| 279. Waarnemend burgemeester Hondius, een paradoxale voorbijganger | |||
|
Titel: |
Waarnemend burgemeester Hondius, een paradoxale voorbijganger |
|
Ondertitel: |
17 juli 1944 - 17 september 1944 |
|
Auteur: |
|
|
Jaargang: |
X (1992) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
| Nummer: | 3 |
|
Pagina’ s: |
70-79 |
In de ochtend van donderdag 13 juli 1944 werd burgemeester Van de Mortel gearresteerd, omdat hij weigerde mee te werken aan het vorderen van werkkrachten bestemd voor de voltooiing van de kustverdedigingswerken in Zeeland. Vier dagen later benoemde dr.
Wimmer, General-Kommissar voor Bestuur en Justitie, ir. Harmanus Hondius, wethouder voor de bedrijven en gemeentewerken in Nijmegen, tot waarnemend burgemeester van Tilburg. De benoeming had uitdrukkelijk een tijdelijk karakter. Hondius bleef wethouder in Nijmegen, maar werd gedetacheerd in Tilburg. Iedere week reisde hij heen en weer tussen zijn werk- en woonplaats, totdat hij na het weekend van 16/17 september niet meer naar Tilburg kon terugkeren als gevolg van de luchtlandingen en de strijd rond Nijmegen en Arnhem. Hij werd daarop benoemd tot waarnemend Commissaris van de Provincie van (het niet bevrijde deel van) Gelderland. Daarmee kwam op onverwachte wijze een einde aan een
NSB-interregnum. Op 27 oktober 1944, bevrijdingsdag, keerde Van de Mortel, na drie en een halve maand onderbreking, weer terug als burgemeester.

Ir. H. Hondius (rechts), A. Mussert (midden) en M. van Lokhorst (met
bril) buigen zich
over de saneringsplannen van de binnenstad van Nijmegen na het bombardement.
(coll. RHC Tilburg).
In de twee overzichtswerken over de oorlog en bezetting in Tilburg: 'Tilburg in de oorlogsjaren 1940 - 1945' (J. Poort) en
'Tilburg 1940 - 1945. Jaren van verduistering' (Frans Janse), wordt maar in één geval verwezen naar het optreden van Hondius. Op woensdag 6 september werd op het Lijnsheike een lid van de Grüne Polizei neergeschoten. De Duitsers dreigden als reactie daarop gijzelaars te fusilleren en de huizen op het Lijnsheike met de grond gelijk te maken. Beide schrijvers zijn het erover eens dat het aan het optreden van Hondius te danken is geweest dat zij afzagen van de voorgenomen represaillemaatregelen. Voor het overige heerst er stilte rond zijn persoon.
Hondius´ benoeming: matiging in een conflict
Met de benoeming van Hondius hoopte Wimmer een steeds verder escalerend conflict tussen de NSB-burgemeester van Nijmegen, Marius van Lokhorst, en zijn wethouder, Hondius, binnen de perken te houden. Gedeeltelijk was dit een beleidsconflict, waarbij Van Lokhorst zich in zijn positie bedreigd voelde door de dominante Hondius. Gedeeltelijk was het een moreel conflict, waarbij Hondius zich verzette tegen de dreiging die van de houding van Van Lokhorst uitging op de Nijmeegse
bevolking.(1) Daarbij had Hondius naam gemaakt door op voortvarende wijze de hulpverlening na het bombardement op Nijmegen op 22 februari 1944 (Van Lokhorst was op dat moment met ziekteverlof) te organiseren en te coördineren, én door zijn weigering om de begrafenis van de slachtoffers te laten ontaarden in een nationaal-socialistische propagandamanifestatie. Dit tot ongenoegen van Mussert, met wie hij al eerder op gespannen voet was geraakt door zijn protest tegen de instroom van Duitsers bij
Fokker.(2) Mussert zag het liefst dat de weerspannige wethouder ontzet zou worden uit zijn functie. Maar de uiteindelijke beslissing daarover lag bij de Duitse autoriteiten, en Hondius kon rekenen op de steun van dr. Schneider, de Beauftragte (vertegenwoordiger van de Rijkscommissaris) in de provincie Gelderland. Achter de schermen overlegde deze met zijn Brabantse collega Selmer. De uiteindelijke oplossing: Hondius werd, met behoud van zijn Nijmeegse functie, gedetacheerd in Tilburg. Hijzelf toonde zich verrast, maar aanvaardde de benoeming als
'een eervolle voorlopige oplossing'. Mussert voelde zich achteraf misleid. Hij had zijn toestemming voor de benoeming gegeven, ervan uitgaande dat Hondius daardoor automatisch ontheven zou worden van zijn Nijmeegse
functie.(3)

Benoemingsbrief van Wimmer, 17 juli 1944. Let op Wimmers' opmerking
dat de benoeming van Hondius geen enkele consequentie inhoudt wat betreft
de uiteindelijke beslissing over de benoeming van een burgemeester in
Tilburg. (coll. RHC Tilburg).
