Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
276. De oude kerk van Tilburg
 

Titel:   

De oude kerk van Tilburg

Ondertitel:   

Auteur:   

Jan Trommelen*

Jaargang:   

XV (1997) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

1

Pagina’ s:   

3-8


In het algemeen wordt aangenomen, dat de oudste kerk van Tilburg gelegen was op de plaats waar nu de parochiekerk van het Heike, de Sint Dionysiuskerk, staat en dat Sint Dionysius de oude kerkpatroon was van West-Tilburg, de huidige stad Tilburg.
Het onderzoek naar de Tilburgse toponiemen in de zestiende eeuw leverde een zeer bijzondere veldnaam op namelijk de 'Bedbuer'.
(1)

De naam 'Bedbuer' komt in het Rijn-Maasland meer voor en betekent letterlijk 'Bedehuis' (2) en het is een zeer oude naam voor een kerk.
De oudste akte waarin Tilburg genoemd wordt, die van 709, waarin een Frank genaamd Aengilbert aan Sint Willibrord goederen in Alphen schenkt, doet vermoeden dat in 709 het christendom in Tilburg al ingevoerd was. Het probleem is echter te weten wat in die akte met de naam Tilliburgis (Tilburg) precies bedoeld werd. We weten dat Tilburg in de oude tijden opgedeeld was in twee parochies, die van Oost-Tilburg, nu Oisterwijk, en die van West-Tilburg, onze stad. Ook weten we dat de patroonheiligen van Oost-Tilburg, Venloon en Moergestel zeer oud zijn. 



De op Zijnen geïnspireerde kaart van H. Verhees, 1790. Rechts van het midden het 'Hagel 
Kruys' (coll. Rijksarchief Den Bosch).

In de Tilburgse schepenprotocollen wordt met 'Bedbuer' een stuk grond bedoeld gelegen op de splitsing van de Boomstraat en de Elzenstraat. Bijzonder is hierbij dat het bedoelde stuk grond in het verleden altijd bezit is geweest van de kerkfabriek. In het begin van deze eeuw is er de parochieschool van de parochie de Noordhoek op gebouwd. Bij de 'Bedbuer' lag ook het 'Hagelcruijs'. (3)
Volgens de kaart van Diederik Zijnen van 1760 en volgens de oudste kadasterkaart van Tilburg van 1832, komen bij de 'Bedbuer' veel wegen samen uit de Hoeven, de Rijt, de Herstal, de Veldhoven en Korvel. Op de kaart van Zijnen is het 'Corvelsche Kerkpad' aangegeven, lopende over de Diepenstraat, de Regenboogstraat en de Prunusstraat naar het Hagelcruijs.(4) 

Parochies Tilburg en Enschot

W.A.M. Deliën, afstammeling van een Enschotse familie, heeft ooit in een artikel beweerd, dat de kerk van Tilburg een dochterkerk van die van Enschot zou zijn.(5) Die hele stelling berust hierop, dat een calvinistisch predikant in Tilburg, Cornelius Rowenius, in 1665 aanspraak meende te kunnen maken op een aanvulling van zijn honorarium, te betalen door de abdij van Tongerlo, welke aanvulling maar liefst 250 gulden per jaar moest bedragen, voorwaar een behoorlijke som in die tijd. Hij beweerde dat de kerk van Enschot de parochiale kerk van Tilburg was. De bewering van een calvinistisch predikant als bewijsstuk te nemen is erg riskant. De calvinistische minderheid in de Republiek der Zeven Provinciën gebruikte alle middelen, ook onechte en onjuiste, om het katholicisme te bestrijden.



Het enige overgebleven vroeg-middeleeuwse stenen hagelkruis 
in Nederland staat in de Hoog Akkers te Aarle-Rixtel (N.B.). 
Op de samenkomst van de veldwegen, bij de plaats waar nu
 ongeveer de Elzenstraat in de Boomstraat uitkomt, stond zeker 
in de zestiende eeuw al een hagelkruis 'ter plaetse die schijve'. 
Eind achttiende en begin negentiende eeuw stond op dezelfde 
plaats een stenen 'Tiendpaal'. (coll. RHC Tilburg).

