Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
271. Het joodse begraven in Tilburg
 

Titel:   

Het joodse begraven in Tilburg

Ondertitel:   

Auteur:   

Cees van Raak*

Jaargang:   

X(1992) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

1

Pagina’ s:   

8-12


In mijn onderzoek over de kerkhoven en begraafplaatsen van Tilburg heb ik weinig aandacht kunnen schenken aan de joodse begraafplaats aan de Delmerweg, terwijl over de geschiedenis ervan meer interessants te vermelden viel. Dit artikel wil dan ook het onderwerp nader belichten.

Korte geschiedenis


De eerste joden die zich na 1767 in Tilburg vestigden, kwamen uit Oisterwijk, dat eertijds een wollenstoffennijverheid kende en dat tot de emancipatie onder de Bataafse Republiek fungeerde als moedergemeente voor de joden uit de dorpen van de Meierij. In Oisterwijk, waar zich kort voor 1746 aanwijsbaar de eerste joden vestigden (daarvóór waren het rondtrekkende marktkooplieden) en dat omstreeks 1764 een twintigtal joodse families telde, lag de begraafplaats die ook diende voor diegenen die in de nabije dorpen woonden, zoals Waalwijk, Hilvarenbeek en vanaf 1767 Tilburg. 

In februari van dat jaar vroeg een zekere Levie Hartog uit Oisterwijk toestemming aan drost en schepenen om in het snel groeiende Tilburg te komen wonen. Joden mochten zich namelijk niet vrij vestigen. In mei werd zijn verzoek afgewezen, maar nog in hetzelfde jaar beslisten de Hoogmogenden, de Staten-Generaal, anders, doordat Hartog via een rekwest aan stadhouder Willem V wel woonrecht verkregen had. Zo kon hij zich in Tilburg vestigen en er het slagersvak gaan uitoefenen en het handelen in vee. Hierom werd hij dan ook door zijn Oisterwijkse geloofsgenoten Leib Tilburg genoemd. Toen zijn zoon Jacob vijftien jaar later een kledinghandel begon, klaagden de Heeren bij de Hoogmogenden dat, als het zo door zou gaan, er spoedig zeven Joodse huisgezinnen zouden zijn en het met de welvaart van Tilburg spoedig gedaan zou zijn. Men wilde een verbod om te trouwen instellen of anders moesten de joodse kinderen maar zo snel mogelijk na hun achttiende Tilburg uitgezet worden. Op 17 december 1790 beslisten de Hoogmogenden dat het voor de kinderen van Levi Hartog verboden was afzonderlijke huishoudens te vormen. De vader berustte nogmaals hier niet in, en het resultaat was dat Tilburg meerdere joodse huishoudens zou toelaten, maar wel onder uitdrukkelijk beding dat zij geen handel mochten drijven waardoor de fabrieken benadeeld zouden worden of waartoe slechts ingezetenen bevoegd waren. In 1791 vestigden zich hier meerdere joodse gezinnen. 



Interieur van de joodse synagoge in de Willem II-straat 
in 1975. In 1976 is de synagoge door de joodse 
gemeenschap verlaten (tekening Harrie Corvers; 
coll. RHC Tilburg).

Met de komst van de Fransen in 1795 verviel echter iedere wettelijke grond om de joden het nog moeilijk te maken. In 1808 telde Oisterwijk 89 joden, Tilburg 15 en Hilvarenbeek 4, maar het naburige Tilburg, dat met zijn lakenfabricage meer toekomst bood, was nu echt bereikbaar geworden. Na de Franse tijd en het herstel van de Nederlandse onafhankelijkheid in 1816, werd Tilburg hoofdgemeente. De begraafplaats resteerde als enig aanrakingspunt tussen de beide gemeenten, en daar werd nog lang gebruik van gemaakt. Maar andere dan Oisterwijkse joden die zich mettertijd ook in Tilburg vestigden, voelden zich niet gebonden aan de oude begraafplaats van Oisterwijk. In 1821 werd een stuk weiland aangekocht met als doel het aanleggen van een joodse begraafplaats in Tilburg, maar pas in 1847 vroeg men er toestemming voor. Er werd van de kant van de Israëlitische Gemeente wel op spoed aangedrongen, want er was dringend behoefte aan. Die toestemming gaf de gemeente Tilburg met zelfs een subsidie van 300 gulden. Dit geld wendde men echter voor andere aangelegenheden van de joodse gemeente aan en dat schoot het ministerie van Openbare Eredienst in het verkeerde keelgat. De begraafplaats was toch zo noodzakelijk! Het bestuur van de joodse gemeente antwoordde dat de aanvraag gedaan was door een vorig bestuur en dat de begraafplaats achteraf toch niet zo dringend leek. De overheid gelastte hierop toch zo spoedig mogelijk over te gaan tot de aanleg; de laatste rustplaats werd wel als een urgente zaak gezien. En de subsidie zou in consignatie gehouden worden door de secretaris van Tilburg en pas na stipte naleving teruggegeven. In 1855 kwam er schot in de zaak. De grond uit 1821 werd verkocht en in plaats daarvan kocht men een bunder heide van de gemeente Tilburg, gelegen vlak bij de Oude Warande, voor de prijs van 30 gulden. De begraafplaats werd in 1857 in gebruik genomen; het begrafenisboek uit die tijd geeft als eerste teraardebestelling de datum 30 juli 1858. 



