Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
275. De geschiedenis van de parochie Tilburg 't Heike 
 

Titel:   

De geschiedenis van de parochie Tilburg 't Heike 

Ondertitel:   

Auteur:   

G.J.W. Steijns *

Jaargang:   

VIII (1990) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

3

Pagina’ s:   

64-75


Het hierna volgende is bedoeld om de meer dan vluchtig geïnteresseerde bezoeker van de Heikese kerk een inzicht te verschaffen in de voorgeschiedenis van het gebouw en zijn inventaris. Voor een goed begrip is het dan nodig om diep in de geschiedenis van de stad en de parochie terug te gaan. Wat volgt is echter uitdrukkelijk geschreven als samenvatting van hetgeen tot op dit moment reeds bekend was door publikaties of voor de auteur toegankelijke aantekeningen. Er is dus geen nieuw bronnenonderzoek verricht. Daarom is de periode na 1797 hier relatief onderbelicht gebleven, anders dan in het na dit stuk volgende verhaal over het huidige gebouw en interieur, waar de auteur wel gebruik heeft gemaakt van de relevante stukken uit het parochiearchief en relaties heeft gelegd met de historische feiten uit die periode. Een gemis hier, wordt daar dus goedgemaakt. 



Het ontstaan van de parochie Tilburg

Het verhaal van het ontstaan van de parochie en de parochiekerk van Tilburg, waarvan de huidige parochie en kerk van 't Heike de directe voortzetting vormen kan -nog- niet met enige mate van zekerheid verteld worden. Wij weten er eigenlijk bijzonder weinig van. Het is natuurlijk erg verleidelijk om die geschiedenis te laten aanvangen met de vermelding van "Tilliburgis" als plaats waar in 709 een Frankisch edelman goederen in het huidige Alphen schonk aan de Heilige Willibrordus, en om dan in de priesters Virgilius, die dat feit optekende, en Paulus, die daarbij getuige was, de oudst bekende parochiegeestelijken te zien. Dat is echter een onverantwoorde interpretatie van deze op zichzelf hoogst interessante historische bron. In de eerste plaats mag het 'Tilliburgis' van de achtste eeuw zeker niet zonder meer geïdentificeerd worden met de latere parochie 'West-Tilburg' en de huidige gemeente Tilburg. Dat moet een veel groter gebied betroffen hebben, waarin in de loop van de volgende eeuwen veel meer parochies zijn ontstaan. In de tweede plaats behoeven Virgilius en Paulus natuurlijk niet noodzakelijkerwijs aan een hier bestaande, bijvoorbeeld door Willibrordus gestichte kerk verbonden te zijn geweest. Zolang er door onderzoek in nu nog onbekende bronnen of door archeologisch onderzoek geen nieuwe feiten aan het licht komen, is alles wat gezegd wordt over de geschiedenis van de parochie en haar kerk tot het begin van de 13e eeuw, in hoge mate speculatief. Dat neemt niet weg dat we op grond van de voor dat moment met meer zekerheid bekende situatie en op basis van vergelijking met andere plaatsen in de Kempen, waarover inmiddels wat meer bekend is, wel verantwoorde veronderstellingen zouden kunnen wagen over de wijze waarop die situatie ontstaan is, maar we moeten voorzichtig zijn.

Voordat we verder gaan met de geschiedenis van de parochie moet eerst meer in het algemeen iets gezegd worden over de toestand van het gebied van het huidige Tilburg en de directe omgeving in de 12e en 13e eeuw.
In het deel van de vroegere Frankische gouw Toxandrië, dat kennelijk met de naam 'Tilliburgis' werd aangeduid, blijken omstreeks 1200, toen het afrondingsproces van het machtsgebied van de hertogen van Brabant hier in het noorden voltooid werd, verschillende domaniale bewoningskernen te zijn ontstaan. De voornaamste daarvan waren West-Tilburg, overeenkomend met de latere gemeente Tilburg en in nauwe relatie met Goirle, en Oost-Tilburg, het latere Oisterwijk, waaronder ook Berkel en Udenhout vielen. Een familie die zich 'Van Tilburg' noemde en waarvan opeenvolgende generaties de voornaam Giselbert droegen, had hier vele rechten en bezittingen. Waarschijnlijk had zij een burcht in Oost-Tilburg (Terborch aan de Voorste Stroom) en een uitgestrekt goed Ter Rijt in West-Tilburg. Ook in Helvoirt hadden de Giselberten bezittingen, waarop zij in 1192 een kapel stichtten die onderhorig werd aan de parochie van Oost-Tilburg. Zo'n situatie van afhankelijkheid van een kapel bij een domein ten opzichte van een reeds bestaande kerk die bij een moeder-parochie behoorde, was een normale zaak in die tijd. In het grensgebied tussen Oost- en West-Tilburg in de kern Enschot lagen bezittingen van de nauw aan de Giselberten verwante familie Van Boxtel, die later ook voor de helft eigenaar van Ter Rijt blijkt te zijn. 