Verder staat in het betoog van Deliën een foutieve vertaling van een Latijnse zin. Hij schrijft: 'bij zijn ambtsaanvaarding in 1616 als pastoor van Tilburg vermeldt Petrus Emmerik dat hij zich in Gods naam begeeft naar de parochiekerk van de H. Dionysius in de heerlijkheid van Tilburg, die kanoniek verbonden is met de kerk van Sint Michiel in Enschot: 'cui canonice annexa est ecclesia Sancti Michaelis in Enschot' (6) 'Cui' is de derde naamval enkelvoud (dativus singularis) van het betrekkelijk voornaamwoord 'qui' (in de vrouwelijke vorm 'quae') en betekent: 'aan welke', 'waaraan'. 'Annexa' staat als deel van het gezegde in de eerste naamval enkelvoud (nominativus singularis) en wel in de vrouwelijke vorm; 'ecclesia Sancti Michaelis' staat eveneens in de eerste naamval vrouwelijk enkelvoud. 'Ecclesia' is dus onderwerp in de zin. De juiste vertaling is dan ook: 'waaraan verbonden is de kerk van Sint Michael in Enschot', juist het omgekeerde dus van wat Deliën beweert. Deze zin klopt ook, want op 22 januari 1317 verzocht de bisschop van Luik aan de deken van Hilvarenbeek om een onderzoek in te stellen naar de wenselijkheid de twee kerken (beide onder het patronaatschap van Tongerlo ressorterend) van Enschot en Tilburg te verenigen.(7) Abt Hubertus Bac van de abdij van Tongerlo had hierom gevraagd vanwege de geringe inkomsten van de kerk van Enschot. De officiaal van het Hof van Luik verenigde na gedaan onderzoek de twee kerken van Tilburg en Enschot onder één pastoor.(8) Beide parochies bleven echter onafhankelijk evenals de beide kerken, alleen werd de pastoor van Tilburg ook automatisch pastoor van Enschot. Van afhankelijkheid van de ene kerk van de andere was absoluut geen sprake.

De abt van Tongerlo reageerde furieus op de aanspraken van Rouwenius. Zijn motief was, dat Tilburg altijd een afzonderlijke parochie was geweest met eigen, vaste parochiegrenzen. Deze repliek werd door de Staten in Den Haag aanvaard.(9) In de zeventiende eeuw begreep men de betekenis van 'parochie' nog zeer goed.
De pastoor van Tilburg schreef in zijn parochieverslag: 'Ostenditur quod ecclesia Enschotana non sit matrix ecclesiae Tilburgensis', wat in gewoon Nederlands wil zeggen: 'Het is aangetoond dat de Enschotse kerk niet de moeder zou zijn van de Tilburgse kerk'.(10) 

Reeds in de tijd van Karel de Grote zijn de parochiegrenzen vastgelegd in verband met de tiendheffingen.(11) Een nieuwe parochie stichten binnen de grenzen van de bestaande was buitengewoon moeilijk. We kunnen dit onder andere zien in Antwerpen, waar het kapittel grote moeite had met de stichting van andere kerken in de stad. Het kapittel ging akkoord, maar de nieuwe kerken bleven behoren tot de ene parochie van Onze Lieve Vrouw tot in de achttiende eeuw.
Overigens maakte Deliën nog een fout. Hij beweert dat Jan Boen in 1570 de eerste onderpastoor van Enschot werd en dat hij tevens rector was van het Maria-altaar in de kerk van Enschot. Jan Boen was echter al overleden vóór 15 november 1557. Op die dag namelijk hebben zijn erfgenamen een erfdeling gemaakt van de nagelaten goederen van wijlen Jan Boen.(12) 

Parochiedelingen

Een typisch voorbeeld in onze omgeving, dat een parochie zo maar niet opgedeeld kon worden, hebben we aan de kerk van Helvoirt. Op 2 oktober 1192 oorkondt Giselbert, heer van Tilburg, met zijn moeder Alaysa, dat hij zijn mannen van Helvoirt als inwoners heeft benoemd van de kerk van Oost-Tilburg, waarbij de laatste als moederkerk een te bouwen kapel in Helvoirt moet bedienen.(13) 
Hertog Hendrik I van Brabant heeft het patronaatsrecht weten te verkrijgen van Oost-Tilburg en in 1231 schonk hij dit aan het Convent van Sint Gertrudis te Leuven.(14) Op het einde van de dertiende eeuw, zo'n honderd jaar na de stichting van de kerk van Helvoirt, ontstond er een geschil tussen de Sint Gertrudis Abdij van Leuven en Henrick van Gijsel, priester. Deze laatste beweerde dat Henrick van Neswick het patronaatsrecht bezat van de kerk van Helvoirt en dat deze hem als pastoor te Helvoirt had aangesteld. Dit geschil werd voorgelegd aan het gerechtshof van het bisdom Luik en gedurende de rechtszitting werd onder andere ook de akte van 20 oktober 1192 getoond aan de aartsdiaken. De uitspraak van 20 april 1296 luidde dan ook, dat het Convent van Sint Gertrudis het begevingsrecht van de kerk van Helvoirt bezat, omdat die kerk een dochterkerk was van de kerk van Oisterwijk en Oost-Tilburg, waarvan het Sint Gertrudis Convent het begevingsrecht bezat.(15) 



