| 277. De Sint Dionysius kerk | |||
|
Titel: |
De Sint Dionysius kerk |
|
Ondertitel: |
Beschrijving van deze kerk zoals die was in de eerste helft van de zestiende eeuw |
|
Auteur: |
Jan Trommelen |
|
Jaargang: |
XV (1997) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
2 |
|
Pagina’ s: |
40-48 |
Op de huidige Oude Markt heeft van de twaalfde eeuw af een kerk gestaan. De mogelijke stichter van deze kerk is geweest Giselbert, die we in oorkonden van de tweede helft van bovengenoemde eeuw tegenkomen als heer van
Tilburg.(1) Hij stichtte deze kerk als hofkapel op een hoog punt van Tilburg aan de noordoostkant van zijn goed, het Goet ter
Rijt.(2) Wanneer de stichtingsdatum van de kerk precies was, is niet bekend, maar we kunnen wel een schatting maken.
Op 2 oktober 1192 oorkondt de zoon van Giselbert, ook genaamd Giselbert, met zijn moeder Alaysa, dat hij een kerk sticht voor zijn lieden in Helvoirt, welke kerk een dochterkerk zal zijn van de parochiekerk van Oost-Tilburg. Zijn vader is daarbij getuige.(3) Laten we daarom de stichter van die kerk in Helvoirt Giselbert II noemen. Deze Giselbert II doet hiermede kennelijk een daad van meerderjarigheid, dat wil zeggen dat hij 25 jaar is geworden. Hij was als oudste zoon dus geboren in 1167. De laatst mogelijke huwelijksdatum van Giselbert I zal dus januari 1167 zijn geweest. Dat wil zeggen, dat de hofkapel toegewijd aan Sint Dionysius op zijn vroegst in ongeveer 1167 zal zijn gebouwd.
Hoe dit kerkje er uitgezien heeft, is niet bekend. Het kan best een eenvoudig gebouwtje zijn geweest, opgetrokken zoals de meeste huizen van die tijd in fistelwerk, dat wil zeggen meerdere houten gebinten, waarvan de tussenruimte met vlechtwerk van takken was dichtgemaakt en aan de binnen- en buitenzijde afgedicht met leem. Dat Giselbert zijn kapel van steen heeft laten maken is ook nog mogelijk.
Deze kapel kan bovendien nog in de loop van de eeuwen verbeterd en vergroot zijn geweest en dienstgedaan hebben als hulpkerk van de parochiekerk die gelegen was bij het Hagelkruis(4), hulpkerk ten behoeve van de inwoners van Heuvel en Korvel.
Uiteindelijk besloot men om een nieuwe Sint Dionysiuskerk te bouwen op de plaats van het oude kerkje op het Goet ter Rijt. Ten behoeve van die bouw verkregen de kerkmeesters op 22 juni 1465 verlof van het bisdom om goederen van de kerk te verkopen.(5) Op de feestdag van de patroonheilige in 1483 werd deze nieuwe kerk geconsacreerd door de wijbisschop van Kamerijk. De bisschopszetel van Luik, tot welk diocees Tilburg behoorde, was in die dagen vacant.(6) Toch was alles nog niet klaar in de nieuwe kerk, want nog in 1522 werd de grote klok gegoten, waarvoor de Heilig Geestmeesters (armenzorg), de Gezworenen (beheerders van de gemeenschappelijke gronden), de Rekenmeesters en andere notabele ingezetenen van Tilburg voor de kerkmeesters borg stonden voor de kosten van deze klok,
'nu ierstwerff ghegoten zijnde'. (7)
Van deze kerk zijn geen afbeeldingen of beschrijvingen bekend, hoewel we toch wel enkele bijzonderheden weten. In de schepenprotocollen tussen 1530 en 1560 worden in verscheidene akten de altaren vermeld die onze kerk rijk was.

De oude parochiekerk Sint Dionysius aan de Oude Markt op een aquarel door Jan de
Beijer uit 1742. Op de achtergrond de toegangspoort tot het kerkhof dat toen nog rond
de kerk was gelegen. (coll. RHC Tilburg).
De nieuwe kerk brandde geheel af op 15 april 1595. Deze brand was het gevolg van oorlogshandelingen gedurende de 80-jarige oorlog. Op de bewuste dag viel een eenheid soldaten van het Staatse leger, gelegerd in Heusden en aangevoerd door jonkheer Floris van Brederode, Tilburg binnen. IJlings werd de gouverneur van Den Bosch, baron Schetz van Grobbendonck, Heer van Tilburg, van de overval in kennis gesteld. De burgers die in de buurt van de kerk woonden, dachten hun bezittingen in veiligheid te stellen in de kerk. Soldaten die door Van Grobbendock naar Tilburg waren gestuurd, verjoegen de Staatse troepen, maar een deel hiervan had zich verschanst in de kerk. Om hen te verdrijven staken soldaten van het Bosch garnizoen de kerk in brand.(8) Die brand moet zeer hevig zijn geweest. Het gehele dak was verbrand en hoogkoor, zijbeuken en kapellen lagen geheel open. Het gewelf van het middenschip was intact gebleven, maar de afhang aan de noordkant was ook helemaal open. De klokken in de toren waren naar beneden gestort. De kerkmeesters van die tijd hebben een nauwkeurige rekening gemaakt van de inkomsten en uitgaven bij de wederopbouw van de kerk.(9) Deze rekening schetst ons niet alleen de desolate toestand van de kerk na de brand, maar zij geeft ook enigszins inzicht hoe de kerk er uitzag.