Het metaheirgebouwtje aan het begin van de joodse begraafplaats stamt uit 1936. 
Hier is ook de gevelsteen van de voormalige synagoge uit de Willem II-straat 
(foto Cees van Raak; coll. RHC Tilburg).


De joodse begraafvereniging

Tegelijkertijd richtte het joodse bestuur de begraafvereniging 'Ahawath Sjoloum' op, wat eensgezindheid betekent. Een van de eerste maatregelen die genomen werden was het gebruik van een begrafenisboek door de toenmalige gazan (voorzanger in de joodse gemeente) N.S. Sitters. Vermoedelijk heeft het begrafeniswezen daarvoor geressorteerd onder de joodse Kerkeraad. Het genootschap, dat nog steeds bestaat, stelt zich tot doel het verlenen van hulp aan stervenden, het reinigen en ter aarde bestellen van lijken, overeenkomstig de joodse voorschriften en de landswetten. Lid kan men worden als men ook het lidmaatschap heeft van de joodse gemeente in Tilburg, die heden ten dage een kleine twintig leden telt. De vereniging werd in het begin bestuurd door drie mannelijke en twee vrouwelijke personen, tegenwoordig door drie mannen; een keer per jaar vindt de algemene ledenvergadering plaats. 

Vroeger waren de leden verplicht te zorgen voor de reiniging van het lijk, begeleiding en teraardebestelling ervan en aanwezig te zijn in het huis van de overledene voor de gebruikelijke godsdienstoefeningen. Men werd hiervoor volgens een rooster opgeroepen. Als iemand zich hier aan onttrok, dan volgde een boete van drie gulden; nu is dit niet meer. 
'Ahawath Sjoloum' stelde bij stervenden een waker aan en zorgde ook voor doodskleren, doodskist, lijkwagen, graf, de teraarde- bestelling en voor de lijkrede. Deze rede werd door de onderwijzer van de joodse gemeente gehouden, in de begraafvereniging had hij tevens de taak van secretaris. Ook kende de vereniging een bode die de maandelijkse contributie ophaalde, de leden opriep en verdere door het bestuur aan hem opgedragen werkzaamheden verrichtte. Door de tijden heen zijn diverse functies van de vereniging komen te vervallen, maar andere worden nog steeds in ere gehouden, zoals we verderop zullen zien.

Het joodse begraven

Nederland telt 195 joodse begraafplaatsen, waarvan Muiderberg bij Amsterdam de grootste Asjkenazische is en die van Ouderkerk aan de Amstel de oudste is, wereldberoemd zelfs, en waar hoofdzakelijk Sefardische joden werden en worden begraven. De Asjkenaziem zijn de uit Midden- en Oost-Europa afkomstige joden, wier omgangstaal het bijna verdwenen jiddisch is, de Sefardiem zijn de Zuideuropese joden. Een typisch verschil tussen deze twee groepen laat hun grafcultuur zien: Asjkenazische joden plaatsen altijd een opstand bij hun graven, terwijl de Sefardiem aan liggende zerken te herkennen zijn. Op het oude gedeelte van de joodse begraafplaats van Tilburg vindt men van de laatste slechts een voorbeeld (zie foto). Overigens zijn beide gedeelten in gebruik, met dien verstande dat de open plekken van het oudste stuk gereserveerd zijn voor diegenen wier familie daar reeds rust. 
Voor alle joodse graven geldt dat ze eeuwig zijn, dus nooit geruimd mogen worden. Toen burgemeester en wethouders in 1921 besloten de begraafplaatsen binnen de bebouwde kom op te heffen, werd hierom de joodse dodenakker ontzien; daarbij telde natuurlijk ook dat hij toch al buiten de bebouwde kom gelegen was. Het besluit van B&W werd trouwens niet uitgevoerd. 
Zoals gezegd stamt de joodse begraafplaats uit 1855 en ze is nog immer in gebruik bij de inmiddels sterk gedecimeerde joodse gemeente van Tilburg, die officieel behoort tot de orthodoxe tak. Dat laatste is duidelijk zichtbaar in de nog steeds in gebruik zijnde rituelen.