Kennismaking en algemene opstelling
Na zijn beëdiging op 18 juli door Wimmer, reisde de nieuwe waarnemend burgemeester de volgende dag naar Tilburg om kennis te maken met de wethouders. Tegen Janssens, de eerste wethouder, verklaarde hij dat hij op geen enkele manier wilde ingrijpen in de bestaande ambtelijke structuur en werkwijze van de ambtenaren. Hij nam daarom bewust zijn intrek in het leegstaande Paleis-Raadhuis en niet in het stadhuis. Janssens zou als zijn verbindingsman optreden. Voor het geval een ambtenaar bepaalde kwesties wilde bespreken, kon deze telefonisch contact opnemen met zijn secretaresse, Fetske Beerents, die hij uit Nijmegen had meegebracht. En zo komt het dat verschillende gemeente-ambtenaren hem niet eens
kenden.(4)
Het college van B. en W., dat officieel ontbonden was in 1941, maar door Van de Mortel als (informeel) college was gehandhaafd, werd door hem zonder meer overgenomen,
'omdat ik op deze wijze zonder eenige moeite de hangende problemen toegelicht
kreeg'.(5)

Officiële gelukwens van de NSB-burgemeester van Utrecht, C. van Ravenswaaij, 21 juli 1944.
In een persoonlijke handgeschreven notitie verwijst Van Ravenswaaij naar het conflict tussen
Hondius en Van Lokhorst. (coll. RHC Tilburg).
De eerste kennismaking werd afgesloten met een serie korte gesprekken met de hoofden van diensten en hoofdambtenaren. Zij stelden hem op de hoogte van de problemen waarmee zij in hun functie geconfronteerd werden. Het geheel overziende concludeerde hij dat de houding van de voor een gesprek uitgenodigde ambtenaren
'een volmaakt correcte om niet te zeggen een tegemoetkomende was'.(6) Die tegemoetkomende houding verklaarde hij (en verklaart hij nog steeds) uit zijn bekendheid als de organisator van de hulpverlening in Nijmegen na het bombardement van 22 februari
1944.(7) Na deze tweedaagse oriëntatie op het gebied van het gemeentebeleid, volgde in tweede instantie een kennismaking met de Ortskommandant, Hauptmann Pitsch, die hij overigens al kende als voormalig Ortskommandant van Nijmegen, en met leden van de NSB-top, m.n. de districtsleider, Van Leeuwenberg, en de kringleider, P. Pitz. De heerbancommandant van de Tilburgse WA, Fred Ouwerling, maakte zelf zijn
opwachting.(8)
De Zeeland-affaire
Op 20 april 1944 eiste Selmer, de Brabantse Beauftragte, dat Van de Mortel een contingent Tilburgers zou aanwijzen voor tewerkstelling aan Duitse kustverdedigingswerken op Schouwen-Duiveland en dat hij op regelmatige tijden zou zorgen voor aflossing daarvan. In eerste instantie gaf hij toe aan deze eis, maar hij liet de oproepen uitgaan op aanwijzing van de Beauftragte (wat beslist niet de bedoeling was). Daarna herzag hij zijn standpunt en weigerde hij iedere medewerking. Selmer loste dit probleem op door de Ortskommandant op te dragen razzia's te organiseren, die uitgevoerd moesten worden door de gemeentepolitie en de Landwacht. Op 6 juni en 21 juni werden aan de hand van lijsten honderden Tilburgers gepakt en naar Zeeland gestuurd om de daar al werkzame stadgenoten af te lossen en het contingent te vergroten. Daarna werden op beperkte schaal, niet systematisch en op onregelmatige tijden, op straat en in bioscopen, kleinere razzia's georganiseerd. Er was een verzadigingspunt bereikt. Het reservoir arbeidskrachten dat voor de tewerkstelling in aanmerking kwam en nog niet tewerk was gesteld, raakte uitgeput. Het gevolg was dat degenen die op dat moment in Zeeland werkten, niet werden
afgelost.(9)

Passage uit het maandrapport van Hondius, juli 1944.