Na de wederopbouw van de kerk zijn wel enkele tekeningen gemaakt in de achttiende eeuw.

Reconstructietekening van de Sint Dionysiuskerk en omgeving in de 17e eeuw. (Naar fr. D. Simons, 1970).
Omdat het kerkgebouw na de grote brand gerestaureerd werd in de oorspronkelijke vorm, zijn we in staat aan de hand van deze tekeningen en de vermeldingen in de schepenprotocollen toch een beschrijving te geven van de zestiende-eeuwse kerk.
Het was een Kempisch-gothisch bouwwerk met twee zijbeuken. Aan de zuidzijde echter, aan de kant van de Paleisring, bevonden zich tussen de zijbeuk en de voorgevel drie kapellen en een transept dat dienst heeft gedaan als Latijnse school.(10) De kapellen staken verder naar het zuiden uit dan de zijbeuk. Een bezoek aan de kerk van Baarle-Hertog kan ene goede indruk geven, hoe zo'n kerk met kapellen er uitziet. Het middenschip rustte op zes pilaren (zie plattegrond) en het had een gemetseld gewelf
(11) , genaamd de "buijck deser kercke". (12) De zijbeuken, het priesterkoor
(13) en de kapellen (14) waren voorzien van een tongewelf. In de kerk van Diessen is zo'n tongewelf te zien. Aan de noordzijde van de kerk tussen westgevel en zijbeuk was naast het middenschip nog een ruimte, de afhang genoemd. Deze afhang had een gestuukt plafond.(15) Het priesterkoor was diep en hierin bevond zich het praalgraf van Huijbert van
Malsen.(16)
In de kerk stond een groot aantal altaren. Van slechts enkele altaren is de plaats in de kerk bekend.
1. In het hoogkoor stond natuurlijk het hoofdaltaar, toegewijd aan de H.Dionysius en Sint
Joris.(17)
2. Mogelijk stond daarin ook het Sacramentsaltaar, waarvoor Jan Willem Verschueren een erfelijke rente van zes Brabantse guldens gelegateerd had uit en van zijn erfelijke goederen. Hierop moest wekelijks een H.Mis worden gelezen op donderdag.(18) De brief van de bisschop van Luik, Gregorius van Oostenrijk, doet ons denken dat het Sacramentsaltaar pas was opgericht in 1556, maar in het testament van Laureijs Verschueren van 24 april 1540 wordt 1 carolusgulden vermaakt aan het Sacramentsaltaar, waar iedere Donderdag een H.Mis wordt gelezen.(19) In het testament van Ghijsbrecht Jan Backs en zijn vrouw IJke Jan Wouter Denijs, opgemaakt op 12 mei 1539, wordt een half mud rogge aan dit altaar vermaakt.(20) Het altaar bestond dus al langer.
3. Het altaar van Sint Sebastiaen stond misschien ook wel in het hoogkoor. Dit altaar zelf wordt niet direct vermeld, maar wel het gilde in de kerk van Tilburg enkele keren tussen 1530 en 1560.(21)
4. Het Onze-Lieve-Vrouwealtaar in het nieuwe koor. Op 2 juni 1439 direct na de hoogmis kwamen in het koor van de oude kerk bij het Hagelkruis bijeen Jan Wouter Back Onmaten en Peter Arnolduszoon, kerkmeesters, Jan van de Velde en Arnold Nouwen, beheerders van de goederen van de armenzorg, genoemd de Tafel van de Heilige Geest, de gezworenen van Tilburg Thomas Woutgeers, Jan Berijs, Daniël vanden Sande, Jan die Heerde en Arnold Amervoert met de ridders Jan Back en Aert van Broechoven, de priesters Jan, natuurlijke zoon van wijlen Henrick Back en Aert van Sonne en nog vele anderen. Deze bijeenkomst had tot doel de oprichting van een Maria-altaar in de kerk van Tilburg.(22) Aan dit altaar moesten wekelijks vier missen opgedragen worden, namelijk een op zondag, in de zomer op het zesde uur en in de winter op het achtste uur, een ander op zaterdag en de overige twee op een doordeweekse dag. Voor de laatste twee missen mocht de rector van dit altaar de dag en het uur zelf vaststellen. Ten behoeve van een te benoemen
"rector" of "altarist" werd een beneficie gesticht van totaal twaalf en driekwart mud rogge. De waarde van een mud rogge was in het begin van de zestiende eeuw ongeveer drie gouden carolusguldens.