In Enschot vinden we in 1164 al een kerk vermeld, toegewijd aan Sint Michiel, waarvan dan een vierde deel van de rechten aan de abdij van Tongerlo geschonken wordt. Vanouds wordt deze kerk de moederkerk van Tilburg genoemd, hetgeen zeker niet onmogelijk is, wanneer we een met Helvoirt vergelijkbare ontstaansgeschiedenis mogen veronderstellen: een secundaire parochie, ontstaan uit een door de Van Boxtels of de Giselberten bij hun domein Ter Rijt gestichte kapel. Dat domein blijkt ook juist ten zuiden van de kerk van West-Tilburg tussen de huidige Bisschop Zwijsenstraat en de Oude Dijk gelegen te hebben. Het zijn de eigenaren van dit goed of hun afstammelingen die in de loop van de 13e eeuw hun rechten op de inning van de tienden - een van oorsprong kerkelijke belasting, maar in handen geraakt van de particuliere stichters van z.g. eigen kerken - aan de abdij van Tongerlo afstaan. Daarvóór al, op 18 januari 1232, schonk Hertog Hendrik I van Brabant de patronaatsrechten van de kerk van West-Tilburg aan diezelfde abdij. Hetzelfde gebeurde ongeveer tegelijkertijd ook met die van Oost-Tilburg, maar dan aan de abdij van Sint Geertruid te Leuven. Daarmee hebben we voor het eerst vaste grond onder de voeten met betrekking tot de geschiedenis van de parochie Tilburg. 


De oude parochiekerk, gezien vanuit het zuidoosten. Aquarel op perkament door de "Gesworen 
Lantmeter" Roelof van der Vleuten, 1657 (Oud-archief Alphen). 

De parochiekerk van Tilburg is vanouds toegewijd geweest aan de H.Dionysius. Dit is geen patroonheilige die kenmerkend is voor de orde der Norbertijnen. Daarom is het aannemelijk, dat dit zogeheten Dionysius-patrocinium al van vóór 1232 stamt. De Heilige Dionysius, in de middeleeuwen ten onrechte geïdentificeerd met de door de apostel Paulus vermelde Dionysius 'de Areopagiet', is het meest bekend als de patroonheilige van Parijs en het Franse koningshuis. Hij zou volgens de kerkhistoricus Gregorius van Tours in het midden van de derde eeuw in Gallië het geloof zijn gaan prediken en in 285 met twee gezellen op de 'heuvel der martelaren' (Montmartre) zijn onthoofd, waarna hij met het afgehouwen hoofd in de handen naar een plek ten noorden van Parijs zou zijn gewandeld om daar begraven te worden. Boven dat graf werd de abdij van Saint-Denis gesticht, al sinds de Karolingen de begraafplaats van de Franse koningen. Het is opvallend, dat Dionysius als kerkpatroon vaak op of in de buurt van Karolingische goederen voorkomt, zoals in het Maasdal (o.a. Luik) en het kerngebied van het Hertogdom Brabant, tussen Leuven en Landen. Daar liggen de plaatsjes Nodebais en Piétrebais, waar omstreeks 1200 bezittingen lagen van dezelfde Giselberten, die we ook in het gebied van de 'Tilburgen' tegenkomen als mogelijke stichters van onze kerk. Zeer bijzonder is nu het feit, dat ook de kerk van Piétrebais is toegewijd aan Sint Dionysius, waarmee wellicht, zo niet rechtstreeks maar dan toch wel indirect, een relatie te leggen is tussen Tilburg en het Karolingische huisgoed.

De parochie Tilburg tot 1648

Het is opvallend dat met name hertog Hendrik I van Brabant, in zijn streven naar expansie en consolidatie van de noordelijke grens van het hertogdom aan de Maas, gebruik heeft gemaakt van de trend die ontstond na het Concordaat van Worms (1122, einde van de z.g. Investituurstrijd) om de zeggenschap van leken in kerkelijke zaken terug te dringen, door in zijn functie van voogd of beschermer van de abdijen plaatselijke heren over te halen of moreel te verplichten hun rechten ten aanzien van kerken en parochiegoederen aan die abdijen af te staan. Vaak ging dat via zijn hand. De overdracht van het patronaat van de kerken van Oost- en West-Tilburg in 1232 aan de abdijen van Leuven en Tongerlo markeert het moment waarop de rol van de Giselberten als plaatselijke machthebbers is uitgespeeld. In het abdijarchief van Tongerlo berust een reeks van oorkonden (1242-1264) die alle betrekking hebben op de overdracht van rechten op de tienden van Tilburg door afstammelingen van de Giselberten uit de families Van Gageldonk, Van Pumbeke, Van Kruiningen enz. 

Onder het patronaat en het daarmee verbonden begevingsrecht verstaan we, dat de 'patroon', een persoon of instelling, het recht had om een pastoor ter benoeming voor te dragen aan de bisschop, in dit geval die van Luik. Als de patroon een abdij was, kon dat een lid van die gemeenschap zijn; dat hoefde echter niet. De abdij van Tongerlo heeft waarschijnlijk vanaf het begin wel eigen abdijheren doen benoemen, maar het kerkelijk recht van die tijd liet nog toe dat deze 'persoon' of pastoor niet werkelijk in zijn parochie 'resideerde', maar zich voor de daadwerkelijke zielzorg liet vervangen door een 'vice-cureit' of onderpastoor, meestal een plaatselijke geestelijke. 

Gravure van de abdij van Tongerlo uit 1650. Middenboven, Augustinus Wichmans, linksboven zijn wapen en 
rechtsboven een schild met de zinnebeeldige voorstelling en het devies van de abdij: een omstraalde en omwolkte 
hand met de spreuk "veritas vincit" (de waarheid overwint). (Coll. RHC Tilburg).