(coll. RHC Tilburg).
Waarschijnlijk heeft Hondius van de Beauftragte opdracht gekregen deze kwestie te regelen. In overleg met de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau en de Fachberater (de Duitse arbeidsbemiddelaar) werd afgesproken dat de politie onopvallende inspecties zou houden in Tilburgse cafés om
'nietsnutters en zwarthandelaren' op te pakken. Daardoor konden de 'bonafide' arbeiders voor langere tijd worden
afgelost.(10)
Het karakter van het beleid van Hondius
Het bewind van Hondius kan men karakteriseren met het begrip 'indirect rule'. Hij besprak regelmatig de gemeenteproblemen met de gezamenlijke wethouders en hield daarbij duidelijk rekening met hun adviezen. Voor het overige liet hij hen ongemoeid in hun intern beleid, dus binnen hun eigen werkgebieden. Naast zijn werk als wethouder in Nijmegen (waarvoor hij ook regelmatig op reis was) beperkten zijn directe activiteiten in Tilburg zich tot:
1. het regelen en corrigeren van specifieke bestuurlijke kwesties, waarop hij opmerkzaam werd gemaakt door middel van verzoeken en klachten;
2. het aanhoren en eventueel honoreren van privé-klachten en -verzoeken;
3. het ondernemen van acties in het belang van de bevolking. Deze acties hadden meer het karakter van privé-acties.
Bestuurlijke kwesties
Wat vermakelijk was de kermis-affaire. Hondius had geen bezwaar tegen het houden van de jaarlijkse kermis. Dat was zijn goed recht. Maar hij had, in zijn onwetendheid, ook bepaalde toezeggingen gedaan aan kermisexploitanten. En dat kon niet. Toezeggingen doen over standplaatsen was een zaak van de
Standplaatscommissie.(11)
Hij liet zich uitvoerig informeren over het functioneren van de luchtbeschermingsdienst, brandweer en politie. Dit in verband met een mogelijke luchtaanval op Tilburg. De klacht van politie-majoor Boersma, dat de gemiddelde Tilburger nonchalant reageerde op het sein 'luchtalarm', nam hij bijzonder hoog op. Begrijpelijk, gezien zijn ervaringen in Nijmegen. De politie kreeg opdracht om bij luchtalarm streng op te treden tegen mensen die op straat bleven lopen en hij lichtte zijn instructie in een artikel in de Nieuwe Tilburgsche Courant als volgt toe.
'Mij staan nog levendig voor oogen de afgrijselijke tafereelen na het bombardement van Nijmegen. Ik zie nog voor mij de honderden lijken van mannen, vrouwen en kinderen, nog klinkt mij het gekreun der tallooze gewonden in de ooren.'
(12) De ambtenaren werd verboden om publiek dat zich bij het geven van luchtalarm in de gemeentekantoren bevond, de straat op te
sturen.(13) Hij reageerde geďrriteerd op de ontduiking van het 'verhuisverbod' en stuurde bij in het toewijzingsbeleid van woningen door het Gemeentelijk Woningbureau.
