de persoon van Justinus Backx. De laatste was ook diegene die tezamen met de waterstaatsingenieur Frederik Willem Conrad het ontwerp leverde (Backx ontwierp tevens de nieuwe protestantse kerk - aan de tegenwoordige Heuvelstraat - ; zijn zoon, Evermodus Backx, die een groot bewonderaar was van Evermodus Duchamps, werd de herstichter van de abdij van Tongerlo). 

Van het gebouw werd alles gesloopt, behalve de Kempisch-gotische toren. Deze toren, die in 1894-1895 een aantal ingrijpende wijzigingen zou ondergaan (zie hierna), was onderverdeeld in drie geledingen waarvan de onderste vrijwel ongedecoreerd waren. De tweede geleding werd aan iedere kant door drie lisenen onderverdeeld in blinde muurvlakken die aan de bovenzijde afgesloten werden door een lijst van in elkaar grijpende bogen. De derde geleding had aan iedere kant een onderverdeling door drie decoratieve contreforts. In de hierdoor ontstane spaarvelden bevonden zich de galmgaten: gekoppeld in een blinde nis. Een lijst van blinde bogen sloot de geleding aan boven- en onderzijde af. De torenspits was pyramidaal met een peervormige bekroning (bij de herbouw na de brand van 1595 - zie hierboven - is dit laatste element mogelijk als een vernieuwend onderdeel toegevoegd). Aan de zuidoosthoek van de toren was een octagonale traptoren. 

Nadat op 31 augustus 1827 door pastoor Duchamps en zijn kerkmeesters de eerste steen gelegd was (oostzijde van de kerk), kwam een totaal nieuw gebouw tot stand in neoclassicistische stijl. Deze stijl, die op dat moment de meest gangbare was, heeft motieven die ontleend zijn aan de klassieke oudheid. Ze zijn hier vooral zichtbaar in het interieur: zuilen met Ionische kapitelen en de kroonlijst die de wanden scheidt van het gewelf. De ruimte zelf is een driebeukige hallenkerk met tongewelven en een polygonale absis met calot-overwelving. Het geheel werkt als een zaal die onderverdeeld wordt door een woud van zuilen. Vooral in de tijd van de neogotiek (zie hierna) zou door personen als Pierre Cuypers en Jozef Alberdingk Thijm sterke kritiek geuit worden op dergelijke kerken met hun "onechte" zuilen die voor een groot gedeelte uit stuc bestaan. Het exterieur is tamelijk eenvoudig, zoals bij de meeste waterstaatskerken. Zijwanden en achterzijde worden slechts geleed door rondboogvensters en steunberen (de decoratieve rand bij de goot is ca. 1894-1895 aangebracht). Op 29 oktober 1829 kon dit nieuwe godshuis in gebruik genomen worden (in 1843 werd het door Joannes Zwijsen ingewijd). Hierdoor rekende 't Heike definitief af met de periode van achterstelling.

Gedurende 19e eeuw ontwikkelde zich bij de Nederlandse katholieken een sterk triomfalisme. Na 1853, toen de bisschoppelijke hiërarchie hersteld was en de katholieke positie geconsolideerd, uitte zich dit o.a. in de neogotiek: een stijl die teruggreep op de Middeleeuwen, bloeiperiode van het katholicisme bij uitstek. Op 't Heike kan die stijl teruggevonden worden in de façade die in 1894-1895 gebouwd werd. De Tilburgse architect C.F. van Hoof verving de vlakke voorgevel met zijn halfronde afsnijdingen aan de bovenhoeken, door een neogotische gevel met links en rechts een kapel. De oude gevel had drie eenvoudige toegangsdeuren, waarvan de twee buitenste aan de straatzijde een tochtportaal met tympaanbekroning hadden. De nieuwe kreeg eveneens drie deurpartijen, maar op een monumentaler wijze in overeenstemming met de neogotische stijl. Hiervan getuigt vooral het middenportaal, dat met zijn voussures en centrale trumeau geïnspireerd is op de Franse gotiek. Boven de trumeau werd een beeld geplaatst van de H. Dionysius, waarboven twee engelen een baldakijn dragen. De Tilburgse beeldhouwer Henricus van Tielraden is hiervan de verantwoordelijke maker. De neogotische aspecten komen verder o.a. tot uiting in de spitsboogvensters van de twee kapellen, de spitsboognissen op de gevelvelden en de pinakels als afsluiting van de muurhoeken. In nissen boven de kapellen werden een beeld van het H. Hart (links) en een van O.L.Vrouw van het H. Hart geplaatst (maker: Henricus van Tielraden). Bij de verbouwing werd de toren, die tot 1894 eigendom gebleven was van de gemeente (zie hierboven), opnieuw ommanteld en op de hoeken aan de westzijde voorzien van twee traptorentjes. Deze bevorderen een gelijkmatige overgang tussen de zijdelen van de gevel en de toren. De tweede geleding kreeg in de spaarvlakken twee lancetvensters. De indeling van de bovenste geleding bleef gelijk. Zo ook de torenspits, met uitzondering van de toevoeging aan iedere zijde van een nieuw uurwerk met neogotische omlijsting (oorspronkelijk was het uurwerk tegen de torenwand geplaatst). 

De inventaris

Evenals het gebouw geeft de inventaris een overzicht van opeenvolgende artistieke ontwikkelingen. Deze zijn typerend voor de Brabantse geschiedenis op het gebied van de kerkelijke kunst. 

Toen de nieuwe kerk gebouwd werd, bestond er in Brabant nagenoeg geen artistieke traditie meer. Na de Middeleeuwen was de katholieke kerk als voornaamste opdrachtgever de schuilkerkenperiode ingegaan, waardoor het aantal opdrachten sterk afnam. Bovendien was Brabant een wingewest geworden van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Economische afhankelijkheid was het gevolg. Voor de inrichting van de schuilkerken deed men een beroep op leveranciers uit de katholieke Zuidelijke Nederlanden. 

Nadat de katholieken hun vrijheid herkregen hadden, werden zij geconfronteerd met het gebrek aan kunstenaars. Vandaar dat men zich wederom richtte op België. De vele Belgische beeldhouwers, schilders etc. werden zo tussen ca. 1800-1850 in Brabant de belangrijkste leveranciers van kerkelijke kunst. De stijl die zij hanteerden was de neobarok, die voortbouwde op de kunst van de zeventiende en achttiende eeuw: de tijd van de triomfantelijke contrareformatie in de katholieke landen. 

Op den duur ontstonden in Brabant en vooral in Den Bosch, waar de restauratie van de Sint Jan in volle gang was, eigen ateliers, waardoor de afhankelijkheid van België minder werd. Hun opkomst valt samen met het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie en een herwaardering van de gotische kunst van de Middeleeuwen. De neogotiek werd dan ook hun specifieke stijl, die de neobarok steeds meer verving. Naast Brabantse ateliers werden ook de Limburgse belangrijker. 