De oudste pastoor die we kennen, is "Frater Johannes, persona de Westilborch", die in 1242 als getuige optrad bij de overdracht aan de abdij van een deel van het tiendrecht door ridder Giselbert van Tilburg. In 1317 wordt nog een Johannes vermeld, maar de eerste die we met naam en toenaam en voor een langere periode kennen, is Johannes van Ghestel (1365-1389). Rutger van Holten was in 1502 de eerste norbertijner pastoor die ook werkelijk in Tilburg actief was. Door deze gang van zaken is het waarschijnlijk, dat de banden tussen parochie en abdij lange tijd slechts van zakelijke aard zijn geweest. De parochie vormde eerder een bron van inkomsten - uit de tienden en drie hoeven, waaronder de nog bestaande en al in 1334 vermelde 'Spijker' of Tongerlose hoeve -dan een voorwerp van geestelijke zorg.

De 'dispensiers', 'pitanciers' of 'celliers', abdijfunctionarissen die met de inning van de inkomsten waren belast, verbleven op geregelde tijden in de 'Spijker'. Voor het aanvankelijk slechts incidentele verblijf van de pastoor werd in 1384 een huis gekocht aan de uiterste oostgrens van de parochie op Moerenburg. Dit aanzienlijke huis is tot 1648 pastorie gebleven, ook van de direct aangrenzende parochie Enschot, waarvan het pastoraat in 1319 met dat van Tilburg verenigd was. Zo was de moeder dochter geworden en omgekeerd.

De eerste residerende pastoor, Rutger van Holten, heeft alle rechten en bezittingen van kerk en pastoor in 1513-1516 opgetekend in twee registertjes, die samen zijn gebonden met het van kort voor 1509 daterende 'Liber Anniversariorum', het jaargetijdenboek van de parochie, dat nu in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel berust. Dit boek geeft ons door de opsomming van de pastorale verplichtingen waaraan inkomsten waren verbonden, een inzicht in het patroon en de praktijk van de liturgische vieringen. Het is nog ruim een eeuw daarna bijgehouden en aangevuld met nieuwe verplichtingen, die ook veelal samenhingen met de stichting van altaren en broederschappen, waarover hierna meer. 

't Huys Moerenburgh. Vroeg 18e-eeuws anoniem schilderij, olieverf op doek (part. coll. Tilburg 
[thans Noordbrabants Museum 's-Hertogenbosch]). Het enige overblijfsel zijn de schilddragende 
leeuwtjes uit ca. 1700 op de pilasters van de toegangspoort. Ze bevinden zich tegenwoordig in de 
tuin van de G.G.D. (Ringbaan West).

Na Rutger van Holten werd de directe bemoeienis van de Witheren van Tongerlo met de zielzorg in hun parochie Tilburg veel groter. Ook in omgekeerde richting werkte dat. Waren er vroeger al wel persoonlijke banden van Tilburgse families met de abdij - zoals de familie Back, waarvan een lid, Walter, van 1333 tot 1366 abt was en als zodanig de geestelijke stand van het hertogdom in de hertogelijke raad vertegenwoordigde - in de loop van de 16e en 17e eeuw wordt dat steeds duidelijker. Zo zien we dan bijvoorbeeld drie witheren Mutsaerts belangrijke functies in het abdijleven vervullen, ook op wetenschappelijk terrein. Dionysius Mutsaerts (1578-1635), door de abdij als proost naar het Norbertinessenklooster Sint-Catharinadal bij Breda gezonden, schreef een tweedelige 'Kerckelijke Historie', die in 1622 in Antwerpen werd uitgegeven. Zijn achterneef Gisbertus Mutsaerts (1598-1668) was prior van de abdij en proost van het klooster Leliëndaal in Mechelen. Hun oudoom Nicolaas Mutsaerts (1530-1608) was abt van Tongerlo van 1592 tot aan zijn dood. Hij was dat in een voor de abdij zeer turbulente tijd, die gekenmerkt werd door conflicten met het pas opgerichte bisdom 's-Hertogenbosch, door de kwalijke gevolgen van de Tachtigjarige Oorlog, maar ook door het in volle omvang doorbrekende contrareformatorische elan. 

Deze abt Mutsaerts was tevoren vanaf 1569 pastoor van zijn geboorteplaats geweest. Hij en zijn directe opvolgers - zoals de ook in Tilburg geboren Joannes Beris van Oerle, onder wiens pastoraat (1603-1616) de kerk herbouwd werd, de om zijn vroomheid bekende Petrus van Emmerick (pastoor 1616-1625), die met name de norbertijnse spiritualiteit in zijn parochie heeft ingevoerd (de z.g.'kwezels', leden van de derde orde van Sint-Norbertus) en de later ook abt (1644-1661) geworden Maria-vereerder Augustinus Wichmans (pastoor 1632-1642) - hebben de parochie met strakke hand geleid en daardoor gesterkt voor de periode dat zij in zeer moeilijke omstandigheden zou verkeren. Deze vaak zeer geleerde geestelijken beschikten in hun pastorie Moerenburg over een aanzienlijke bibliotheek, getuige de nog bewaarde inventarislijsten. Het kan niet anders of zij hebben de geest van de contrareformatie op hun parochianen overgebracht. Ondanks dat er met Pinksteren 1576 in de kerk beeldenstormers te keer zijn gegaan, is er geen hervormde groepering van betekenis van binnenuit in het dorp ontstaan. De mede uit de geloofsstrijd voortgekomen Tachtigjarige Oorlog heeft echter wel diepe sporen nagelaten in de parochiegemeenschap. Voortdurend waren er troepenbewegingen op het Brabantse platteland. Vooral na de verovering van Breda door Prins Maurits kwam Tilburg tussen de strijdende partijen te liggen,een situatie die de grote ramp van de brand van de kerk in 1595 veroorzaakte. De herwijding van het totaal herstelde en opnieuw opgesierde gebouw door de Bossche bisschop Nicolaas van Zoes op 29 januari 1617 - midden in de periode van katholieke geloofsrestauratie die het 'Twaalfjarig Bestand' in de Meierij betekende - moet voor de geboren Bosschenaar pastoor Van Emmerick een grote triomf geweest zijn. Hij begon in 1616 met een 'Manuale Pastorum in Tilborch' dat door zijn opvolgers nog tot 1655 is bijgehouden. Dit nog in het abdijarchief berustende geschrift bevat onschatbare gegevens over het wel en wee van de parochie. Vooral dat laatste! De parochie heeft namelijk niet lang van zijn nieuwe kerk mogen profiteren. 