In december 1942 had Van de Mortel bij verordening vastgesteld dat vestiging in Tilburg, of verhuizing binnen de stad, alleen toegestaan was na schriftelijke toestemming van de burgemeester. De bevoegdheid om toestemming te geven (of te weigeren) werd gedelegeerd aan het hoofd van het Evacuatiebureau (J. Poort). De bedoeling was om zo de verdeling van de schaarse woonruimte in de hand te houden. Met deze verordening werd de hand gelicht. Particulieren wezen eigen woonruimte toe aan kennissen en relaties. Misbruik makend van de woningnood vroegen zij dikwijls 'ongehoorde
sleutelgelden'. Was de overeenkomst gesloten, dan werd zonder vergunning van adres veranderd. In een scherpe brief attendeerde hij Poort op deze situatie en hij droeg hem op het verbod
'op een zeer krachtdadige manier' toe te passen, zodat hij zich zelf met deze kwestie niet behoefde te
bemoeien.(14) De Woningdienst van de Gemeente voerde een heel simpel toewijzingsbeleid van gemeentewoningen:
'wie het eerst komt, het eerst maalt'. Het Hoofd van de Nederlandse Volksdienst pleitte voor een selectief beleid, waarbij
'gezonde, kinderrijke doch arme gezinnen' voorrang zouden krijgen. Hondius ontbood het Hoofd van de Woningdienst (Houdijk), om zich te laten informeren, en deze beloofde in het vervolg kinderrijke gezinnen bij voorrang aan woonruimte te
helpen.(15)
Optreden tegen individueel sociaal onrecht
Het zou te ver gaan om hier en detail alle verzoeken en klachten die hem bereikten te bespreken. Zij variëren van verzoeken om oogstverlof, toewijzing van woningen, verstrekking van materiële hulp in geval van armlastigheid, tot klachten over het weigeren van een uitkering aan een gescheiden echtgenote, mishandelen van een vrouw door haar echtgenoot, het uit het huis zetten van een inwonend gezin door de schoonouders, het opzeggen van de huur door een huurder die met een andere vrouw was gaan samenleven en zo zijn gezin op straat dreigde te zetten, het onverzorgd achterlaten van een vrouw door een man die elders 'in concubinaat' leefde, of het pesten van evacués door de hoofdbewoner van het huis waar zij onderdak hadden gekregen. In sommige gevallen verwees hij de verzoeker of klager door naar de bevoegde gemeentelijke instantie. Maar waar sprake was van schrijnned sociaal onrecht greep hij direct met kracht
in.(16)
'Deze man blijkt daadwerkelijk een smet te zijn op het blazoen van een behoorlijk politiecorps, zoodat hij wordt overgeplaatst zoover mogelijk van Tilburg, terwijl zijn salaris aan zijn gezin zal worden
doorbetaald.'(17)
'... aan welke brief natuurlijk niet de minste aandacht dient te worden besteed. [...] erbij gezegd, dat ik in geen geval politie-medewerking zou verlenen bij het uitzetten van dit
gezin.'(18)
'Ik heb op de achterzijde van het deurwaardelijk schrijven [...] geschreven, dat ik er niet over denk in dit geval een opzegging van de huur te erkennen en er in geen geval toe meewerken zou, dat politieassistentie zou worden
verleend.'(19)
Individuele acties