Nadat de nieuwe kerk was gereedgekomen, werd het Maria-altaar geplaatst in de noordelijke zijbeuk. Het werd toen genoemd: het altaar van Onze-Lieve-Vrouw in het nieuwe koor. Nu werd een zijbeuk ook koor genoemd, maar waarschijnlijker is, dat dit altaar in de oude kerk in het hoogkoor stond en dat de naam is meeverhuisd naar de Dionysiuskerk. Dat houdt in dat in het begin van de vijftiende eeuw de oude kerk een nieuw hoogkoor had gekregen.
De noordzijde van de kerk was de donkere kant. Omdat Eva de oorzaak was van de erfzonde, die duisternis over de mensheid had gebracht, was de donkere kant de vrouwenkant. Maria had echter het
"Licht" gebracht, dat de erfzonde overwon, daarom stond het aan haar toegewijde altaar in de noorder zijbeuk.
In een akte van 2 januari 1561 n.st. wordt het genoemd: het altaar in de zon in de kerk van Tilburg.(23) Dit doet vermoeden dat het onder een rond raam stond, maar op de tekeningen van Hendrik Verhees is geen rond raam te bekennen.

Houten vroeg-zestiende-eeuws Mariabeeld uit de kerk van
Broekhoven I dat volgens overlevering uit de oude parochiekerk
afkomstig zou zijn. De foto laat de toestand van het beeld zien
voordat er nieuwe kronen op werden gezet. (coll. RHC Tilburg).
Volgens Ferdinand Smulders stond op dit altaar een aangekleed Mariabeeld.(24) Smulders meende dat dit beeld
"in veiligheid" zou zijn gebracht over de grens, maar het is waarschijnlijker dat dit beeld bij de grote brand van de kerk in 1595 verdwenen is. Er rest nog een eigenaardigheid. In het genoemde artikel zegt Smulders dat Willem Peter Stelaerts in 1419 een mud rogge erfpacht geeft uit een huis aan de Hoeven (nu Reitse Hoevenstraat). Van dat mud moest een achtste deel, zijnde twee lopen, betaald worden aan de rector van het Onze-Lieve-Vrouwealtaar om
"onser Vrouwen beeldt daermede te kleden en te verchieren ende een lamp daervoor bornende te
houden". Dat is vreemd, want we hebben gezien, dat het Maria altaar pas opgericht is in 1439. Iets dergelijks zien we ook bij het Sacramentsaltaar.
In de kerk van Broekhoven I staat een vroegzestiende-eeuws Mariabeeld. De bouwpastoor dr. H. Bertens had dat cadeau gekregen van de abt van Tongerlo. Het zou naar Tongerlo zijn overgebracht, toen de kerk na 1629 genaast werd voor de protestantse
eredienst(25). Het betreffende beeld is echter geen aangekleed beeld. Mogelijk was het dit beeld dat volgens Ferdinand Smulders in veiligheid was gebracht. Lambert de Wijs dacht dat dit beeld uit de Hasseltse kapel kwam.(26)
5. Het Maria en Katharina-altaar ook genoemd Onze-Lieve-Vrouwealtaar
voor het hoge koor. Mogelijk werd voor 1439 dit altaar het Onze-Lieve-Vrouwealtaar genoemd. Het hoogkoor was afgesloten met een oksaal voorstellende de twaalf Apostelen. Bij de wederopbouw van de kerk werd aan mr. Henrick Rutten in 's-Hertogenbosch gevraagd een ontwerp te maken
van: "een Oxael tusschen den Hooghen ende Cruijchoor inder kercke van Tilborch, omme tselve naeden eijsch vande Timmer in schreijnwerck op te maken, soo tselve voor de affbrandinghe was geweest, metter figuren der twelff
Apostelen".(27) Aan weerszijden van dit oksaal bevondt zich een deur, die toegang gaf tot het hoogkoor. Vandaar dat van het Maria en Katharina-altaar gezegd wordt dat het ligt
"tussen de koordeuren". Dit oksaal belemmerde voor de gelovigen het zicht op het hoogaltaar. Daarom kon er op dit altaar tijdens de dienst simultaan een mis gelezen worden.

De Sint Dionysiuskerk afgebeeld op een deel van een perkamenten manuscriptkaart,
vervaardigd door de landmeter Roelof van der Vleuten in 1657.
(Coll. Streekarchivariaat in de Kring Oosterhout, oud-archief Alphen).
6. Het Sint Jansaltaar. In de zuiderzijbeuk bevond zich het altaar toegewijd aan St. Jan Evangelist en St. Jan Baptist. Daarom werd deze zijbeuk ook genoemd het Sint Janskoor. Volgens dr. P.C. Boeren werd dit altaar vermeld van 1436 af en was het gefundeerd door jonker Gherit Back. De herdenking van de consecratie was op 30 maart.(28)
Van de volgende altaren heb ik de plaats niet kunnen vaststellen. Hoogstwaarschijnlijk stonden ze in de kapellen aan de zuidzijde van de kerk.