Het geschetste overzicht kan op 't Heike in grote lijnen teruggevonden worden. Voordat we de verschillende voorbeelden aan de orde laten komen, dient in eerste instantie aandacht geschonken te worden aan de stukken uit de schuilkerkenperiode en de tijd daarvoor. Met betrekking tot het laatste dient vermeld te worden dat slechts een vermoeden bestaat dat ze ook daadwerkelijk op 't Heike aanwezig waren.

Uit de tijd voor 1632 bezit de kerk twee 15e-eeuwse kandelaars (in bruikleen bij het Museum voor Religieuze Kunst te Uden). Dit zijn twee bronzen, gotische, z.g. knoopkandelaars. Daarnaast is er een schilderstuk uit de zeventiende eeuw, met een voorstelling van 'Johannes in disco': het afgehouwen hoofd van Johannes de Doper op een schaal (het schilderij is eveneens in bruikleen bij het Udense museum).

Uit de schuilkerkenperiode is mogelijk het beeld van Sint Norbertus (noordelijke torenwand). Stilistisch beantwoordt het aan de Vlaamsbarokke stijl, waardoor het niet onmogelijk is dat het beeld in opdracht van het kerkbestuur of via bemiddeling van een schenker door een beeldhouwer uit de Zuidelijke Nederlanden vervaardigd is voor de schuurkerk.

Uit de grenskerk te Steenvoort stamt een z.g. tazza, die dateert van 1665. Ze werd geschonken door de bierbrouwer Petrus Wouter Colen. Gelijktijdig of omstreeks hetzelfde jaar gaf deze parochiaan een nieuwe kelk. Allebei de stukken zijn van zilver. Wat de precieze functie geweest is van de tazza is niet bekend. Beide werken dragen het wapen van de schenker. Ze zijn zonder overdadige decoratie uitgevoerd. Hierdoor beantwoorden ze eerder aan de strakke barok-classicistische stijl van de Noordelijke Nederlanden dan aan de weelderige barok in de Zuidelijke Nederlanden. Het kelktype is niet ongebruikelijk voor de zeventiende en achttiende eeuw en kan zowel bij katholieken als protestanten (Lutheranen) aangetroffen worden. 

Monstrans, Jacobus Smits 1715. (Foto Frans van Ameijde, coll. RHC Tilburg).

Veel overdadiger zijn de zilveren monstrans en ciborie uit de 18e eeuw. De monstrans - stralentype - is een geschenk van Joanna, dochter van Bartholomeus van Oerle, uit 1715. Hij is vervaardigd door de Bossche edelsmid Jacobus Smits. De voet toont de vier evangelistensymbolen en het Lam Gods. De stam bestaat uit de personificaties van Geloof (Sint Barbara), Hoop en Liefde. Vervolgens komt het centrale gedeelte: de hostiekast, die aan de bovenzijde omgeven wordt door God de Vader en de H. Geest (te zamen met de uitgestelde hostie vormen zij de H. Drieëenheid) en aan de onderzijde door de eucharistische pelikaan met jongen. Links en rechts zijn druivenranken en korenaren waartussen twee engelen met een wierooksvat. Boven dit geheel dragen twee cherubijnen een kroon met plat kruis. Deze vorm is door Smits bij nog een aantal andere monstransen toegepast. De voet en stam heeft hij minstens eenmaal ook gebruikt voor een kelk. In de 19e eeuw zijn meermalen juwelen geschonken om de monstrans mee te versieren. De ciborie, van de hand van de Bosschenaar Theodor van Berckel, uit 1700, zou op de voet naast de afgebeelde Augustinus en Gregorius ook de overige kerkvaders Ambrosius en Hiëronymus moeten tonen. In de plaats hiervan zijn echter Dionysius en Norbertus voorgesteld. Deze wijziging hangt vanzelfsprekend samen met de kerkpatroon en norbertijnenbediening van de parochie. De handhaving van Augustinus hangt samen met de augustijnse regel van de Norbertijnen. Waarom voor de kerkvader Gregorius gekozen is, is niet duidelijk. De ciborie heeft verder specifieke barokmotieven zoals acanthusbladeren en schelpendecoratie. 


Ciborie, Theodor van Berckel 1700. (Foto Frans van Ameijde, coll. RHC Tilburg).


Uit 1777 is het in Antwerpen vervaardigde zilveren missaalbeslag. De voor- en achterzijde van het missaal zijn voorzien van omkaderde medaillons waarop een afbeelding van respectievelijk de H. Norbertus en de H. Augustinus. De laatste is tamelijk ongebruikelijk weergegeven, namelijk in monnikspij in plaats van als bisschop. Een putto reikt hem pallium en mijter. Op de achtergrond is de bisschopsstaf zichtbaar. Het beslag toont de stijl van het laatachttiende-eeuwse classicisme door de toepassing van strikmotieven, laurierbundels en festoenen binnen een strakke omlijsting. 

De achterzijde van het missaal met een voorstelling van de H. Augustinus. Maker onbekend, 1777. 
Het drukwerk is door Plantijn, Antwerpen 1773. (Foto Frans van Ameijde, coll. RHC Tilburg).



Naast genoemde voorbeelden is nog een aantal vroege zilverwerken aanwezig zoals een zeventiende-eeuws wierooksvat en een godslamp uit 1775 (Franciscus Herle). 

Het centrale gedeelte van het orgel stamt eveneens uit de schuurkerk. Het is uitgevoerd in barokke stijl en oorspronkelijk afkomstig uit het klooster Roosendael bij Mechelen. Dit klooster had het in 1776 laten maken door de Gentenaar Pieter van Peteghem, op dat moment de grootste Vlaamse orgelbouwer. In 1803 was het door het Heikes kerkbestuur aangekocht om geplaatst te worden in de schuurkerk, waarna het in 1829 overgebracht werd naar het nieuwe kerkgebouw. In 1918 werd het grondig gemoderniseerd door de orgelfabriek van de Gebr. Franssen uit Roermond. Deze maakte het orgel elektrisch en nam het oorspronkelijke positief op in een groter geheel dat een aanzienlijk deel van de oostwand van de toren beslaat. De zeggingskracht van het 18e-eeuwse orgel wordt hierdoor in sterke mate aangetast. In 1956 voerden de Gebr. Vermeulen uit Weert opnieuw een belangrijke verandering uit, waardoor het instrument elektro-pneumatisch werd. Tegenwoordig heeft het orgel nog 24 pijpen van Van Peteghem. De oorspronkelijke kast wordt bekroond door een beeld van koning David en twee flankerende putti. De decoratie bestaat verder uit loofwerk en muziekinstrumenten. Op de kroonlijst van het nieuwe gedeelte is een aantal putti geplaatst die afkomstig zijn van de preekstoel.