De Tilburgse kerk met omringend kerkhof in de 18e eeuw. Aquarel van Jan de Beijer 
uit 1742 (Coll. RHC Tilburg). 

Op 14 september 1629 moest Anthony Schetz baron van Grobbendonck, heer van Tilburg en Goirle en Spaans gouverneur van de vesting 's-Hertogenbosch, deze stad aan Stadhouder Frederik-Hendrik overgeven. Ingevolge de capitulatievoorwaarden dienden alle geestelijken de stad te verlaten. Ook op het platteland van de Meierij moesten de priesters ingevolge een plakkaat van 29 oktober van datzelfde jaar de kerken ontruimen. Dat ging uiteraard niet zonder slag of stoot. In de jaren tot 1632 kwamen er regelmatig predikanten naar Tilburg om de kerk op te eisen, wat nu en dan ook voor korte tijd lukte. De voorzichtig maar wel principegetrouw tussen de partijen manoeuvrerende pastoor Wichmans kon bij de aanvang van zijn pastoraat weliswaar zijn kerk nog in bezit nemen, maar op 7 augustus 1633 moest hij het hoofd buigen voor de gewapende macht in de persoon van de Hoogschout van Den Bosch, die met ruim tachtig ruiters de eerste Tilburgse predikant Petrus Arleboutius letterlijk tot in de kerk bracht. De pastoor werd voor de diensten verbannen naar de school en de toehorende gelovigen naar het kerkhof. Nog bijna een jaar heerste een onduidelijke situatie, waarbij de kerk nog een aantal malen tijdelijk in katholieke handen was. Het plakkaat van 'retorsie' van juni 1634 en vooral het zogenaamde 'Strickter plackaet' van een jaar later maakten aan die onduidelijkheid een einde. In negatieve zin: de uitoefening van de katholieke eredienst werd verboden en de geestelijken werd het verblijf in de Meierij ontzegd. 
Tot aan de vrede van Münster in 1648 bleven Wichmans en zijn opvolger Augustinus van Dijck ondergedoken in de parochie, soms ook op het kasteel van de katholieke heren Schetz van Grobbendonck. 

De oude Grote of Torenkerk

Van het oudste kerkgebouw weten we niets. We mogen aannemen, dat het op dezelfde plek heeft gestaan als zijn opvolgers, maar er is nooit bodemonderzoek gedaan, zodat we slechts kunnen vermoeden, dat het een eenvoudig zaalkerkje geweest zal zijn, van een type zoals er in Oirschot nog een bewaard is gebleven. 

In 1430 begon men aan de bouw van een nieuwe, veel grotere kerk. Zes jaar later wordt al een Maria-altaar vermeld, dat het in het "nieuwe koor" is gesitueerd. In 1465 kregen de kerkmeesters nog eens verlof om ten behoeve van de afbouw en de inrichting kerkelijke eigendommen ter waarde van 100 Rijnsgulden te verkopen. Uit het desbetreffende stuk blijkt dat de kerk dan al een toren heeft. Het nieuwe gebouw was pas in 1483 gereed en werd op de feestdag van de patroonheilige (9 oktober) geconsacreerd door de wijbisschop van het bisdom Kamerijk omdat de bisschopszetel van Luik, waaronder de parochie ressorteerde, juist vacant was. Elf jaar later al schijnt deze kerk na een brand hersteld te moeten zijn. Ook dit gebouw kennen we niet door afbeeldingen of opgegraven resten. Uit de administratie van bisdom en abdij en andere archiefbronnen, zoals het bovenvermelde 'Liber Anniversariorum', kunnen we echter wel een indruk krijgen. We weten zo dat er behalve een hoofdaltaar, uiteraard gewijd aan de kerkpatroon, nog elf of twaalf bijaltaren waren, die gesticht en onderhouden werden door particuliere personen of broederschappen. Daaraan werden door middel van een zogenaamd 'beneficie' priesters verbonden ('altaristen' of 'vicarii'), die in feite slechts tot de bediening van dat altaar verplicht waren, maar deze functie ook wel combineerden met die van bijvoorbeeld vice-cureit. Twee van die broederschappen leven nog voort in onze huidige schutsgilden Sint Joris en Sint  Sebastiaan. Het derde nog bestaande gilde, dat in het begin van de 18e eeuw de naam van de kerkpatroon Sint-Dionysius aanneemt, is pas in 1665 opgericht. De aldus aan de kerk verbonden priesters hebben echter nooit een kapittel gevormd zoals bijvoorbeeld in Hilvarenbeek en Oirschot.