7. Het Sint Anna-altaar. Boeren vermeldde dit altaar niet. Peter Bertolomeeus Verlijnden en zijn vrouw Beatris Willem Eelkens vermaakten in hun testament een legaat aan het Sint
Anna-altaar.(29) Laureijs Peter Verschueren bepaalde in zijn testament, dat hij begraven wilde worden bij zijn zusters aan de noordzijde van het Sint
Anna-altaar.(30)
8. Het Sint Anthonisaltaar. Dit altaar wordt meerdere malen vermeld in de schepenprotocollen. Ghijsbert Arijaen Huijben en Jan Henrick Verhoeven moeten uit de goederen die ze gekocht hebben van Jan en Luijtgaert, kinderen van wijlen Vranck Poppen, jaarlijks betalen aan de Rector van Sint Anthonisaltaar in de kerk van Tilburg 12 lopen rogge erfpacht.(31) Op 7 februari 1547 n.st. loste Jan Denijs Adriaen Mutsaerts het mud rogge erfpacht af, dat Willem Laureijs Anssems, de grootvader van de vrouw van Jan Mutsaerts, gevest had aan heer Jan Jan Back, priester en rector van het Sint Anthonisaltaar in de kerk van Tilburg.(32) Ofschoon dit altaar kortweg Sint Anthonisaltaar werd genoemd was het toegewijd aan Sint Antonius, Sint Rumoldus en Sint Lucia.(33)
9. Het Sint Barbara-altaar. Officiëel was dit het altaar van Sint Barbara, Sint Dimpna en van de Tafel van de Heilige Geest.(34) Volgens Boeren was dit altaar ook gefundeerd op 9 mei 1439.(35) In de schepenprotocollen van de jaren 1530-1560 heb ik een twintigtal vermeldingen van dit altaar gevonden.
10. Het Sint Crispijn en Sint Crispianusaltaar. Beide heiligen zijn de patroons van de schoenmakers. Van dit altaar heb ik een vermelding gevonden in 1527 en 1529.(36) Daarna nog zevenmaal een vermelding tussen 1530 en 1540.
11. Het Drievuldigheidsaltaar. Hiervan heb ik slechts één vermelding gevonden en wel in 1512.(37)
12. Het Sint Genoveva-altaar. In het testament van Laureijs Peter Verschueren wordt Sint Genoveva in de kerk van Tilburg verrijkt met een
"dwele", evenals het Lieve-Vrouwealtaar.(38) De benaming altaar is niet expliciet gegeven in dit testament, maar waartoe dient een altaardwaal anders dan voor een altaar?
13. Het Heilig Kruisaltaar. In de zoenbrief opgemaakt vanwege de doodslag op Andries de vrouw van Arijaen Ghijb Goessens moet de dader, Claes Anthonis Meeus Otten alias Biekens, een jaar lang elke vrijdag een H.Mis laten doen voor het kruis in de kerk van Tilburg.(39) Ook in de verantwoording van de gelden voor de wederopbouw van de kerk wordt dit altaar genoemd.(40)
14. Het Nood Gods-altaar. In 1539 wordt dit altaar genoemd het Onze-Lieve-Vrouwealtaar in de Nood Gods in de kerk van Tilburg.(41) Nu zouden we het een altaar noemen van de Mater Dolorosa. Uit een huis in de herdgang Veldhoven moest de eigenaar een half mud rogge erfpacht jaarlijks betalen aan de Rector van dit altaar.(42) Uit een huis gelegen aan het Voertveecken moest de eigenaar jaarlijks vier lopen rogge erfpacht betalen aan de rector van het Nood
Gods-altaar.(43)

Sepiatekening van het praalgraf van Huijbert van Malsen dat zich in het
priesterkoor van de Sint Dionysiuskerk bevond. De tekening is vermoedelijk
gemaakt door Hendrik Verhees in 1790, toen hij ook de kerk tekende en in
zijn tekst bij de plattegrond naar deze 'graftombe' verwees.
(Brabantcollectie KUB, Tilburg).