Orgel, Pieter van Peteghem 1776 (centrale gedeelte). (Coll. RHC Tilburg).

Van oudere datum dan de kerk is ook het hoogaltaar. De voorgeschiedenis verliep als volgt. Bij de inrichting van nieuwgebouwde kerken konden niet alleen nieuwvervaardigde meubelen gebruikt worden, maar ook reeds bestaande, die om uiteenlopende redenen in België te koop aangeboden werden. In veel gevallen ging het om kerkelijke goederen die in de Franse tijd of reeds door de Jozefinische maatregelen in de Oostenrijkse tijd geconfisceerd waren. Op deze wijze kwam 't Heike aan zijn orgel en in 1821 volgde het hoogaltaar. Pastoor Duchamps kocht het van de Sint Jacobskerk te Antwerpen; de aankoopacte vermeldt de prijs van f 500. Het meubel, dat mogelijk omstreeks 1700 vervaardigd is door de Vlaamse beeldhouwer Willem Kerricx, was oorspronkelijk afkomstig uit de verdwenen Sint Walburgis- of Burchtkerk, eveneens in Antwerpen. Op 13 september 1823 kwam het in Tilburg aan de Groenendijk (gebied Moerenburg) aan, waarna het overgebracht werd naar het centrum om in 1828 door de Bossche steenhouwer P. Neefs opgesteld te worden. Het altaar, oorspronkelijk toegewijd aan O.L.Vrouw van Goed Succes, werd geschikt gemaakt voor zijn nieuwe functie van hoogaltaar door de vervanging van het bekronende Mariaborstbeeld door een plat kruis en de toevoeging van een tabernakel. Het is een zg. portiekaltaar door de opstand die bestaat uit een schilderij met aan weerskanten zuilen. Het middengedeelte wordt afgesloten door een tympaan waaronder de letters D.O.M. (Deo Optimo Maximo: aan de Allerhoogste God). Hierboven verrijst een barokke sculptuur van God de Vader in heerlijkheid met links en rechts engelen en erboven de H. Geestduif. De wijze waarop de Vader is voorgesteld, toont een sterke verwantschap met eenzelfde voorstelling in de Sint Salvatorkerk te Brugge. Het door Artus Quellinus de Jongere vervaardigde beeld aldaar toont de Albeheerser eveneens met de linkerhand op de wereldbol waarbij een putto geplaatst is. Houding en fysionomie zijn overeenkomend. De voorstellingswijze kan via Bernini en Michelangelo als een voortzetting gezien worden van het Grieks-Romeinse Hellenisme. 

Hoogaltaar, Willem Kerricx 1699-1700 (met latere toevoegingen). (Foto Frans van Ameijde,
 coll. RHC Tilburg).

Hoogaltaar (tekening Joost van Hest).


De manier waarop wij het altaar nu kennen, verschilt aanzienlijk van de verschijningsvorm in de vroege 19e eeuw. Omstreeks de eeuwwisseling namelijk werd de mensa vervangen door de huidige altaartafel in de vorm van een tombe met het centrale reliëf van de Emmausgangers (links en rechts daarvan bevinden zich twee engelenkopjes die in sterke mate aan portretjes doen denken). Het draaitabernakel werd vervangen door een nieuwe tabernakelkast met daarnaast twee engelen en gecanneleerde zuilen met renaissancegrotesken. Daarboven kwam een nieuwe expositietroon, eveneens voorzien van engelen. Zij dragen een kroon waaronder het altaarcrucifix staat. Het barokke corpus hiervan, dat afkomstig is uit het privébezit van pastoor Duchamps, staat in de traditie van de Vlaamse beeldsnijdersfamilie Duquesnoy uit de 17e eeuw. Het altaarschilderij werd in 1901 vervangen door het huidige schilderstuk van de Antwerpenaar Jean Anthony. Hij schilderde de Onthoofding van Dionysius in de historiserende trant van de 19e eeuw door de combinatie van een barokke compositie met in middeleeuwse kledij gestoken figuren. De meest opvallende vernieuwing was de toevoeging van de twee poortjes aan weerskanten van het altaar. Deze zetten de lijn van het meubel voort langs de achterwand van het priesterkoor. De mogelijke maker is Jean A. Oor uit Roermond (dit geldt ook voor de mensa, tabernakeldecoratie en expositietroon) .

Altaarcrucifix, maker en jaartal onbekend. (Foto Frans van Ameijde, coll. RHC Tilburg).


De poortjes worden bekroond door reliekschrijnen en dragen links het beeld van Sint Petrus en rechts van Sint Paulus. De beelden werden in 1840 in neobarokke stijl vervaardigd door de Antwerpse Gebr. Jan Baptist en Pieter Jozef de Cuyper. Ze staan op de plaats waar tot ca. 1965 engelen stonden die kandelabers droegen. Oorspronkelijk waren ze, evenals de andere (houten) beelden in de kerk, gepolychromeerd (wit met goud). In de vijftiger jaren zijn alle beelden afgeloogd. De schrijnen bevatten relieken van de H. Damianus (links) en de H. Laurentinus (rechts). Ze werden respectievelijk in 1883 en 1886 gemaakt door de Antwerpenaar Lambertus van Rijswijck en geschonken door de toenmalige pastoor Joannes van der Lee. Voor de vervaardiging van de poortjes stonden ze in nissen in de achterliggende muur. De aanwezigheid van de Damianusrelieken moet in relatie gezien worden met de vestiging van de Trappisten bij Tilburg. Nadat de cisterciënser monniken in het Franse Ste. Marie-du-Mont vanwege de anti-klerikale politiek op zoek gegaan waren naar een toevluchtsoord kwamen zij in Tilburg o.a. in contact met pastoor Van der Lee. De Tilburgse steun resulteerde in de stichting van het Trappistenklooster op de Koningshoeven (1881) en als dank voor zijn hulp kreeg Van der Lee via bemiddeling de Damianusrelieken uit Rome. Eind 1880 kon hij ze in ontvangst nemen. Dat een en ander niet zonder problemen gegaan is, blijkt uit de bewaard gebleven correspondentie waarin gesproken wordt van vertraging en mogelijke reliekenzwendel. Van der Lee was in ieder geval bijzonder verheugd met zijn aanwinst en zal mede hierdoor in deze periode opdracht gegeven hebben voor de polychromering van de kerk met allerlei decoratieve motieven. In de loop der jaren werden hieraan verschillende veranderingen aangebracht zoals het marmoriseren van de zuilen. De verantwoordelijke kunstenaar was de in 1865 te Gent geboren en aldaar werkende, maar uit een Tilburgse familie stammende, schilder L. Bressers. In 1954 is de polychromie verwijderd. 