In de kerk werd ook begraven. Testamenten vermelden soms uitdrukkelijk waar iemands graf moet komen. Met name de bijzondere bepalingen in deze stukken vormen een, weliswaar beperkte, mogelijkheid om ons een idee te vormen over de inrichting van de kerk. Zo weten we ook dat er in 1508 al een orgel was, met Willem Mutsaerts als vaste bespeler. Ook buiten de kerk op het kerkhof, dat zich naar het zuiden toe uitstrekte tot aan de grens van het vroegere Ter Rijt (nu de zuidelijke rooilijn van het Stadhuisplein), werd tot in het begin van de 19e eeuw begraven. Tegen de westelijke kerkhofmuur stond ook de oudste school van Tilburg, die in 1617 vervangen werd door nieuwbouw aan de zuidzijde. 

Achterzijde van de Heikese kerk omstreeks 1789. Sepiatekening gemaakt door F.S. 
"in de tuyn van den Heer Roesingh" (part. coll.). 

Het kerkgebouw zelf had ook een ruimere functie in de toenmalige dorpsgemeenschap. Het was naast het kasteel aan de Hasselt waarschijnlijk het enige stenen gebouw van allure, dat een zekere veiligheid bood in tijden van gevaar. De dorpskas en de belangrijkste archieven hebben er vanouds een onderkomen gevonden in de 'comme' of 'kerkekist'. Deze functie is haar, op het moment dat onze streken in de Tachtigjarige Oorlog het hoofdtoneel van de strijd vormden, noodlottig geworden. Al in de dorpsrekening van 1576-1577 wordt vermeld, dat de 'comme' door soldaten is vernield. Twee decennia later, op 15 april 1595, werd de kerk in brand gestoken, toen soldaten uit het Spaanse garnizoen van 's-Hertogenbosch hun Staatse tegenstanders, die zich in de toren verschanst hadden, wilden verdrijven. Van de herbouw en herinrichting, die twintig jaar hebben geduurd, zijn we gedetailleerd op de hoogte. De kerkmeesters hebben daarvan namelijk een aparte rekening moeten overleggen, omdat er door verkoop van gemeentegrond, waarvoor Philips II als hertog van Brabant in 1597 speciaal toestemming gaf, extra middelen waren verleend, waarvan de uitgave nauwkeurig moest worden verantwoord. Ook de abdij van Tongerlo droeg in geld en natura (o.a. eikebomen) aan de herbouw bij. 

De uitwendige vormen van de kerk zullen in grote lijn niet afgeweken hebben van die van haar voorgangster. Het uitgevoerde werk had immers meer het karakter van ingrijpende renovatie dan van nieuwbouw. Een uitzondering hierop zou de torenbekroning kunnen zijn, maar de vormgeving daarvan kan stilistisch gezien ook al van vóór de brand dateren. Uiterlijk en plattegrond kennen we uit een viertal afbeeldingen uit 1657, 1742, ca. 1789 en 1790. Zij laten een ruime laatgotische dorpskerk zien, waarvan de toren met bekroning overigens nog steeds, zij het in ommetselde vorm, bestaat.

Hardstenen wijwatervat (of doopvont) uit 1590. Tegenwoordig in de kerk van 't Goirke. 
(Foto Frans van Ameijde).

Gotische knoopkandelaar. Maker onbekend, vijftiende eeuw. 
Vermoedelijk reeds voor 1632 op 't Heike aanwezig. In bruikleen
 bij het Museum voor Religieuze Kunst te Uden. 

Het inwendige van de kerk zal echter vooral de geest van de bij die tijd behorende barok hebben geademd, want er blijkt volgens de rekening veel nieuw aangeschaft of zelfs op bestelling gemaakt te zijn. We geven hier slechts een paar voorbeelden. 
Zo kreeg de Bossche schrijnwerker meester Hendrick Rutthen opdracht om een hoofdaltaar te maken naar het voorbeeld van het altaar in de kerk van de Dominicanen aldaar. Het werd gesierd door een schilderstuk van een helaas niet met name genoemde Bosschenaar, dat de "hystorie van Sint Denijs, patroen deser kercke ende den Edelen Ridder ende Martelaer Sint Jooris" voorstelde. Heel interessant is, dat meester Hendrick ook opdracht kreeg om een ontwerp te maken voor een 'oxaal' of koorafsluiting "Soo tselve voer de affbrandinghe was geweest, metter figuren der twelff Apostolen".Zo komen we indirect toch nog iets te weten over de inrichting van de oude kerk. Het is overigens niet duidelijk of het oxaal ook werkelijk gerealiseerd is. Ook werd Sint Joris samen met zijn 'collega' Sint Sebastiaan afgebeeld in twee glasramen. Bij de schoolmeester in Breda kocht men een "positiff", dus ook deze kerk kreeg een orgel.
In het hoogkoor werd in of kort na 1612 een monumentale graftombe geplaatst voor de in dat jaar gestorven heer van Tilburg, Huijbert van Malsen. 

Sepiatekening van de zerk op de graftombe van Huijbert van Malsen, heer van Tilburg (Brabantica-coll. 
Katholieke Universiteit Brabant). 


Behalve deze tombe werden 25 jaar later, bij de overgang van het kerkgebouw naar de hervormde gemeente alle 'paapse' inrichtingstukken verwijderd. Het is niet duidelijk, wat daarvan nog een plaats heeft kunnen vinden in de latere schuil-, grens- en schuurkerken. De enige voorwerpen die nu nog uit de periode voor 1632 stammen, zijn een hardstenen wijwatervat, waarvan het vermoeden bestaat dat het vroeger als doopvont heeft gediend (nu in de kerk van het Goirke), en twee vijftiende-eeuwse bronzen kandelaars (uitgeleend aan het museum in Uden, zie hierna).