15. Het Sint Petersaltaar. Boeren vermeldt dat dit altaar bij geen enkele auteur wordt genoemd, maar dat het al vóór 1540 bestaan moet hebben.(44) Hij verwijst naar een schepenakte van 25 september 1557, waarin de altarist van Sint Peter wordt genoemd, en naar een akte van 1578, waarin Anthonis Jan Adriaens deken is van het Gilde van het Sint Petersaltaar. Zelf heb ik gevonden dat Michiel Henrick Relens en zijn vrouw het Sint Peters Gilde gedachten in hun testament.(45) Mechteld, de weduwe van Willem sBrouwers, moest uit een huis in Oerl aan het gilde van Sint Petersaltaar in de kerk van Tilburg jaarlijks betalen een half mud rogge erfpacht.(46) Ook Laureijs Peter Verschueren vermaakte in zijn testament vijf stuivers aan dit gilde.(47)
Bij verscheidene altaren werden gilden of broederschappen genoemd. Dit waren religieuze verenigingen en ze moeten niet verward worden met de middeleeuwse beroepsgilden. In de schepenprotocollen van de eerste helft van de zestiende eeuw worden de volgende gilden vermeld:
1. Broederschap of gilde van het Heilig Sacrament. Henrick van Lieshout vermaakte in zijn testament zes stuivers aan dit gilde.(48) Het echtpaar Jan Jan Leemans en Lucia Henrick Spapen vermaakten hieraan zes
carolusgulden.(49)
2. Het gilde van Sint Sebastiaan. Dit gilde bestaat nog en was en is een schuttersgilde. Het wordt onder andere vermeld in het testament van Michiel Henrick Relens
(50) en in het testament van Laureijs Peter Verschueren.(51) Deken van het Sint Sebastiaangilde was in 1532 Laureijs Henrick
Weijmers.(52)
3. Het gilde van Onze-Lieve-Vrouw. Onder andere genoemd in het testament van Laureijs Peter
Verschueren.(53)
4. Het gilde van Sint Catherina. Dekens van dit gilde waren in 1538 Cornelis Claeus van Ghierl, Wouter Vranck Lemmens, Cornelis Cornelis Wouters en Jan Peter Reijnen; gildebroeders waren Herman Peter Hermans, Daniël en Joest zijn broers, Herman Gherit Hermans met Daniël en Cornelis zijn broers, Pauwels Cornelis Hermans en Gherit van
Ethen.(54) Jan Jan Leemans en zijn vrouw Lucia Henrick Spapen vermaakten 1 carolusgulden aan dit gilde.(55)
5. Het gilde van Sint Anna. Dit gilde wordt meerdere malen vernoemd in de schepenprotocollen. Ik verwijs hier alleen maar naar het testament van Laureijs Peter
Verschueren.(56) In 1531 waren dekens van dit gilde Jan Berijs Eelkens en Peter Meeus
Biekens.(57) In 1534 waren dat Ghijsbrecht Jan Zwagemakers, Laureijs Jan Backs, Jan Aert Reijnbouts en Willem Jan
Verschueren.(58) Jan van Gorp wordt als deken genoemd in 1537.(59)
6. Het gilde van Sint Barbara. Ook dit gilde wordt genoemd in het testament van Laureijs Peter Verschueren
(60) en Marie Gielis vanden Cauwelaer vermaakte aan het gilde een vrouwendoek.(61)
7. Het gilde van Sint Crispijn en Sint Crispiaen. Het wordt genoemd in het testament van Henrick Relen in 1506.(62) Het gilde bezat een beemd in de Vijffhoeven
(63), een jaarcijns van 5½ stuiver uit en huis en grond in de Rijt toebehorende aan Jan Cornelis Huijbrecht Smitten
(64), een jaarcijns van 21½ stuiver uit grond in de Schijf bij de Bedbuer toebehorende aan Jan Claeus Steven
Reijnen.(65)
8. Het gilde van Sint Peter. Het wordt genoemd in een akte van 1578. Deken in die tijd was Anthonis Jan
Adriaens.(66) Het gilde beurde jaarlijks een erfpacht van een half mud rogge uit een huis in Oerle van Mechtelt de weduwe van Willem
sBrouwers.(67) Ook wordt het vermeld in de eerder vernoemde testamenten van Michiel Henrick Relens en Laureijs Peter Verschueren. Ook Peter Peter Zeghers en zijn vrouw bedachten dit gilde in hun testament.(68)
9. Het gilde van Sint Anthonis. Boeren zegt van dit gilde dat het al bestond in 1516. Hij noemt verder nog de gilden van Sint Leonard, Sint Hubertus, Sint Cornelis en Sint
Bernard.(69) Van deze laatsten heb ik zelf nog geen vermeldingen gevonden.
10. Het gilde van Sint Joris. Dit is eveneens een schuttersgilde. De erfgenamen van Henrick Jans betaalden uit de oude stede van Henrick hun vader, gelegen in Corvel aan de Juijpt, acht lopen rogge erfpacht per jaar aan het gilde van Sint
Joris.(70)

Zuid- en noordzijde van de oude parochiekerk Sint Dionysius
getekend door Hendrik Verhees in 1790. (Coll. paters kapucijnen
Den Bosch).
Op de tekening van de kerk gemaakt door Hendrik Verhees op 19 en 20 maart 1790, de tekening gemaakt door F.S. in 1789 en de plattegrond gemaakt door Hendrik Verhees zien we dat het priesterkoor drie hoge gotische ramen had tussen de steunberen aan de zuidzijde, twee aan de oostzijde en een aan de noordzijde, dat later dichtgemetseld schijnt te zijn geweest. In de afhang aan de noordzijde bevonden zich twee ramen.In de gevel van beide zijbeuken waren grote ramen aangebracht. In de eerste kapel was een groot raam, in de tweede een klein deurtje met daarboven een klein raam. De derde kapel had een kleiner raam, maar het is mogelijk dat het raam veranderd is toen deze kapel bij het raadhuis werd getrokken op 27 september 1726.
De parochiekerk beschikte ook over een orgel. Volgens Boeren was Willem Mutsaerts organist in 1508.(71) De familie Mutsaerts was kennelijk muzikaal aangelegd want Adriaen Jan Mutsaerts wordt ook genoemd
"die Canter", de (voor)zanger.(72) In 1541 wordt genoemd als organist Jan Claes Thomaes van
Enschot.(73) Een zekere Embrecht Embrecht van Aerl wordt in 1530 die Canter genoemd.