Hertog Hendrik I van Brabant, afgebeeld in het boek van Franciscus 
Haraeus 'Annales ducem seu principum Brabantiae totiusque Belgii', 
Antwerpen, 1623. (coll. RHC Tilburg).

De abdij van Tongerlo bezat reeds het begevingsrecht van Enschot.(16) Op 19 januari 1231 schonk hertog Hendrik I het patronaatsrecht van de kerk van West-Tilburg aan de Abdij van Tongerlo.(17) Indien de kerk van Enschot de moederkerk zou zijn geweest van de Tilburgse kerk, dan was deze schenking overbodig geweest. Bovendien zou er dan geen sprake zijn geweest van een parochie West-Tilburg maar van een parochie Enschot.
In een akte van 1267 bekrachtigt paus Clemens IV de schenking van het patronaatsrecht van de kerken van West-Tilburg, Waalwijk, Drunen en Venloon door wijlen Hertog Hendrik I van Brabant indertijd aan de Abdij van Tongerlo gedaan.(18) In deze bekrachtigingsbrief staat, dat hertog Hendrik I van Brabant deze patronaatsrechten verkregen had van de Luikse kerk, dus niet van de nazaten van Giselbert I van Tilburg, die de Dionysiuskerk gesticht had. Met andere woorden, het patronaatsrecht van de parochiekerk van Tilburg was tot kort voor 1231 in handen van het bisdom Luik. 

Merk hierbij op dat in de zestiende eeuw het toponiem 'de Hoeve van Luik' wordt genoemd.(19) Door Karel de Grote werd indertijd voorgeschreven, dat de pastoor van een parochiekerk de beschikkinmg moest hebben over een hoeve (mansus) ten behoeve van het onderhoud van deze pastoor.(20) Bij de kerk, de parochiekerk van Tilburg, behoorde de 'Hoeve van Luik', ergo bezat Luik tot 1235 het begevingsrecht. Tevens bezat het dekenaat van Hilvarenbeek hier zekere delen van de Oude Tiend.(21) 

Tilburg eigen parochie

Tilburg was een eigen parochie en de kerk was geen dochterkerk van Enschot. Maar waar rook is, is vuur. Dat geldt ook voor de relatie tussen de kerken van Enschot en van Tilburg. De Abt van Tongerlo schrijft in zijn verweer tegen Rouwenius: 'Mogelijck omdat er een oudt gevoelen is dat de kercke van Enschot is de moederkercke van die van Tilborch, hierin zijn sommigen in dwalingen gevallen dat het de parochiële kercke is, maer seer abusievelijck.' (22)



De abdij van Tongerlo in de zeventiende eeuw, gegraveerd door Harrewijn. Deze abdij 
is gesticht tussen 1130 en 1133. (coll. RHC Tilburg).

Paus Clemens IV mag dan gesteld hebben dat de hertog van Brabant het begevingsrecht van de kerk van West-Tilburg verkregen had van het bisdom Luik, maar in 1263 doet ridder Godfried van Kruiningen namens zijn vrouw afstand van zijn aanspraken op een deel van de tiend en het begevingsrecht van de kerk van West-Tilburg.(23) In 1231 schenkt de heer van Pumbeke als erfgenaam van Giselbert het patronaatsrecht dat hij heeft in de kerk van West-Tilburg aan de abdij van Tongerlo.(24) Dit alles is vrij onduidelijk. Ofwel de nazaten van Giselbert bezaten ook een deel van het begevingsrecht van de parochiekerk van West-Tilburg of er is alleen sprake van het patronaatsrecht van de hofkapel van Giselbert, de kapel toegewijd aan Sint Dionysius.
Volgens Boeren werd de Dionysiuskerk in 1519 nog capella genoemd en niet ecclesia, parochiekerk.(25) Boeren wist hier geen raad mee want in 1519 was de Dionysiuskerk een parochiekerk met eigen pastoor etc. Hij veronderstelde dat deze vermelding uit een ouder leenboek zou zijn overgenomen. 