Graf van gazan (voorzanger) en godsdienstonderwijzer 
Victor van Rhijn (1867-1928), die volgens de joodse 
traditie ook bij de begrafenissen betrokken was. Hij 
kwam uit Hoogeveen en woonde met zijn gezin in de 
Willem II-straat 18, waar ook de joodse school gevestigd 
was, links van de synagoge (foto Cees van Raak; coll. 
RHC Tilburg).

In de tijd dat de synagoge nog als synagoge in gebruik was (het gebouw uit 1874 is in 1976 van de hand gedaan, maar momenteel gaan er stemmen op om er weer diensten te houden, naast de tegenwoordige theateractiviteiten en tentoonstellingen), stopte de begrafenisstoet er even voor. Daarna ging de tocht verder naar de laatste rustplaats. Overigens vele jaren met politiebegeleiding, naar aanleiding van een anti-joodse rel bij een begrafenis eind vorige eeuw. De begraafplaats wordt Beth Chaim, huis der levenden, genoemd. Want hoewel het geloof in een leven na de dood in het jodendom niet geheel vreemd is, gaat het in hoofdzaak om de tocht door het aardse leven. Zo wordt het woord 'begraven' nooit op de zerken gebruikt, wel 'verstoppen' of 'verbergen'. Met de voeten naar het oosten gekeerd, naar de heilige stad Jeruzalem, ligt men tot de opstanding verborgen met de hoop dat 'zijn/haar ziel gebundeld moge zijn in de bundel van het eeuwige leven' (een veel voorkomende spreuk op grafstenen, als afkorting T N Ts B H).

Wat ook altijd bij een begrafenis plaatsvindt, is het houden van de lijkrede en het uitspreken van kaddisj (lofprijzing van God) door de rabbijn in het metaheirhuisje, het gebouwtje aan het begin van de begraafplaats (zie foto). De stoet loopt daarna door, de dodenakker op, nu zonder de rabbijn, want de Koheniem, de priestertak, is het vanwege de onreinheid verboden om op een begraafplaats te komen. De kist torst men op een baar, een herinnering aan de Heilige Ark. Opmerkelijk is dat men na enkele passen steeds halt houdt om het gebed uit te spreken. Ten slotte wordt de grafkuil bereikt, die pas op de dag zelve gedolven is. Het graf wordt gezamenlijk dichtgegooid, zowel door de mannen als door de vrouwen. Asjkenazische joden verlaten de dodenakker dan ook niet voordat de grafkuil geheel met aarde gevuld is. Op zich is de begrafenis sober, er worden geen bloemen neergelegd. De matséwa, de grafsteen, die vaak eenvoudig gehouden wordt, verschijnt pas veel later, zeker niet voordat de dertig dagen rouwvertreken zijn, dikwijls pas na elf maanden aan het einde van het rouwjaar. Wanneer de steen geplaatst wordt, gaat dit met een kleine plechtigheid gepaard.



Gedeelte van de joodse begraafplaats. Het sefardisch 
graf valt duidelijk op door zijn ligging (foto Cees 
van Raak; coll. RHC Tilburg).

Joodse grafschriften blijken dikwijls een belangrijke bron van informatie, vooral in die plaatsen waar de joodse archieven verdwenen zijn. Men kan ze vergelijken met de katholieke bidprentjes. Boven aan de zerk, of na een spreuk, staan meestal twee letters, die afkortingen zijn. P.N. staat voor Hier rust, meestal voor een man, en P.T staat voor Hier ligt verborgen, bij een vrouw. Sommige bovenschriften zijn zinnen uit Tenach, het Oude Testament, uit het boek Genesis en betrekking hebbend op de Aartsvaders, en uit Profeten, Psalmen of Spreuken. Andere afkortingen die men zoal tegenkomt, zijn b (ben/bat, zoon/dochter van) en T. M. K. (moge zijn/haar rust eervol zijn). N.d.kl.t. staat voor: naar de kleine telling (van de jaren van de joodse kalender), d.w.z. onder weglating van het duizendtal, hier altijd 5000. 