Zoals in iedere kerk stond ook in de Dyonisiuskerk een preekstoel. Deze werd niet alleen gebruikt voor onderricht aan de gelovigen. Van de preekstoel werden bij hun jaargetijde de namen van de overledenen voorgelezen, die in het zielenboek vermeld stonden, het
'Liber anniversariorum'. In verschillende testamenten werden legaten aan de kerk vermeld, waarvoor de naam van de schenker in het zielenboek moest worden vermeld om
"vanden stoel" afgelezen te worden.(74)
Van de preeekstoel af werden ook zakelijke mededelingen gedaan aan de inwoners van Tilburg, onder andere als er een
"verbuet" gehouden werd; dit is een openbare verkoping van de onderpanden van een hypothecaire lening als de rente niet betaald werd of kon worden.(75)

Plattegrond van de parochiekerk getekend door Hendrik Verhees in 1790.
(Coll. paters kapucijnen Den Bosch).
Biechtstoelen worden niet vermeld in de door mij geraadpleegde stukken, evenmin als banken, stoelen of een doopvont. Deze laatste is er natuurlijk wel geweest en zal, zoals de gewoonte was, buiten de eigenlijke kerk gestaan hebben ergens in een ruimte onder de toren. Ongedoopten, heidenen dus, mochten niet in de kerk zelf komen.
In de verantwoording van inkomsten en uitgaven voor de wederopbouw van de kerk na 1595 staat een post voor
"de Leesbancken, met thuijsken daer Mevrouwe van Tilborch haer devotie inne houdt, opte choor te setten"
(76) Voor haar zal er voor de brand hoogstwaarschijnlijk ook wel zoiets gestaan hebben.
Blijkens de opgaven bij het herstel van de kerk na 1595 hingen er in de toren enkele kleine klokken en een grote luiklok.(77) Er hing ook een klokje in het torentje op de kruising van middenschip en
zijbeuken (78)
Rond de kerk lag een ommuurd kerkhof. Begravingen vonden niet alleen plaats op dit kerkhof maar ook in de kerk. Begraven in de kerk was veel duurder dan op het kerkhof buiten, zodat in de kerk meestal graven van notabelen voorkwamen. De reeds meer genoemde Laureijs Peter Verschueren stelt in zijn testament, dat hij begraven wil worden bij zijn zusters aan de noordzijde van het Sint
Anna-altaar.(79) Bij de wederopbouw na de brand van 1595 zijn alle graven in de kerk geruimd.(80) Sommige graven op het kerkhof werden ook toen al voorzien van een grafmonument. Op het graf van Cornelis Laureijs Eelen Mutsaerts, die gedood was in een ruzie door Henrick Gherit Smolders en diens drie zonen Pauwels, Gherit en Peeter, moesten de daders laten zetten
"een ijseren cruijs nae den aenscijn van den cruijs dat opt graft staat van Henrick Mathijs
Beerten", zoals te lezen is in de zoenbrief van 9 januari 1522 n.st. (81)
Menselijk opzicht was de zestiende-eeuwse Tilburgers ook niet vreemd, want er werd bij vermeld;
"datten steen off den voet vanden cruijs noch eens soe swaer sal sijn als den steen van de voors(creven) Henrickx
cruijs".
Dat was de grote nieuwe parochiekerk van Tilburg, die pas tegen het einde van de vijftiende, begin zestiende eeuw geheel gereed was gekomen. Ergens tussen 1560 en 1570, vermoedelijk al tijdens de Tachtigjarige Oorlog, was ten gevolge van groot onweer en stormwind de spits van de toren afgewaaid en neergestort door het dak van het middenschip, waardoor het kerkgebouw zeer beschadigd raakte.(82) Later brandde de kerk geheel af door oorlogshandelingen in de Tachtigjarige Oorlog, zoals al eerder is vermeld, op 15 april 1595 om 11 uur 's avonds.(83)

Sepiatekening van de achterzijde van de oude parochiekerk Sint
Dionysius door 'F.S.' getekend omstreeks 1789. (Part. coll.).
Na de val van 's-Hertogenbosch op 14 september 1629 werd aan alle priesters in de Meierij bevolen hun kerken te ontruimen. De kerk werd
definitief onteigend op 7 augustus 1633. (84)
Op 11 juli 1824 werd de kerk ontruimd door de Hervormde Gemeente. Het gebouw was geheel versleten door gebrek aan onderhoud. Het kerkbestuur besloot toen een nieuwe kerk te bouwen: de huidige Heikese kerk. Op 13 augustus 1827 werd de eerste steen hiervoor gelegd en op 29 oktober 1829 werd deze kerk in gebruik genomen.(85)
Noten
(1) M. de Bruin, 'Hoe Tilburg aan zijn kerkpatroon is gekomen', in: Actum
Tilliburgis, jrg. 11, nr. 1, 1980, blz. 2.
(2) Zie hiertoe: J.R.O. Trommelen en M.P.E. Trommelen, Tilburgse toponiemen in de 16e eeuw (Tilburg, 1994), blz. 227-230, lemma 216.