Verder is er nog het probleem van de Tilburgse kermis. De kermis is een overblijfsel van de viering van de feestdag van de kerkpatroon. De kerkpatroon was zeker sinds de zestiende eeuw Sint Dionysius, waarvan de feestdag valt op 9 oktober. De Tilburgse kermis begon van oudsher en tot na de Tweede Wereldoorlog op de laatste zondag van augustus, met andere woorden niet op de feestdag van de kerkpatroon van de oude kerk aan de Oude Markt. Dat Spapens op gezag van Plevoets de kermis dan maar afdoet als een restant van een oogstfeest is onbewijsbaar, niet aantoonbaar en bovendien hoogst onwaarschijnlijk.(26) In het Middelnederlands betekende 'Kermisdach' ook 'Kercwidingedach', het feest ter herinnering van de kerkwijding op de naamdag van de beschermheilige gevierd.(27) Ook De Vries vermeldt in zijn 'Nederlands etymologisch woordenboek' onder het lemma 'Kermis': 'plechtige mis bij de jaarlijkse viering van het feest der kerkwijding'. En verder: 'Daar het kerkelijke feest aanleiding was voor algemene wereldlijke vermaken, ging de naam, vooral in de protestantse streken, uitsluitend betekenen: jaarlijks terugkerend volksfeest.' (28)

De Luikse Synode onder bisschop Jan van Vlaanderen (1282-1291) stelde een aantal verplichte feestdagen voor alle parochies van het bisdom Luik voor. Bij al deze feestdagen moest ook 'elke kerk haar patroonsfeest vieren', dus ook Tilburg! (29)
Het is dus duidelijk, dat de Dionysiuskerk niet de oorspronkelijke parochiekerk van Tilburg is en dat de kerk van West-Tilburg geen dochterkerk van de parochie Enschot was.

Hofkapel van de Giselberten

Het raadsel is echter niet onoplosbaar. De oude relatie tussen de kerk van Enschot en die van West-Tilburg betreft niet de parochiekerk van Tilburg, maar de hofkapel van de Giselberten, die echter binnen de parochie West-Tilburg lag. Het is zeer goed mogelijk dat de parochiegeestelijke van West-Tilburg en de deken van Hilvarenbeek het niet prettig gevonden hebben dat binnen de grenzen van de parochie een hofkapel gebouwd werd, omdat deze kapel het parochieverband verstoorde. In de tweede helft van de twaalfde eeuw waren de premonstratenzers zeer populair en het is gemakkelijk aan te nemen, dat Giselbert daarom een geestelijke van Tongerlo de dienst liet verrichten in zijn kapel. Zo'n geestelijke had hij bij de hand: de pastoor van Enschot.
Overigens geeft Deliën niet de bron aan waaruit zou blijken dat de pastoor van Enschot de dienst verzorgde in de kapel van Giselbert.

In de vroege Middeleeuwen gebeurde het wel vaker dat een eigen kerk binnen een parochie gesticht werd. Prims geeft hiervan meerdere malen een voorbeeld.(30) De oprichting van een nieuwe kerk binnen een parochie betekende niet dat daardoor een nieuwe parochie ontstond. De bestaande parochie omvatte dan meer dan één kerk.

Bedbuer is bedehuis

Alhoewel de door ons geuite verklaring van het toponiem 'Bedbuer' door sommigen sterk is aangevallen, blijft de betekenis van 'bedehuis' de enig acceptabele. Op basis van deze verklaring is het vermoeden gepostuleerd, dat de oudste parochiekerk van West-Tilburg in de Schijf heeft gestaan, en wel op de splitsing van de Boomstraat en de Elzenstraat. Dit stuk grond, dat in de zestiende eeuw 'Bedbuer' werd genoemd, is altijd bezit van de kerkfabriek geweest en gebleven; na 1648 ook deels van de hervormde gemeente. Dit verklaart waarom er geen transportakten van het betreffende perceel zijn gevonden. De naam komt enkel voor als belending in de transportakten van omliggende en aangrenzende percelen. Nog in de zestiende eeuw begonnen bij het Hagelkruis, dat aan de westzijde van de 'Bedbuer' stond, de processies. 
In het 'Quohier vanden hondersten penning' uit 1569 wordt gesproken over 'loopenssaet erffs daer het Hagelcruijs op staet gelegen in die Scyve, om welck Hagelcruijs men gewoonlijck is te gaen met processien, ende wordt tselve loopenssaet erffs niet besaeyt noch beteult, noch ook met boomen te deser tijt beplant.' (31)Uit deze zin blijkt dat er in 1569 geen gebouw meer stond.