Kort na de plaatsing van het altaar moeten ook andere noodzakelijke inventarisstukken zijn aangeschaft, zoals de communiebank, de preekstoel en biechtstoelen. Ook hiervoor moet men zich gericht hebben op België. Wat de eerstgenoemde meubelen betreft, beide in neobarokke stijl, komen de Antwerpse beeldhouwer Jan Baptist van Hool en de schrijnwerker P. Dieltjes uit Grobbendonck in aanmerking. In de parochiële administratie komen zij tussen 1823 en 1834 geregeld voor. Het blijkt dat zijzelf of in ieder geval hun knechten voor korte of langere tijd bij parochianen ondergebracht waren waarvoor door het kerkbestuur kostgeld betaald werd. De communiebank, waarvan de putti zes Werken van Barmhartigheid verbeelden (het zevende Werk is voorgesteld op de verwijderde middendeurtjes), en de preekstoel, waarop o.a. de vier evangelisten en de Verlosser afgebeeld zijn, kunnen daarom zowel in België als in Tilburg vervaardigd zijn. Het beeld van de H. Thomas van Aquino tussen de trappen van de preekstoel is in 1829 door de waarschijnlijk eveneens uit België afkomstige beeldhouwer F.J.L. Carlier gesneden (oorspronkelijk stond het onder de kuip). 

Waarschijnlijk zijn in eerste instantie de biechtstoelen uit de schuurkerk gebruikt en zijn ze later vervangen door de huidige, die voortbouwen op de stijl van de Vlaamse Laatbarok. Deze stijl, die reeds gekenmerkt wordt door strakke classicistische lijnen, blijkt vooral uit de accentuerende halfpilasters, de gebroken segmentboog als bekroning van het middengedeelte, de vuurpotten en de festoenen. In de parochiële administratie wordt vermeld dat in 1832 een zekere J. Walraven uitbetaald werd voor één biechtstoel en in 1837 de in Boxmeer werkzame schrijnwerker J. Beuijssen voor drie biechtstoelen (deze zijn nagenoeg identiek met de later door hem vervaardigde biechtstoelen in de Sint Lambertuskerk te Udenhout). Wie de overige twee exemplaren gemaakt heeft (één daarvan bevindt zich tegenwoordig in de Sint Pieterskerk te Oirschot), is niet bekend, waarschijnlijk zijn ze eveneens van Walraven of Beuijssen. Het mag aangenomen worden dat de beelden die de zes biechtstoelen bekronen door een ander vervaardigd zijn, omdat dit door de schrijnwerkers gewoonlijk aan een beeldhouwer overgelaten werd. Op grond van de parochiële administratie is de beeldhouwer Jan Frans van Hool (zoon van de reeds genoemde J.B. van Hool) de mogelijke maker. Van twee beelden (de H. Augustinus en Johannes de Doper; nu op de communiebank) is dankzij signering en datering bekend dat ze in 1851 vervaardigd zijn door de Bosschenaar Frans J.P. Donkers. 

In de loop van de 19e eeuw werd het kerkgebouw door schenking of aankoop met steeds meer inventarisstukken verfraaid. Reeds in 1829 werden twee schilderijen geschonken door de Tilburgse zijdefabrikant Thomas J. van Dooren. De doeken, waarop de Kruisiging van Sint Petrus naar Caravaggio (priesterkoor) en de Tenhemelopneming van Maria naar Rubens (zuidelijke torenwand), werden geplaatst in de toenmalige zijaltaren. Ze waren afkomstig uit een bisschoppelijk paleis in Parijs dat met de inventaris door Van Dooren in de tijd van de Franse Revolutie opgekocht was. 

Kruisiging van Sint Petrus naar Caravaggio, maker en jaartal onbekend. (Foto Frans van Ameijde, 
coll. RHC Tilburg).


Van de beelden werden naast de hierboven genoemde exemplaren van Petrus en Paulus in 1840 ook die van Sint Franciscus van Sales en Sint Anna (beide in het priesterkoor) aangeschaft. Ook hiervoor waren de Antwerpse Gebr. De Cuyper verantwoordelijk. In hetzelfde jaar werd H. Peters (waarschijnlijk Hendrik Peeters-Divoort uit Turnhout) uitbetaald voor het beeld van Vincentius à Paulo (zijwand rechterzijbeuk). Het beeld van O.L.Vrouw Onbevlekte Ontvangenis (zijwand linkerzijbeuk) is mogelijk gelijktijdig gemaakt en ook van Peeters-Divoort of de Gebr. De Cuyper. 

In 1858 werd een van de lichtkronen bij het priesterkoor geschonken door Arnoldus de Beer en zijn broers. Het tweede exemplaar werd in 1880 aangeboden door de kinderen van de dan inmiddels overleden De Beer. Beide kronen - oorspronkelijk in het middenschip - zijn van de hand van de reeds genoemde Lambertus van Rijswijck uit Antwerpen. 

Tronende Madonna tussen de H.H. Dominicus en Catharina van Siena (detail Maria-altaar). 
Foto Frans van Ameijde, coll. RHC Tilburg).


Bij verschillende van de reeds genoemde inventarisstukken blijkt de sterke betrokkenheid van parochianen met hun kerk. Het was gebruikelijk dat vooral vermogende personen het merendeel van de kerkelijke inventarisstukken schonken. Veelal gebeurde dit bij gelegenheid van speciale gebeurtenissen zoals een zilveren bruiloft of priesterwijding. Naast de gefortuneerden leverden echter ook de minder rijken een aandeel. De gehele parochie van 't Heike bracht reeds een aanzienlijk bedrag bijeen bij de bekostiging van het kerkgebouw zelf, maar ook bij jubileumgeschenken aan pastoors bleef zij niet in gebreke. Wat ook de persoonlijke beweegredenen van de schenkers geweest mogen zijn, in ieder geval werd een rol gespeeld door het sterke katholieke bewustzijn dat zich in de 19e eeuw manifesteerde. Op 't Heike was het aantal schenkingen zo groot dat er op een gegeven moment zelfs bisschoppelijke scepsis bestond toen er wederom sprake was van een geschonken inventarisstuk. De pastoor kon alleen maar reageren door te zeggen dat het bewuste object als geschenk aangeboden werd. Dat er door de geestelijken meer dan eens pressie uitgeoefend werd om een schenking te bevorderen, was niet ongebruikelijk. Aan de verfraaiing van het godshuis werd in ieder geval veel waarde gehecht. 