Op het oude (linker) gedeelte bevinden zich veelal losstaande opstanden in neoclassicistische stijl, waarvan sommige voorzien zijn van een timpaan en/of acanthusreliëf (drie van deze zerken staan beschreven in mijn publikatie Verstilde stad). Enkele grafstenen dragen de naam van een (Tilburgse) steenhouwer, voorbeelden zijn die van A. v.d. Schoot, L. Petit en zoon H. Petit. 
De begraafplaats wordt goed onderhouden, maar dat er niet altijd zorgvuldig te werk werd gegaan, blijkt uit een anekdote uit 1907. In dat jaar verzocht de burgemeester van Tilburg, namens de commissaris van politie, het bestuur van de begraafplaats voortaan een nauwkeurige administratie bij te houden. Aanleiding hiervoor was een onderzoek naar de doodsoorzaak van een zekere Bernardus van Hoof, die er vanaf 18 april van dat jaar begraven lag. De doodgraver bleek echter niet in staat te zijn de juiste plaats aan te wijzen, zodat er eerst enige andere kisten opgegraven werden, voordat men de juiste had. Gelukkig dat dit soort zaken tot het verleden behoren. 
Tot slot dient voor de goede orde vermeld te worden dat de joodse begraafplaats niet vrij toegankelijk is.



Voorzijde programma bij de onthulling op 26 
september 1948 van het monument voor de 
iet-teruggekeerde joden, door opperrabijn S.A. 
Rodrigues Pereira. Een foto van dit monument
 staat in 'Verstilde stad'. Voor zover bekend 
stierven 105 Tilburgse joden in Duitse 
concentratiekampen. 


Bronnen

Gemeentearchief Tilburg
Archief van de Nederlandse Israëlitische Vereniging te Tilburg: (voorlopige) inv.nrs. 5, 10-15.
Documentatiemap Joodse Gemeente Tilburg.

Literatuur
W. de Bakker, 'Een eeuwenoude Israëlitische begraafplaats', in: De Kleine Meijerij, jrg. 23, afl. 2, 1972.
C.Th.J. Brands, De Joodse Gemeente in Tilburg (ongepubliceerde scriptie, z.p., z.j.)
J. Cahen, 'Geschiedenis en nut van de documentatie van joodse begraafplaatsen in Nederland', in: Bulletin KNOB, special begraafplaatsen, jrg.86, nr.5, 1987, p. 229-238.
M. Cahen, Vertaling zerkopschriften joodse begraafplaats Tilburg (ongepubliceerd).
P. van 't Hooft, 'Het einde van de mediene in Tilburg', in: Brabantia, nov. 1989, p. 9-11.
P.L. Leget-Kuijlen en W. de Bakker, 'Bewaarde grafstenen op de Oisterwijkse joodse begraafplaats', in: De Kleine Meijerij, jrg. 23, afl.2, 1972.
H. v.d. Molen, Met de joden op weg (Meppel, 1987), p. 58vv.
C. van Raak, 'Verstilde stad. De oude begraafplaatsen van Tilburg', in: Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur (special), jrg. 9, nr. 3, sept. 1991, p. 55-87.
W. Vons, 'Stenen getuigen. Zerken op oude joodse begraafplaatsen als archiefmateriaal', in: Elsevier, 22 sept. 1990, p. 151-153.
S.Ph. de Vries, Joodse riten en symbolen (Amsterdam, 1968), p. 259vv.

Met dank aan de heren Elzas en Sanders voor hun informatie.


* Cees van Raak (1954) studeerde Nederlands en geschiedenis aan het Moller-Instituut in Tilburg. Van zijn hand verscheen Verstilde stad, de oude begraafplaatsen van Tilburg, dat als special van Tilburg verscheen (1991) en dat de aanleiding vormde voor de tentoonstelling De dood niet vergeten in het Gemeentearchief. Ook publiceerde hij enkele gedichtenbundels. Werk van hem verscheen in diverse tijdschriften, o.m. Brabantia, Dietsche Warande & Belfort, Leydraden, De Tweede Ronde en Maatstaf.