(3) H.P.H.Camps, Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312. De Meijerij van 's-Hertogenbosch (met de heerlijkheid Gemert) ('s-Gravenhage, 1979), deel I.1, nr 80. Giselbert Heer van Tilburg en zijn moeder Alaysa brengen de lieden wonende op hun allodium Helvoirt onder de parochiekerk van Oost-Tilburg.
(4) Jan Trommelen, 'De Oude kerk van Tilburg' in: Tilburg, tijdschrift voorgeschiedenis, monumenten en
cultuur, jrg. 15, nr. 1, maart 1997, blz. 9-12.
(5) C.J. Weijters, 'De parochie Tilburg en de Abdij van Tongerlo', in: De Lindeboom, II, 1978, blz. 15.
(6) G.W.J.Steijns, 'de Kerk van het Heike', in: Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en
cultuur, jrg. 8, 1990, blz. 64-80.
(7) Gemeentearchief Tilburg (GAT), rechterlijk Archief (R) 271,
fol. 44 verso, 6 augustus 1522.
(8) Op het Gemeentearchief van Tilburg bevindt zich een groot aantal kopieën van stukken uit het het Abdijarchief van Tongerlo (afgekort AAT). Deze kopieën zijn gebundeld en ingebonden in een twintigtal boeken, aanwezig in de leeszaal van het Gemeentearchief Tilburg. Verwijzing naar deze kopieën wordt gedaan met het
archiefnummer van het abdijarchief, gevolgd door het nummer van het boek waarin zich de kopie bevindt. In dit geval: AAT, bundel Tilburg II, nr. 207, GAT boek nr. 12, blz. 6.
(9) GAT, Oud-administratief Archief (OAA), inv. nr. 741.
(10) Fr. M.D. Simons, 'De Oudste Latijnse School', in: Historische Bijdragen, uitgave van de Heemkundekring
Tilborgh, jrg. 1, 1970, nr. 3, blz. 46-52 en nr. 4, blz. 83-89.
(11) GAT, OAA, inv. nr. 741, fol. 54 recto.
(12) GAT, OAA, inv. nr. 741, fol. 30 recto.
(13) GAT, OAA, inv. nr. 741, fol. 74 verso.
(14) GAT, OAA, inv. nr. 741, fol. 47 recto.
(15) GAT, OAA, inv. nr. 741, fol. 56 verso.
(16) J.A.J.Becx, 'De oorsprong van het kasteel van Tilburg en de herkomst van het geslacht van Malsen', in:
De Lindeboom, V, 1981, blz. 76-87.
(17) GAT, OAA, inv. nr. 741, tweede fol. 77 recto.
(18) AAT-II; bundel Tilburg II, nr. 73, GAT boek nr 9, brief van de bisschop van Luik, Gregorius van Oostenrijk, d.d. 2 juni 1556.
(19) GAT, R 287, fol. 6 recto t/m 7 recto.
(20) GAT, R 286, fol. 5 verso.
(21) GAT, R 279, fol. 27 verso, 5 januari 1532 n.st.
(22) AAT, bundel Tilburg II, nr 71, GAT boek no 9: Fundatio Altaris Beatae Mariae, opgemaakt door notaris Nicolaas Jungelinx, priester d.d. 2 juni 1439. Het stuk in de archieven van de abdij van Tongerlo is een kopie, gemaakt door notaris Peter Scheelen.
(23) GAT, R 306, fol. 46 recto - 47 recto, 12 januari 1561 n.st.
(24) Ferdinand Smulders, 'Tilburg rond 1450', in: Actum Tilliburgis, jrg. 5, nr. 4, blz. 11.
(25) Ronald Peeters en Ed Schilders, Katholiek Tilburg in beeld (Tilburg, 1990), blz. 26.
(26) Ibidem.
(27) GAT, OAA, inv. nr. 741, fol. 77 verso, 1595-1617.
(28) Dr. P.C. Boeren, 'Parochiegeschiedenis van Tilburg vóór 1600', in:
Van Heidorp tot Industriestad (Tilburg, 1955), blz. 83.
(29) GAT, R 280, fol. 6 verso - 7 recto, 24 april 1532.
(30) GAT, R 207, fol. 6 recto - 7 recto, 24 april 1540.
(31) Onder meer in GAT schepenprotocol, R 280, folio 17 verso-18 recto, 10 september 1532.
(32) GAT, R 293, fol. 65 verso, 7 februari 1547 n.st.
(33) Dr. P.C. Boeren, 'Het oudste Liber Anniversariorum der kerk van Tilburg', in:
Bossche Bijdragen, 22, 1954, p. 122: in Rescriptio beneficiorum in ecclesia de Tilborch et Enschot fundatorum, facta anno 1573; wordt genoemd: Rector altaris sanctorum Anthonii, Rumoldi et Luciae est Dominus Wilhelmus Broechuijsen presens et deservitur per eundem et habet quatuor missas et valet X modios siliginis. In Nederlands: De Rector van het altaar van Sint Anthonius, Rumoldus en Lucia is heer Willem Broechuijsen, aanwezig en wordt door hem bediend en heeft 4 missen en brengt op 10 mud rogge.
(34) GAT, R 280, fol. 30 verso - 31 recto, 13 januari 1533 n.st.