De twee tekeningen die door Hendrik Verhees op 19 en 20 maart 
1790 van het kerkgebouw gemaakt werden: noord- (beneden) en
 zuidzijde (coll. Capucijnenklooster Den Bosch). 

Over de geschiedenis van het oude kerkgebouw tot aan het begin van de 19e eeuw kunnen we dan eigenlijk heel kort zijn. Het was een periode van gestage onttakeling, omdat de kleine hervormde gemeenschap niet in staat was het te grote gebouw in zijn volle omvang een zinvolle functie te geven en het te onderhouden. Daardoor was het ook mogelijk, dat het dorpsbestuur, zij het na aanwending van enige 'bestuursdwang', in 1681 de beschikking kon krijgen over het voorste deel van het gebouw bij de toren (de "rommel-hoek"!) om er een secretarie, een raadskamer en enige bergplaatsen, o.a. voor de brand-spuit, te maken. Al meteen in 1632 was daar een "comme oft gewelfde camer" gebouwd om er de dorpsarchieven in onder te brengen. Al veel langer werden misdadigers opgesloten onder de toren, die met zijn uurwerk ook anderszins een niet-kerkelijke openbare functie vervulde en daarom nog tot 1894 eigendom bleef van de burgerlijke gemeente. Dat verklaart misschien ook waarom op de grootste van de in 1654 door de Mechelse klokkegieter Marischal hergoten luiklokken het gemeentewapen was afgebeeld. Deze is na de roof door de Duitse bezetters in 1944 niet meer weergekeerd. De kleinste van de twee werd na de bevrijding wel teruggevonden en doet nog steeds van zich horen.
Zo kreeg Tilburg een gecombineerd kerk-raadhuis, dat als zodanig wat zijn seculiere functies betreft dienst deed tot 1811. De hervormde gemeente moest de kerk in 1823 weer overdragen aan de katholieken, die er geen andere weg mee wisten dan de meest radicale: afbraak en vervanging. Daarover echter hierna meer. 

Plattegrond door Hendrik Verhees, 1790 (coll. Capucijnenklooster Den Bosch). Aangegeven 
zijn o.a.: de ruimte voor de brandspuit (linksonder), de raadskamer en de secretarie (rechtsonder). 
In het koor: de graftombe van Huijbert van Malsen. 



De parochie Tilburg na 1648

Na de vrede van Münster werden de tegen het katholicisme gerichte maatregelen van de 'Hoogmogenden' in Den Haag nog scherper. Ook de pastorie 'Moerenburg' werd nu als kerkelijk goed geconfisceerd ten behoeve van de hervormde predikant.
Nu zocht pastoor Van Dijck zijn toevlucht buiten het gebied van de Republiek. Juist over de grens in Steenvoort onder Poppel bouwde hij met veel geldelijke steun van zijn parochianen naast een aan Tongerlo toebehorende hoeve een z.g. 'grenskerk'. Die werd op Allerheiligen 1650 in gebruikgenomen. Ook nu weer werd de kerk van nieuwe liturgische voorwerpen voorzien, zoals de nog op 't Heike bewaarde kelk en schaal op voet uit 1665, en de fraaie verguld-zilveren monstrans met inscriptie: "Ecclesia Tilburgensis in Steenvoort anno 1661", die bij de boedelscheiding op 't Goirke terecht gekomen is. 

De door de bierbrouwer Petrus Wouter Colen geschonken kelk uit de grenskerk 
te Steenvoort, ca. 1665. Maker onbekend. (Foto Jan Brieffies, coll. RHC Tilburg).

Aan het eind van de zestiger jaren blijken de parochianen toch liever niet meer de grote afstand naar de grenskerk te willen afleggen. Men gaat samenkomen in zogenaamde 'kerkschuren' in het dorp. Na de periode van de oorlog met Frankrijk (1672-1678) werd de houding van de Haagse machthebbers, zowel uit een oogpunt van opportuniteit als ook wel door veranderende, principiëlere inzichten wat toleranter. De pastoor kon zich nu meer openlijk in de bijgebouwen van het kasteel van de heren van Tilburg aan de Hasselt vestigen, waar hij ook voortaan de godsdienstoefeningen deed. Voor de gelovigen in het zuidelijk deel van het dorp werd in 1691 een speciale schuurkerk gebouwd op 'het Heike', op de hoek van de huidige Bisschop Zwijsenstraat en de Primus van Gilsstraat, die in 1731 al vervangen werd door een ruimer gebouw. In het noorden verhuisde de pastoor met zijn kerk in 1715, enige tijd na de verkoop van het kasteel en de heerlijkheid aan de hervormde landgraaf Van Hessen Kassel, naar een schuurkerk aan de huidige Goirkestraat. Daar werd drie jaar later ook een pastorie gebouwd, vanwaaruit tevens de zuidelijke kerk werd bediend. 

Tekening van de schuurkerk op 't Heike in 1773 (coll. Algemeen Rijksarchief Den Haag). 


In deze tweekerkige parochie ontwikkelde zich mede dankzij een, zij het tegen betaling van zogenaamde 'recognities', steeds toleranter wordende overheid in de 18e eeuw weer een bloeiend parochieleven. Naast de pastoor waren er inmiddels bij voortduring drie witheren als kapelaan in de zielzorg werkzaam. De parochie was dan ook wel erg uitgestrekt. Kapelaan Bonifacius Beerenbroek telde in 1785 8427 katholieken. Het was onvermijdelijk dat gedacht zou worden aan een splitsing van de parochie, temeer daar men zich in het zuiden achtergesteld voelde nu de zielzorgers in het noorden resideerden. 