Uit de namen van de vele vermogende schenkers komt 't Heike naar voren als een rijke parochie: ze geven een opsomming van de Tilburgse notabelen zoals de families Bogaers, Brouwers, Wouters, Eras, Mutsaerts e.a. Een dochter van de familie Bogaers gaf in 1869 een bedrag van f 3000 voor de bouw van het H. Hartaltaar (rechterzijbeuk). Dit bij gelegenheid van haar intrede in de Orde van het H. Hart. De maker van dit neoclassicistische meubel noch van het neogotische H.-Hartbeeld is bekend. Naar alle waarschijnlijkheid zijn de flankerende beelden van Sint Jozef (links) en Sint Antonius van Padua (rechts) van oudere datum. Hun neobarokke stijl wijst erop dat ze reeds eerder in de kerk aanwezig waren en aan het nieuwe altaar zijn toegevoegd. Afgaande op stilistische kenmerken zijn ze mogelijk vervaardigd door Jan Baptist (Johannes Jozefus) Peeters uit Antwerpen die in 1839 uitbetaald werd voor beelden en consoles. De twee reliekschrijnen van Lambertus van Rijswijck naast het altaarcrucifix zijn in 1883 geschonken door Theodor Sträter bij de Eerste Communie van zijn dochter Agnes. 

Ter gelegenheid van haar huwelijk schonk Eugenia Suys in 1873 het roodmarmeren wijwatervat (middenpad) van de hand van de Tilburgse steenhouwer Leander Petit. 

Het daaropvolgende jaar werd door de gehele parochie de doopvont als jubileumgeschenk aan pastoor Van der Lee aangeboden. Het opschrift (tevens een chronogram voor het jaartal) op de kuip van dit door de Antwerpenaar August Bertau gemaakte werk vermeldt dan ook (in het Latijn): Aan de jubilerende priester en beminde herder, met hartelijke genegenheid, de dankbare gelovigen. 

Doopvont, August Bertau 1874. (Foto Frans van Ameijde, coll. RHC Tilburg).


Ook het Maria-altaar (linkerzijbeuk) is een geschenk vanuit de parochie. Tussen 1873 en 1876 werd een aanzienlijk bedrag bijeengebracht. Het is ontworpen door Lambertus Hezenmans en uitgevoerd door Ludovicus Veneman, beiden uit Den Bosch. Het koperwerk werd geleverd door Lambertus van Rijswijck, terwijl de Bosschenaar Johannes Adrianus Goossens verantwoordelijk was voor - later weer verwijderd - schilderwerk. Oorspronkelijk werd ook dit altaar geflankeerd door twee heiligenbeelden (links en rechts van de predella). Deze zijn in de jaren zestig verdwenen. De stijl van het meubel vertoont invloed van voorbeelden uit de Italiaanse Renaissance, met name door de toepassing van slanke halfpilasters, acanthusarabesken en een segmentboog. Het centrale reliëf van Maria met het Christuskind en de Rozenkransheiligen Dominicus en Catharina van Siena, grijpt terug op het Sacra Conversazione-type uit de Italiaanse vijftiende eeuw. In de geest van het Quattrocento zijn ook de prerafaelitisch aandoende engelen aan weerskanten van de gekroonde Madonna in het bovengedeelte. 

H. Ludgerus, Theodor Stracké 1878. Op de achtergrond het raam met de voorstelling van Christus 
in de Hof van Olijven door de Firma F. Nicolas & Zonen uit 1918. (Foto Frans van Ameijde, 
coll. RHC Tilburg).

De beelden tegen de zuilen werden in de periode 1877-1880 geschonken. Familienamen als Pollet, Martens, Wouters en Sträter komen hierbij naar voren. Dat in deze tijd de Brabantse en Limburgse ateliers hun hoogtepunt beleefden, blijkt uit de herkomst van de makers: Hendrik van der Geld uit Den Bosch (Cornelius, Ignatius van Loyola, Franciscus Xaverius) en Jean A. Oor te Roermond (Barbara en Johannes de Doper). Twee beelden (Dionysius en Johannes de Evangelist) zijn afkomstig van een Duits atelier (Monachii = Mönchen-Gladbach?). Het beeld van de H. Ludgerus werd vervaardigd door Theodor Stracké uit het Duitse Bocholt. Dit werk was een geschenk van dr. Joseph Giese, vicaris-generaal van Münster. Te zamen met zijn bisschop Johan Bernard Brinkmann verbleef deze prelaat in de jaren 1876-1877 op de pastorie van 't Heike, waar zij vanwege de anti-katholieke Kulturkampf in Duitsland een toevluchtsoord gevonden hadden. Overeenkomstig de vermelding in het Memoriale is het beeld geplaatst bij de plek waar Giese gewoon was de mis bij te wonen. De herinnering aan de aanwezigheid van beide geestelijken is verder levend gebleven door een door hen gebruikte neobarokke kelk met inscriptie evenals door een gedenkplaat (zijwand linkerzijbeuk). Van één beeld (Sint Dymphna of Sint Cecilia) zijn de maker noch de eventuele schenker bekend. 

Nog twee beelden werden geschonken: de H. Familiegroep (zijwand linkerzijbeuk) en de groep van de H. Elisabeth van Thüringen (zijwand rechterzijbeuk). Ze zijn allebei afkomstig van het atelier van Oor te Roermond, resp. 1878 en 1880. De H.-Familiegroep werd aangeboden door de Congregatie van de H. Familie (een vrome parochiële vereniging) bij gelegenheid van haar zilveren jubileum. De Elisabethgroep is een geschenk van Elisabeth Wouters. De heilige, met links een engel die haar de doornenkroon van het lijden aanbiedt en rechts haar zoontje met wie zij op de vlucht gaat voor haar zwager, is tamelijk ongebruikelijk weergegeven. Gewoonlijk wordt ze voorgesteld zoals op het raam links van het hoogaltaar: met bedelaar en de in rozen veranderde broden die verwijzen naar haar liefdadigheid. 

H. Jozef (detail H. Hartaltaar), vermoedelijk door J.B. (J.J.) Peeters 1839. 
(Foto Frans van Ameijde, coll. RHC Tilburg).