(35) Boeren, 'Parochiegeschiedenis van Tilburg', blz. 83.
(36) GAT, R 274, fol. 30 verso, april 1528 n.st.; GAT R 276, fol. 50 recto, 28 april 1530 n.st.
(37) GAT, R 264, fol. 11 verso, 5 februari 1513 n.st.
(38) GAT, R 287, fol. 6 recto - 7 recto, 24 april 1540.
(39) GAT, R 287, fol. 11 recto - 11 verso, 7 mei 1540.
(40) GAT, OAA, inv. nr. 741, folio 59 recto.
(41) GAT, R 285, fol. 42 verso, 14 februari 1539 n.st.
(42) GAT, R 285, fol. 42 verso, 14 februari 1539 n.st.
(43) GAT, R 288, fol. 10 recto - 10 verso, 4 juli 1541; Het Voortveeken lag daar waar nu de Piushaven is op het einde van de Lancierstraat. Zie Hiertoe: J.R.O.Trommelen en M.P.E.Trommelen,
Tilburgse toponiemen in de 16e eeuw, blz. 470, lemma 700.
(44) Boeren, 'De Parochiegeschiedenis van Tilburg', blz. 84.
(45) GAT, R 258 bis, fol. 18 verso, 1506.
(46) GAT, R 280, fol. 38 verso, 31 januari 1533.
(47) GAT, R 287, fol. 6 recto - 7 recto, 24 april 1540.
(48) GAT, R 285, fol. 50 recto, 10 maart 1539.
(49) GAT, R 301, fol. 87 verso - 88 verso, 4 januari 1556 n.st.
(50) GAT, R 258 bis, fol. 18 verso, 1506.
(51) GAT, R 287, fol. 6 recto - 7 recto, 24 april 1540.
(52) GAT, R 279, fol. 27 verso, 5 januari 1532 n.st.
(53) GAT, R 287, fol. 6 recto - 7 recto, 14 april 1540.
(54) GAT, R 284, fol. 56 verso, 31 maart 1538 n.st.
(55) GAT, R 301, fol. 87 verso - 88 verso, 4 maart 1556.
(56) Zie voetnoot 51.
(57) GAT, R 279, fol. 51 recto, 3 juni 1531.
(58) GAT, R 281, fol. 39 recto, 17 maart 1534 n.st.
(59) GAT schepenprotocol, R 284 folio 1 recto, 4 april 1557 n.st.
(60) Zie voetnoot 51.
(61) GAT, R 288, fol. 9 verso, 14 juni 1541.
(62) GAT, R 258 bis, fol. 18 verso.
(63) GAT, R 286, fol. 3 recto, 17 januari 1540 n.st. en R 287, fol. 55 recto - 55 verso, 1 februari 1541 n.st.
(64) GAT, R 280, fol. 41 verso - 42 recto, 2 februari 1533 n.st.
(65) GAT, R 288, fol. 40 recto, 13 januari 1542 n.st.
(66) GAT, R 342, folio 30 recto.
(67) GAT, R 280, fol. 38 verso, 31 januari 1533 n.st.
(68) GAT, R 274, fol. 65 recto, 9 november 1528.
(69) Boeren, 'Uit de parochiegeschiedenis van Tilburg', blz 85.
(70) GAT, R 305, fol. 53 verso - 54 verso, 3 februari 1560 n.st.; GAT, R 305, fol. 65 recto, 7-2-1560 n.st. en fol. 66 recto - 66 verso, 1 maart 1560 n.st.
(71) Boeren, 'Uit de parochiegeschiedenis van Tilburg', blz. 87.
(72) GAT, R 279, fol. 26 verso, 18 december 1531 en fol. 35 verso, 20 januari 1532 n.st.
(73) GAT, R 288, fol. 16 verso, 29 september 1541.
(74) Onder andere GAT, R 287, fol. 6 recto - 6 verso, 24 april 1540.
(75) Onder andere GAT, R 283, fol. 6 recto, 8 juli 1536.
(76) GAT, OAA, inv. nr. 741, fol. 63 recto.
(77) Ibidem fol. 41 verso.
(78) Ibidem fol. 72 verso (A).
(79) GAT, R 287, fol. 6 recto - 7 recto, 14 april 1540.
(80) GAT, OAA, inv. nr. 741, fol. 61 verso.
(81) GAT, R 271, fol. 71 verso.
(82) AAT, bundel Tilburg II, nr 206, De turri in Tilborch, GAT boek nr 12.
(83) Zie voetnoot 8.
(84) Weijters, 'De Parochie Tilburg en de abdij van Tongerlo', blz. 25-29.
(85) Ibidem blz. 73.
* Jan Trommelen (1924) schreef samen met zijn
zoon René Trommelen het boek Tilburgse toponiemen in de 16e eeuw. Een
tentatieve reconstructie en naamsverklaring (Tilburg, 1994), Tilburgse
Bronnenreeks 1, 496 blz. Over de oude kerk van Tilburg
schreef hij eerder een artikel in 'Tilburg' (1997), nr. 1, p. 3-8.