Op 21 januari 1797 richtten 173 zuidelijke parochianen aan abt Godefridus Hermans een verzoek om op 't Heike een afzonderlijke pastoor en twee kapelaans aan te stellen. Ze waren daar echter niet helemaal aan het juiste adres. Weliswaar had de abdij nog steeds de patronaatsrechten en was men zeker voor de financiën afhankelijk van de medewerking van de abt, maar het betrof hier in feite de oprichting van een nieuwe parochie, en dat recht kwam de bisschop, in dit geval de apostolisch vicaris van 's-Hertogenbosch, toe. Bovendien waren de tijden veranderd. In het zuiden werden de abdijgoederen door de Franse revolutionaire overheersers genaast en in het noorden zorgden de nieuwe staatkundige en maatschappelijke ideeën ervoor, dat de parochianen mondiger waren geworden en niet veel ophadden met oeroude rechten, die een doelmatige organisatie en financiering van de zielzorg in de weg stonden. Een commissie, voorloper van een meer eigentijds kerkbestuur, wist zich echter gesteund door vicaris Van Alphen, wiens voornaamste adviseur, Anthonius van Gils, uit de parochie afkomstig was. Na enige strubbelingen, onder andere door een nogal onwillige houding van de abt, ging de vicaris op 5 juli 1797 op het verzoek in. Daarmee was de verdeling van de oude parochie West-Tilburg in twee nieuwe parochies 't Heike en 't Goirke een feit. Beide parochies behielden de oorspronkelijke kerkpatroon Sint Dionysius. Het prille kerkbestuur kocht nog in datzelfde jaar een eigen pastorie, een reeds bestaand pand aan de Nieuwe Dijk, thans Bisschop Zwijsenstraat 22, dat voor de nieuwe functie werd verbouwd. Men verwierf voor de pastoor daarbij recht van weg over het terrein van de wollenstoffenfabriek van Pieter Vreede in zuidelijke richting naar de schuurkerk.

Het pand aan de Bisschop Zwijsenstraat 22 dat vanaf de afsplitsing in 1797 tot 1834 als pastorie 
fungeerde. (Coll. RHC Tilburg).


De parochie van 't Heike na 1797

De rechten van de abdij van Tongerlo ten aanzien van de Tilburgse parochies werden na 1801 door de apostolisch-vicaris als vervallen beschouwd. Toch bleef hij nog enige tijd Tongerloërs tot pastoor en kapelaan benoemen. De laatste witheer-pastoor op 't Heike was Evermodus Duchamps (1807-1832), die zelfs enige jaren na het overlijden van abt Hermans (1799) vanuit zijn pastorie als prior de uit haar gebouwen verdreven abdijgemeenschap ging besturen. Deze laatste stierf echter langzaam uit, zodat op den duur het wit van de norbertijner habijten op de pastorieën in Brabant wel vervangen moest worden door het zwart van de soutanes der wereldgeestelijken. Voordat het op 't Heike zover was, moest er nog iets heel ingrijpends gebeuren. 

Silhouetportret van Evermodus Duchamps, bouwpastoor van de huidige kerk 
en de laatste  vertegenwoordiger van zes eeuwen norbertijner zielzorg op 
't Heike (pastoraat 1807-1832).  (Coll. RHC Tilburg).

De schuurkerk werd natuurlijk in een periode dat de katholieken hun vrijheid van godsdienstuitoefening herkregen, door de parochie niet gezien als het meest ideale bedehuis. Al kort na de omwenteling van 1795 was geprobeerd om de oude kerk terug te krijgen. Dat was echter mede gezien haar eigen belangen - het raadhuis was er immers ook in gevestigd - door de burgerlijke overheid tegengehouden. Pas een besluit van koning Lodewijk Napoleon van 1809 gaf de mogelijkheid om aan de in de ogen van de katholieken onrechtmatige situatie een eind te maken. Toch heeft het nog tot 1824-1829 geduurd, voordat de overdracht en vervanging door nieuwbouw een feit waren. Hoe dit kwam, wordt in een volgend hoofdstuk over de totstandkoming van het huidige kerkgebouw beschreven. Pastoor Duchamps heeft voor de nieuwe kerk de eerste steen nog mogen leggen. Bij de ingebruikneming in 1829 was hij al ziek; op 24 april 1832 stierf de laatste witheer-pastoor van Tilburg op 83-jarige leeftijd.

Joannes Zwijsen, de eerste wereldgeestelijke. Hij speelde een grote rol bij 
de emancipatie van de Nederlandse katholieken (pastoraat 1832-1854). 
(Coll. RHC Tilburg).