Een duidelijk bewijs dat de oude kerk op bovengenoemde plaats stond, is gegeven in enkele schepenakten van 1560.(32) Cornelis en Adam, zonen van wijlen Wouter Cornelis Spapen, met hun zusters en hun zwager verkochten aan Gerit Adriaen van Arendonck een stuk land gelegen in Tilburg in de Schijf 'omtrent die kercke', gelegen onder andere tussen 'de Rijtsche Kerckwech' en 'de Hoevensche kerckwech'. Welnu de Hoevensche Kerckwech is de Boomstraat, die in de zestiende eeuw doorliep naar de Herstal bij de Bokhamerstraat en zo naar de Reitse Hoevenstraat. De Rijtsche Kerckwech liep vanuit de Rijt over de voormalige Vlasstraat en via Hagelkruisplein en Prunusstraat naar de splitsing Boomstraat-Elzenstraat. Het betreffende stuk grond moet gelegen hebben tussen de huidige Boomstraat, het Hagelkruisplein en de Prunusstraat. Dat stuk grond was gelegen bij de kerk, ergo bij de 'Bedbuer'. Dit doet weer vermoeden, dat in 1560 daar nog een kerk stond, maar het is wel mogelijk, dat de kerk daar toen al verdwenen was en dat de naam 'die kercke' was blijven bestaan.



De zuid- en noordzijde van de Sint Dionysiuskerk, getekend door
landmeter Hendrik Verhees in 1790, nog in de oude vorm. (coll.
paters kapucijnen Den Bosch).

De Dionysiuskerk op de Oude Markt was aanvankelijk de hofkapel van de heren van Tilburg, die nog in het begin van de zestiende eeuw 'capella = kapel' wordt genoemd en niet 'ecclesia = kerk'(33) . Het ziet ernaar uit dat de oude kerk te klein was geworden. In elk geval besloot men in de tweede helft van de vijftiende eeuw een nieuwe kerk te bouwen. Nu was er toen de keus: de kerk in de Schijf vervangen door een grotere, nieuwe kerk, of een nieuwe kerk te bouwen op de plaats van de kapel van Sint Dionysius. Kennelijk heeft men tot het laatste besloten. De diensten konden doorgaan in de oude kerk totdat de nieuwe kerk gereedgekomen was. De naam 'kapel' kan aanvankelijk nog gebruikt zijn voor deze nieuwe kerk. Met de nieuwe kerk werd Sint Dionysius de kerkpatroon van de parochie Tilburg.

Kerkpatroon van Tilburg

Wie was dan de oorspronkelijke kerkpatroon van Tilburg? Laten we eens kijken naar de heiligenkalender van eind augustus. De kermis begon op de laatste zondag van die maand. De vroegst mogelijke laatste zondag is dan 25 augustus. Welke heiligen vinden we tussen 25 augustus en 1 september?

1. 25 augustus: de heilige Lodewijk van Frankrijk, missa semiduplex.
2. 26 augustus: de heilige Zephyrinus, paus en martelaar, missa simplex.
3. 27 augustus: de heilige Joseph Calasanctius, belijder, missa duplex.
4. 28 augustus: de heilige Augustinus, belijder en kerkleraar, missa duplex.
5. 28 augustus: de heilige Hermes, martelaar, geen eigen missa, slechts een commemoratio.
6. 29 augustus: Onthoofding van Sint Jan de Doper, grote feestdag, missa duplex major.
7. 30 augustus: de heiligen Rosa van Maria van Lima, maagd, missa duplex.
8. 30 augustus: de heiligen Felix en Adauctus, martelaren, geen missa, slechts een commemoratio.
9. 31 augustus: de heilige Raymundus Nonnatus, belijder, missa duplex.