Dit raam werd, te zamen met het raam van de H. Vincentius rechts van het altaar, in 1878 geschonken door Petrus Bogaers. Het was een blijk van dankbaarheid voor de diensten die de pastoor had bewezen bij de ziekte van Vincentius Bogaers, vader van Petrus. De afgebeelde heiligen verwijzen naar de Elisabeth- en Vincentiusverenigingen (twee katholieke organisaties ten behoeve van de armenondersteuning). Oorspronkelijk bevonden de ramen zich op de plaats waar nu het Michael- en H. Hartraam, eveneens in het priesterkoor, zichtbaar zijn. In 1899 zijn ze op de huidige plek terechtgekomen waarvoor de blinde wanden (met muurschilderingen van Petrus en Paulus) doorbroken werden. In de oorspronkelijke vensters werden eenvoudige glazen met grisaille-decoratie geplaatst. Deze werden in 1928 vervangen door de voorstellingen van de aartsengel Michael en de Verschijning van het H. Hart aan Margaretha Maria Alacocque, beide een geschenk van notaris P. Maas. Vooral de ramen uit 1878, die vervaardigd werden door de Brusselse glasschilder Jean Baptist Capronnier (die ook het merendeel van de ramen van de Bossche Sint Jan uitvoerde), tonen de overheersende kerkelijke stijl van de tweede helft van de 19e eeuw: de neogotiek. De kenmerkende decoratieve elementen zijn: fioelen, kruisbloemen en hogels. 

De neogotiek (of eerder een 'neo-Middeleeuwen') komt terug in de veertien kruiswegstaties langs de wanden van de linker- en rechterzijbeuk. De schilderijen werden vervaardigd tussen 1890 en 1898 door de Antwerpenaar Jean Anthony (die in 1901 het reeds genoemde schilderstuk op het hoogaltaar leveren zou). Ze waren een jubileumgeschenk van de parochianen aan pastoor Van der Lee. Deze zou de reeks door zijn overlijden in 1891 overigens niet voltooid zien. Evenals bij de kruiswegstaties die Anthony voor de Sint Janskathedraal schilderde, grijpt hij terug op de stijl van de Vlaamse Primitieven uit de vijftiende eeuw. De bijfiguren gaan gekleed in de dracht van het Bourgondische hof. De hoofdfiguren dragen bijbelse kleding. Door de middeleeuwse stadsgezichten op de achtergrond worden de scènes in een Vlaamse context geplaatst. De reeks is een voorbeeld van de Antwerpse historiserende school van baron Leys e.a.

Vierde kruiswegstatie: "Jesus ontmoet zijne Heilige Moeder", Jean Anthony 1892. 
(Foto Frans van Ameijde, coll. RHC Tilburg).

In de loop van de eeuw was de kerk door al deze schenkingen steeds voller geraakt. Mede door de toevoeging van de twee "zij"-kapellen aan de westzijde in 1894-1895 kreeg zij een steeds monumentaler aanzien. Rond de eeuwwisseling kende men echter nog steeds slechts eenvoudige glasvensters in plaats van de gebrandschilderde ramen zoals we die nu kennen. Te beginnen in 1902 werden de ramen geleidelijkaan vervangen door de huidige exemplaren. 

Het begin werd gemaakt bij de twee zijkapellen. Het Roermondse atelier van F. Nicolas leverde de zes ramen waarvoor door een aantal parochianen geld gegeven was. De afgebeelde onderwerpen hangen samen met de functie van de kapellen: de doopkapel en Allerzielenkapel. De laatste is een ruimte ter nagedachtenis en intentie van overleden personen wier namen op de zijwanden vermeld staan. Het altaar dat ca. 1897 geplaatst werd, is afkomstig van het Turnhoutse atelier van J. Marijnen. Voor de Calvariegroep op de predella is de Tilburger Henricus van Tielraden verantwoordelijk. Bernard en Trees Pollet waren de schenkers. 

Wedervondst van Christus in de tempel, Firma F. Nicolas & Zonen 1918. (Foto Frans
 van Ameijde, coll. RHC Tilburg).


De grote ramen in de zijbeuken werden tussen 1903 en 1923 vervaardigd. Ook hiervoor was het atelier van F. Nicolas verantwoordelijk. Ze stellen veertien van de vijftien Rozenkransgeheimen voor. Het vijftiende Geheim, de Kroning van Maria, wordt weergegeven in het Maria-altaar waarop zich het beeld van de gekroonde Madonna bevindt. Het Rozenkransreliëf is speciaal voor deze functie toegevoegd. Oorspronkelijk bevonden zich hier de Maria-initialen in een lauwerkrans. De Geheimenreeks begint bij het H.-Hartaltaar en eindigt bij het Maria-altaar. In de decoraties wordt voortgebouwd op de 16e-eeuwse Renaissance-stijl. Tempelmotieven, zuiltjes, acanthusbladeren en cartouches komen veelvuldig voor. De neogotiek die wel te zien is in het maaswerk (driepassen, visblazen) is in het glaswerk dus bewust achterwege gelaten. Aansluiting bij de classicistische stijl van het gebouw en de neobarokke inventaris zal hierbij van doorslaggevende betekenis geweest zijn. Wat de onderwerpen zelf betreft, is een belangrijke rol gespeeld door dr. Xavier Smits. Deze geestelijke, die te Leuven afgestudeerd was in de kunstgeschiedenis en o.a. verbonden geweest is aan het rijksarchief in Den Bosch, was bevriend met de toenmalige pastoor van 't Heike, dr. G. van Heck. Uit de correspondentie tussen Nicolas en Van Heck blijkt dat Smits belangrijke adviezen gegeven heeft omtrent de voorstellingswijze van de onderwerpen. Verder spreken uit die correspondentie ook de problemen tengevolge van de Eerste Wereldoorlog: vertraging van de aflevering door mobilisatie, verhoging van de prijs door stijging van de grondstoffenkosten en hogere lonen etc. Winst werd er vrijwel niet meer gemaakt. Op 9 augustus 1918 vermeldt Nicolas zelfs: "Om bij ons werken ook nog geld toe te geven, dat mogen wij niet tegenover onze kinderen". Na de oorlog komen dan problemen naar voren zoals stijging van de kosten door de nieuwe arbeidswet waardoor er in plaats van de 57-urige werkweek tegen hetzelfde weekloon een 45-urige kwam. Ook deze ramen werden door de parochie geschonken, hetgeen o.a. blijkt uit begeleidende teksten en wapenschilden. In veel gevallen is tevens de reden van de schenking vermeld.