Tot opvolger werd benoemd de op 28 augustus 1794 te Driel geboren Joannes Zwijsen. Hij was opgeleid aan het door de Tilburger Antonius van Gils gestichte seminarie Herlaer, waarna hij kapelaan werd in Schijndel op de pastorie van apostolisch-vicaris Van Alphen, wiens secretaris hij ook werd. Na een kort pastoraat in Best kwam hij naar Tilburg. Hij was een krachtig bestuurder, die nieuwe initiatieven in de zielzorg niet schuwde. Dat moge met name blijken uit zijn stichting van religieuze congregaties ten behoeve van onderwijs en ziekenzorg: de Zusters van Liefde in 1834 en de Fraters van Tilburg in 1845. Door de snelle uitbreiding van het werkterrein van deze congregaties reikte toen al spoedig zijn belang tot over de grenzen van de parochie. We zullen ons hier niet verdiepen in de vraag, of zijn persoonlijke omgang met de hier vaak verblijvende kroonprins, later koning Willem II, van doorslaggevende betekenis is geweest voor diens denkbeelden over de situatie van het katholieke volksdeel. Zelf heeft hij in de emancipatie daarvan wel een grote rol gespeeld. Pastoor Zwijsen werd in 1842 coadjutor van apostolisch-vicaris Den Dubbelden en volgde hem in 1851 op, zonder zijn pastoraat op te geven. Vanuit zijn door hemzelf in 1834 nieuw gebouwde pastorie (aan de overzijde van de nu naar hem genoemde straat, waar eens het goed Ter Rijt lag) ging hij nu ook het oude diocees Den Bosch besturen. Na het herstel van de hiërarchie in 1853 werd Zwijsen aartsbisschop van Utrecht, terwijl hij tevens administrator bleef van het nieuwe Bossche bisdom. 

Joannes van der Lee, die door zijn dominante optreden een belangrijk 
stempel drukte op de parochie (pastoraat 1871-1891). (Coll. RHC Tilburg).

Tot aan zijn dood in 1877 is hij zich soms zeer direct, niet alleen voor zijn Tilburgse congregaties, maar ook voor de parochie blijven interesseren. Die directe invloed ook op het zedelijk heil van de parochianen en meer in het algemeen de katholieke Tilburgers uitte zich in talrijke herderlijke brieven en ook indirect door middel van de man die al in 1849 bij hem kapelaan geworden was en hem na een intermezzo (het pastoraat van J.van Schijndel) in 1871 als pastoor opvolgde. We bedoelen hier Joannes van der Lee, die eigenlijk bijna gedurende de gehele tweede helft van de 19e eeuw zijn stempel op het parochieleven en dus ook op het centrum daarvan, de kerk, heeft gedrukt. Die verdere geschiedenis kan hierna dan ook het best aan de hand van de beschrijving van het kerkinterieur worden verteld. 

Aan één markante persoonlijkheid uit de geschiedenis van 't Heike kunnen en willen we hier echter zeker niet voorbijgaan.
De parochie heeft ook in deze eeuw nog een pastoor als bisschop naar Den Bosch zien vertrekken. Op 26 februari 1956 werd als opvolger van H.van Dun (pastoor sinds 1937) de geestelijke adviseur van de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond, Wilhelmus Marinus Bekkers geïnstalleerd. Nog geen jaar daarna moest de snel geliefde pastoor tot teleurstelling van zijn parochianen de pastorie al weer verruilen voor het Bossche bisschoppelijk paleis, toen hij hulp-bisschop bij mgr. W.Mutsaerts werd. In 1960 nam hij diens taak volledig over. In de daarop volgende periode van snelle en ingrijpende veranderingen in de Nederlandse katholieke kerkprovincie heeft mgr. Bekkers een heel indrukwekkende, vooral pastorale rol gespeeld, die mede dank zij de moderne media tot ver over de grenzen van zijn bisdom reikte. Zeer velen, ook buiten de katholieke Kerk, waren ten diepste geschokt door zijn te vroege dood op 9 mei 1966. 

Totaaloverzicht van het interieur in 1903 (foto Henri Berssenbrugge) en 1990 (foto Frans van Ameijde) 
(Coll. RHC Tilburg).. 

Ten slotte moet hier nog iets gezegd worden over de ontwikkeling, of liever gezegd de inkrimping van het grondgebied van 't Heike. 
Al in 1850 werd het zuidelijk deel van de parochie afgescheiden en ontstond de derde parochie van Tilburg met een kerk in de wijk Korvel. De sterke groei van de bevolking in de zich snel ontwikkelende industriestad maakte het nodig, dat de centrumparochie van toen in 1870 opnieuw werd gesplitst. Drie jaar later werd de kerk op de Heuvel in gebruik genomen. Ten slotte werd in 1898 in het noordwestelijk deel van de parochie de nieuwe parochie Noordhoek (H.Hart) opgericht, aldus gelijke tred houdend met de steeds verder uitgroeiende stad. 

Zeventig jaar later zien we een tegengestelde beweging ontstaan. De binnenstad raakte ten dele ontvolkt door kaalslag en commercialisering. Bovendien geraakten vele van oorsprong katholieke gelovigen van de religieuze praktijk vervreemd, waardoor vooral de binnenstadskerken hun functie moesten verliezen en zegesloopt. Dit leidde ertoe dat op 23 december 1970 een nieuwe parochie 'Binnenstad' werd opgericht, die het grondgebied van de vroegere parochies van 't Heike, Noordhoek en Sint Anna (inmiddels weer afgescheiden van Korvel) omvat. Centrum van deze door de herinrichting van de binnenstad met nieuwe woningen weer talrijker geworden parochiegemeenschap is als vanouds de Heikese kerk.

Bronnen: zie achter artikel Joost van Hest, 'De huidige kerk van 't Heike'

* Drs. G.J.W. Steijns is gemeentearchivaris van Tilburg. Hij publiceerde eerder al artikelen over met name de plaatselijke kerkelijke geschiedenis en monumenten. Hij is uit hoofde van zijn functie adviseur van de gemeentelijke monumentencommissie.