Nummer 1 valt af aangezien die van latere tijd is. Hetzelfde geldt voor de nummers 3 ,7 en 9. Aan de nummers 5 en 8 is slechts een commemoratio gewijd. De heilige Zephyrinus is hier vrij onbekend. Blijven over als serieuze kandidaten: de heilige Augustinus en de Onthoofding van Sint Jan de Doper, met een grotere waarschijnlijkheid voor deze laatste. De oude kerken in onze omgeving hebben vaak geen persoon als kerkpatroon maar een nieuwtestamentische gebeurtenis, zoals bijvoorbeeld Sint Petrus Banden te Oisterwijk, Hilvarenbeek, Oirschot en Bergeyk. Sint Jan Onthoofding vinden we als kerkpatroon in Moergestel, Goirle en Loon op Zand. Het is zeer aannemelijk dat deze laatste de patroon van de Tilburgse kerk is geweest. Zeker ook omdat de Luikse kerk voor 1231 het begevings- of patronaatsrecht van de Tilburgse kerk bezat. In Luik was het Sint Janskapittel erg belangrijk, waaruit de voorkeur voor een Sint Janskerk verklaarbaar is.

Dat de oude kerk van Tilburg gestaan heeft op de splitsing Boomstraat-Elzenstraat is uit de akte van 1560 duidelijk. 
Een verder onderzoek naar de kerkpatroon is nog nodig.