H. Elisabeth van Thüringen, J.B. Capronnier 1878. (Foto Frans van Ameijde,
 coll. RHC Tilburg).


Naast andere werken die eveneens geschonken werden, zoals de zilveren godslamp in het priesterkoor (in 1893 geschonken door de geestelijke J. Wouters) en de gedenkplaat voor Joannes Zwijsen in de rechterzijbeuk (1880 geschonken door de parochie) was het merendeel van de thans zichtbare inventaris van 't Heike nu bijeengebracht. In de loop van de 20e eeuw bleef de kerk dan ook nagenoeg haar uiterlijk behouden, afgezien van wijzigingen zoals de plaatsing van een nieuw, tweede priesterkoor rond 1968 als gevolg van de liturgische vernieuwing. Een van de jongste aanwinsten werd verkregen in 1989: het rouwbord van het Sint Sebastiaansgilde in de Allerzielenkapel. Dit rouwbord, dat vanwege de rocaille-decoratie gedateerd moet worden in de 18e eeuw (de aangebrachte datering, 1617, verwijst naar een mogelijke heroprichtingsdatum van het gilde - hierover is echter niets met zekerheid bekend) geeft een voorstelling van de H. Sebastiaan met de wapens van Tilburg en van de familie Van Hogendorp van Hofwegen, de toenmalige heren van Tilburg en Goirle (sinds 1754). De plaatsing in de oudste kerk van de stad onderstreept door de relatie met het gilde de belangrijke betekenis van de Heikese kerk op Tilburgs cultureel gebied. Hij geeft te zamen met de overige inventarisstukken en het gebouw zelf een beeld van vele eeuwen religieuze betrokkenheid van de Tilburgers. Met recht kan de Heikese kerk daarom gezien worden als een monument voor Tilburg bij uitstek. 

Rouwbord Sint Sebastiaansgilde, maker en jaartal onbekend (na 1754). (Foto Frans van Ameijde, 
coll. RHC Tilburg).


Lijst van gebruikte termen

absis: halfronde koorafsluiting
arabesk: krulvormige decoratie bestaande uit bladmotieven
calot-overwelving: hele of halve koepelvormige overwelving
canneleren: geleden van een zuil door verticale lijnen
cartouche: schildvormige decoratie die voorzien kan zijn van een reliëf
chronogram: de grote letters binnen een Latijnse tekst geven, gelezen als Romeinse cijfers, een jaartal contrefort: steunbeer
draaitabernakel: tabernakel met draaiend middenstuk dat uit een aantal afzonderlijke delen bestaat (voor expositie van monstrans, crucifix, ciborie)
driepas: gotisch motief bestaande uit drie elkaar snijdende cirkels
festoen: slinger van vruchten
fioel: gesloten of opengewerkt torenvormig geheel met pinakelbekroning
grotesken: renaissance-decoratie bestaande uit fantastische figuren en arabesken hallenkerk: kerk met beuken van gelijke hoogte
hogel: decoratie op pinakel of andere gotische elementen, gewoonlijk bestaande uit eikeblad
Ionisch kapiteel: bovenstuk van zuil, met twee krulvormige zijden of vier krulvormige hoeken
knoopkandelaar: kandelaar met knoopvormige decoratie op de stam
kroonlijst: bovenrand
kruisbloem: bekronend element,gewoonlijk bestaande uit eikebladeren
liseen: halfpilaster zonder kapiteel en basement
maaswerk: raamgeleding
mensa: altaartafel
octagonaal: achthoekig
pinakel: pyramidale bekroning voorzien van kruisbloemen en/of hogels
polychromering: kleurige beschildering
polygonaal: veelhoekig
predella: altaargedeelte tussen mensa en opstand
prerafaelitisch: kunstuiting in de tweede helft van de negentiende eeuw die vooral teruggreep op Vroegrenaissance-voorbeelden
putto (mv. putti): naakt voorgesteld kind of engeltje
Quattrocento: Italiaanse vijftiende eeuw cq. Vroegrenaissance
rocaille: schelpmotief binnen de rococostijl
Sacra Conversazione: voorstelling van Maria met aan weerskanten heiligen
tazza: schaal op voet
tongewelf: halfrond gewelf
trumeau: midden- of verdeelpijler van een ingangspartij
tympaan: bekronende geveldriehoek
voussure: voorzijde van boog die als omlijsting van een ingangspartij in veelvoud aanwezig is


Bronnen

Gemeente-archief Tilburg:

Parochie-archief Heike:
(N.B. de lijst is gebaseerd op de voorlopige inventaris van F. van Zutphen, waar aan de stukken nog geen definitieve nummering is toegekend, zodat de nummers hier slechts onder voorbehoud kunnen worden gegeven.) 

1 Registrum Memoriale.
GB 1-10 Grootboek.
(18) Ontwerp raam "Boodschap van de engel Gabriël aan Maria". 
(19) Ontwerp wandmeubilair onder het oxaal. 
(20ab) Ontwerp zitbanken. 
(23abc) Ontwerpen voorgevel. 
(23d) Plattegrond. 
(26ab) Detailontwerp voorgevel kapellen. (27a) Lengtedoorsnede priester koor. 
(27b) Tekening ramen priester koor.
(29) Ontwerp muurschildering Maria- altaar.
(30) Ontwerp altaar Allerzielenkapel.
(32abc) Ontwerp ciborie.
(33) Plattegrond. 
179 Brieven relikwieën hoogaltaar.
190 Parochieel dagboek. 
228 Inventarislijsten.
289-290 Stukken restitutie kerkgebouw.
292-297 Stukken herbouw kerk.
302 Rekening en verantwoording restauratie en verbouwing toren en voorgevel.
303 Correspondentie ontwerp en leverantie ramen.
310a Stukken aankoop hoogaltaar.
311 Ontwerpen verbouwing priesterkoor en wijziging bankenplan.
312 Ontwerp altaartafel en wijzigingen priesterkoor.

Bisdomarchief Den Bosch:

Dozen parochie Heike.
Dozen oud parochie-archief Heike.

Brabantica-collectie Katholieke Universiteit Brabant:

Provinciale Noordbrabantse en 's-Hertogenbossche Courant 12 November 1937 (overlijdensartikel dr. C.F.X. Smits) 


Literatuur

Becx, J.A.J., 'Twee abdijhoeven te Tilburg onder de kromstaf van Tongerlo'; in De Lindeboom, jaarboek II (Tilburg, 1978), p.129 vv.

De beeldhouwkunst in de eeuw van Rubens in de Zuidelijke Nederlanden en het Prinsbisdom Luik; catalogus van de tentoonstelling in het Museum voor Oude Kunst te Brussel (Brussel, 1977).

Boeren, P.C., 'Het oudste Liber Anniversariorum der kerk van Tilburg'; in: Bossche Bijdragen, 22 (1954), p.116 vv.

Boeren, P.C., 'Uit de parochiegeschiedenis van Tilburg voor 1600'; in: H.J.A.M.Schurink en J.H.van Mosselveld red., Van Heidorp tot Industriestad (Tilburg, 1955), p.77 vv. 

Bruijn, Martin de, 'Hoe is Tilburg aan zijn kerkpatroon gekomen?'; in: Actum Tilliburgis, driemaandelijks tijdschrift van de Heemkundekring "Tilborch", jrg.11, p.2-3. 

Delien, W.A.M., 'Die kercke van Sinte Michiels tot Enschot. Bijdrage tot de geschiedenis van het dorp Enschot in het gebied der "Tilburgen"'; in: De Lindeboom, jaarboek IX-X (Tilburg, 1987), p.11 vv. 