Noten

(1) J.R.O. en M.P.E. Trommelen, Tilburgse toponiemen in de 16e eeuw. Een tentatieve reconstructie en naamsverklaring (Tilburg, 1994), pag. 127, lemma 16.
(2) M. Gysseling, Toponymisch woordenboek voor België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland vóór 1226 (Brussel, 1960), deel 1, pag. 113-114.
(3) Trommelen en Trommelen, Tilburgse toponiemen in de 16e eeuw, pag. 237, lemma 245.
(4) Dit is niet de weg waarover de bewoners van Korvel na 1713 naar de schuurkerk op het Goirke gingen. Het Corvelsche Kerkpad liep daar niet heen. De bewoners van Korvel gingen ter kerke naar de schuurkerk op het Heike bij de Primus van Gilsstraat. De huidige Nieuwstraat heette op de kadasterkaarten sectie D en L uit 1832 ook Korvelsche Kerkpad.
(5) W.A.M. Deliën, 'Die kercke van Sinte Michiels tot Enschot. Bijdrage tot de geschiedenis van het dorp Enschot in het gebied der "Tilburgen"', in: (A.J.A. van Loon, R.M. Peeters en G.J.W. Steijns (red.), De Lindeboom, jaarboek IX-X, 1985-1986 (Tilburg, Gemeentearchief Tilburg, 1987), pag. 11-58.
(6) Deliën, 'Die kercke van Sinte Michiels tot Enschot', pag. 27.
(7) M.A. Erens O.Praem. en H.M. Koyen O.Praem., De oorkonden der abdij Tongerlo (Tongerlo, 1958), deel 4, nr. 520.
(8) Erens en Koyen, Oorkonden der abdij Tongerlo, deel 4, nr. 543.
(9) Deliën, 'Die kercke van Sinte Michiels tot Enschot', pag. 27 en 28.
(10) Abdijarchief Tongerlo (AAT), Bundel Tilburg III, nr. 327, boek 20, pag. 144, fol. 18; Excerpten van Fr. Vander Schilde, archivaris, 28 september en 5 oktober 1717.
(11) R.R.Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen (Utrecht, 1957), deel 1, pag. 51.
(12) Deliën, 'Die Kercke van Sinte Michiels tot Enschot', pag. 35; Gemeentearchief Tilburg (GAT), Oud-Rechterlijk Archief, inv. nr. 303, fol. 25 recto - 25 verso.
(13) H.P.H. Camps, Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312. De Meijerij van 's-Hertogenbosch (met de heerlijkheid Gemert) ('s-Gravenhage, 1979), deel I.1, nr. 80: Giselbert heer van Tilburg en zijn moeder Alaysa brengen de lieden wonende op hun allodium Helvoirt onder de parochiekerk van Oost-Tilburg.
(14) Ibidem, deel I.1, nr. 152: Henrik I schenkt de kerk van Oisterwijk en Oost-Tilburg met het patronaatsrecht aan de Sint Gertrudis Abdij te Leuven.
(15) Ibidem, deel I.2, nr. 535: Gerard van Nassau, aartsdiaken van Luik, uitspraak doende in het proces tussen Arnold Bach, kanunnik van Sint Gertrudis Abdij te Leuven en Hendrik van Gijsel over de bediening van de kapel te Helvoirt, laat de eerstgenoemde toe tot de kapel en veroordeelt laatstgenoemde tot de kosten van het geding.
(16) M.A. Erens O.Praem., Oorkonden der abdij Tongerloo (Tongerloo, 1948), deel 1, nr. 36: 1186, september 6. Paus Urnabus neemt de abdij onder zijn bescherming en somt haar bezittingen op. Daaronder vallen onder andere de kerk van Endeschit.
(17) Ibidem, nr. 103; Abdijarchief Tongerlo, Charter nr. 99: 1231, januari 19. Hertog Henrik I schenkt de Abdij het begevingsrecht dat hij bezit op de kerk van West-Tilburg.
(18) Camps, Oorkondenboek van Noord-Brabant, deel I.1, nr. 306: Viterbo 1267, maart 23: Paus Clemens bekrachtigt de schenking van het patronaatsrecht van onder andere de kerk van West-Tilburg door wijlen Hertog Hendrik I aan de abdij van Tongerlo gedaan. De hertog had dat begevingsrecht ontvangen van de Luikse kerken.
(19) Trommelen en Trommelen, Tilburgse toponiemen in de 16e eeuw, pag. 279, lemma 344.
(20) Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen, pag. 49 e.v.
(21) GAT, Oud-Administratief Archief, inv. nr. 741, 2e folio 77 verso.
(22) AAT, Sectie I, Bundel Tilburg en Enschot, fol. 92.
(23) Camps, Oorkondenboek van Noord-Brabant, deel I.1, nr. 288: mei 1263. Godfried van Kruiningen, ridder, doet mede namens zijn vrouw afstand van zijn aanspraken op zeker deel van de tiende en het patronaatsrecht van de kerk van Tilburg.
(24) M.A. Erens O.Praem., Oorkonden der abdij Tongerloo (Tongerloo, 1950), deel 2, nr. 113; AAT, Charter 107: Henricus van Pumbeke en zijn vrouw Ymana schenken Tongerlo het begevingsrecht van Tilburg met voorbehoud van hun tiend en van de laten daaraan verbonden.
(25) P.C. Boeren, 'Uit de parochiegeschiedenis van Tilburg vóór 1600', in: H.J.A.M. Schurink en J.H. van Mosselveld (red.), Van Heidorp tot Industriestad (Tilburg, 1955), pag. 77.
(26) Paul Spapens, 'De boeiende historie van Tilburg, de Tilburgers en hun kermis en uitgaansleven', in: Bernard van Dijk (e.a., red.), Ach Lieve Tijd Tilburg (Zwolle, 1994), nr. 10, p. 224; Fons Plevoets, 'De Tilburgse kermis vóór 1900. Speurtocht naar de oorsprong', in: Hennie van Oers (e.a., red.), Veel vermaak en weinig wol. De geschiedenis van de Tilburgse kermis (Baarle-Nassau, 1986), p. 9-40.
(27) J. Verdam, Middelnederlandsch handwoordenboek ('s-Gravenhage, 1981).
(28) J. de Vries, Nederlands etymologisch woordenboek (Leiden, 2e druk, 1987), lemma 'kermis'.
(29) Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de Middeleeuwen, dl. 1, pag. 185.
(30) F. Prims, Geschiedenis van Antwerpen (Brussel, 1977), dl. 2, p. 109, 411-415; dl. 4, p. 390; dl. 5, p. 392 en dl. 7, p. 454.
(31) GAT, Oud-Administratief Archief, inv. nr. 309 ,'Quohier vanden Hondersten Penning' 1569, fol. 218.
(32) GAT, Oud-Rechterlijk Archief, inv. nr. 305, fol. 27 verso - 28 recto, d.d. 28 juni 1560.
(33) Zie ook: Martin de Bruijn, 'Hoe Tilburg aan zijn kerkpatroon kwam', in: Actum Tilliburgis, 11 (1980) nr. 1, pag. 2.


* Jan Trommelen (1924) schreef samen met zijn zoon René Trommelen het boek Tilburgse toponiemen in de 16e eeuw. Een tentatieve reconstructie en naamsverklaring (Tilburg, 1994), Tilburgse Bronnenreeks 1, 496 blz.