Dilis, E., 'De Gebroeders De Cuyper Antwerpsche beeldhouwers (1807-1883)'; in: Bijdragen tot de Geschiedenis, jrg.16, 1924-1925, p.307 vv.

Donders, J., 'Kerkelijke kunst in Tilburg'; artikelenreeks in: Roomsch Leven, weekblad in het dekenaat Tilburg (aug.-dec. 1946).

Dijck O.Praem, L.C. van, 'Evermodus P.H. Backx, de tweede stichter van de Abdij van Tongerlo; bijdrage tot een levensschets (1835-1845)'; in: De Lindeboom, jaarboek V (Tilburg, 1981), p.159 vv.

Dijck O.Praem, L.C. van, 'Evermodus Duchamps, pastoor te Tilburg (1807-1832) en prior van de verdreven abdijgemeenschap van Tongerlo'; in: De Lindeboom, jaarboek IX-X (Tilburg, 1987), p.167 vv.

Haan, A.H. de, 'Kerkrestitutie in Tilburg. De Tilburgse hervormde gemeente en de gebeurtenissen die leidden tot de afstand van de grote parochiale kerk, 1795-1823'; in: De Lindeboom, jaarboek VII (Tilburg, 1983), p.25 vv.

Hest, J.van, De neobarokke preekstoel in de St.-Lambertuskerk te Udenhout. Kunst- en cultuurhistorische aspecten van een kerkmeubel (ongepubliceerde doctoraalscriptie Katholieke Universiteit Nijmegen, 1989).

Janssen, A. en Herck, C. van, ‘Guillielmus Keericx, Antwerps beeldhouwer 1652-1719’; in: Jaarboek Antwerpse Oudheidkundige Kring, 17 (1941), p. 43 vv.

Jespers, F., Brabants orgelbezit. Een inventarisatie van Brabantse orgels ('s-Hertogenbosch, 1975).

Jespers, F., 'De historie van de Tilburgse orgels'; in: De Lindeboom, jaarboek II-IV (Tilburg, 1979-1980), p.243 vv. 

Kirschbaum S.J., E., (ed.), e.a., Lexikon der Chtistlichen Ikonographie, 8 dln. (Rome-Freiburg-Basel-Wenen 1968-1976); Dionysius: dl. 6, p. 62 vv.

Koldeweij, A.M.,(red.), Zilver uit 's-Hertogenbosch. Van Bourgondisch tot Biedermeier; catalogus van de tentoonstelling in het Noordbrabants Museum te 's-Hertogenbosch ('s-Hertogenbosch, 1985).

Laarhoven, J.van, (red.), 'Naar gothieken kunstzin'. Kerkelijke kunst en cultuur in Noord-Brabant in de negentiende eeuw; catalogus van de tentoonstelling in het Noordbrabants Museum te 's-Hertogenbosch ('s-Hertogenbosch, 1979).

Laarhoven, J.van, Het schetsenboek van Hendrik Verhees (facsimile-uitgave bewerkt en ingeleid door Jan van Laarhoven, 's-Hertogenbosch, 1975).

Langeweg, L., Het geslacht Mutsaerts te Tilburg, 1450-1960 (z.j.en z.p.).

Loon, A.J.A.van, 'De Huizinge Moerenburg en haar bewoners, I (1358 - 1648)'; in: De Lindeboom, jaarboek II (Tilburg, 1978), p.81 vv. 

Plevoets, A., 'De afkomst van de Giselberten, heren van Tilburg'; in: Actum Tilliburgis, driemaandelijks tijdschrift van de Heemkundekring Tilborch, jrg.11, p.5 vv. 

Roosenboom, H.Th.M.,' "De papen knoeien, de papen donderen.....". Mr.C.C.D.Ebell en dr.C.F.X.Smits in de Noordbrabantse archiefkwestie, 1911-1914'; in: J.P.A.Coopmans en A.M.D.van der Veen red., Van Blauwe Stoep tot Citadel. Varia historica nova Ludovico Pirenne dedicata ('s-Hertogenbosch, 1988), p.311 vv.

Sande, P.van de, Kunst onderweg, 166 kunstwerken in Tilburg (Tilburg, 1986).

Schutjes, L.H.C., Geschiedenis van het Bisdom 's-Hertogenbosch, 6 dln. (Sint-Michielsgestel, 1870-1881); Tilburg: dl. 5, p.704 vv.

Steijns, G.J.W., 'Tilburg als parochie van Tongerlo 1232-1832'; in Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, jrg.2 (1984), nr.2, p.6 vv. (N.B. Dit nummer verscheen ook als los katern onder de titel: Tussen Tongerlo en Berne, 750 jaar Norbertijnen in Tilburg.) 

Steijns, G.J.W., 'De zorg voor de archieven in Tilburg'; in: A.J.A.van Loon, R.M.Peeters en G.J.W.Steijns, Het Gemeentearchief van Tilburg (Tilburg, 1988), p.22 vv.

Terstegge, Anselmus, Honderd jaar monnikenleven in Koningshoeven (Tilburg, 1984).

Theuws, F.C., 'Middeleeuwse parochiecentra in de Kempen 1000 - 1350'; in: Het Kempenproject 3. De Middeleeuwen centraal; Bijdragen tot de studie van het Brabants Heem, deel 33 (Waalre 1989), p.97 vv. 

Timmers, J.J.M., Christelijke symboliek en iconografie (tweede herziene druk; Haarlem, 1978).

Vermeersch, V., De God de Vader van Quellinus; in: V.Vermeersch red., Brugges kunstbezit (Brugge, 1973), p.107 vv.

Vrins, G., Inventaris van het kerkelijk kunstbezit van de parochie van de H.Dionysius ('t Heike) te Tilburg ('s-Hertogenbosch, 1979, ongepubliceerd).

Wegwijzer voor de St.Dionysiusparochie 't Heike Tilburg (Tilburg, 1962).

Weijters, C.J., 'De parochie Tilburg en de Abdij van Tongerlo'; in: De Lindeboom, jaarboek II (Tilburg, 1978), p.11 vv.

Weijters, C.J., Scholen en schoolmeesters in Tilburg, 1532-1858 (Tilburg, 1981).

Zutphen, F.van, Inventaris van de archieven van de parochies van 't Goirke en 't Heike te Tilburg (ongepubliceerd, verschijnt binnenkort).

* Drs. Joost van Hest studeerde kunstgeschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. In zijn afstudeerproject richtte hij zich op het neobarokke meubilair in de Sint-Lambertuskerk te Udenhout. Ook daarna bleef de negentiende-eeuwse kerkelijke kunst zijn belangrijkste aandachtsveld.