Hondius kreeg in brede Tilburgse kring bekendheid door het incident op het Lijnsheike. Toen hij in de namiddag van woensdag 6 september in Tilburg aankwam, vergezeld van zijn Nijmeegse collega Klarenbeek, deelde Janssens hem mee dat op het Lijnsheike een lid van de Grüne Polizei tijdens een persoonsbewijscontrole was neergeschoten en dat de Duitsers op het punt stonden ongeveer twintig gegijzelde burgers als represaille te fusilleren. Hij belde de Ortskommandant op, waar de gegijzelden zich op dat moment bevonden, en begaf zich naar de commandant van de 'Grüne Polizei', majoor Furch. Hij wist hem te overreden de fusillering af te gelasten en de gijzelaars in vrijheid te stellen. Ook zou hij bewerkt hebben dat afgezien werd van het opblazen van de woningen op het Lijnsheike. Maar 's avonds, om ongeveer acht uur, werd hij door Furch opgeroepen. Deze deelde hem mee dat hij drie vooraanstaande Tilburgers had laten gijzelen. Hij zou hen de volgende dag om drie uur laten executeren, wanneer de dader zich vóór die tijd niet gemeld had, of er geen gegevens zouden zijn binnengekomen die zouden leiden tot zijn arrestatie. De gegijzelden waren H. Bijvoet (handelsagent), R. van Doorn (architect) en F. van Buchem (geneesheer-directeur). Hondius schreef een
'Ernstig beroep op [de] Tilburgsche bevolking' en richtte zich via de plaatselijke radiodistributiecentrale rechtstreeks tot de bevolking met het verzoek om alles in het werk te stellen, opdat de dader vóór drie uur kon worden opgepakt. De oproep werd ieder uur herhaald en ook verspreid door een geluidswagen van de gemeentepolitie. Toen hij meer gegevens had over de vermoedelijke dader (welke informatie is niet duidelijk), stelde hij zich weer in verbinding met Furch en wist te bereiken, dat de executie werd uitgesteld met 24 uur. Uiteindelijk slaagde hij erin hem te bewegen de gijzelaars in vrijheid te stellen. Furch liet de drie gijzelaars bij zich roepen en zei, wijzend op Hondius en Van Loon, voorzitter van de Nederlandsch-Duitsche Kultuurkamer:
'U heeft het aan deze heeren te danken dat U heen kunt gaan.'(20) Aan de verdiensten van Hondius in deze zaak wordt door geen enkele informant (w.o. de Tilburgse getuigen in het na-oorlogse proces tegen Hondius)
getwijfeld.(21)

Rapportage van Hondius aan Selmer, Beauftragte in Noord-Brabant, over zijn eerste
bevindingen in Tilburg, 2 augustus 1944. (coll. RHC Tilburg).
Intussen was de laatste fase voor de bevrijding van de stad begonnen. De geallieerde legers stonden op enkele tientallen kilometers afstand van de stad. Kort na Dolle Dinsdag dreigde de voedselvoorziening vast te lopen. Hondius stelde zich in verbinding met Vrij, hoofdingenieur van Unielever in Rotterdam. Deze beloofde hem 30 ton margarine en vet. Hij begaf zich daarop naar Rotterdam en bracht onder
'zeer gevaarvolle omstandigheden' (aldus Janssens) de voorraad naar Tilburg. Nog vertelt hij met smaak over de moeilijkheden die het transport ondervond bij het passeren van de Moerdijkbrug.
'Ik mocht er niet door. Die korporaal zegt: "Wie is hier de baas?" Nou die heb ik een sigaar gegeven. Ik moet hier door. Ik kom van Rotterdam, ik ben die en die en de Rijkscommissaris vindt het
goed.'(22)
Op 13 september constateerde hij dat de kolenpositie zo slecht was, dat hij de bedrijven opdracht gaf om de produktie te staken. Een deel van de industriële kolenvoorraad moest overgeheveld worden naar de Gasfabriek en het Elektriciteitsbedrijf. De fabrikanten kregen de waarschuwing om tussentijds geen kolen te ontvreemden. De arbeiders die door de stopzetting werkloos werden, zouden worden tewerkgesteld bij het opruimen van de bruggen die door de Duitsers waren opgeblazen. Dit in verband met een zo snel mogelijk herstel van de aanvoer van grondstoffen, wanneer de situatie weer genormaliseerd zou zijn. Verder zouden zij ingezet worden bij het transporteren van de vrijgekomen kolen en het kappen en zagen van hout, nodig voor de
huisbrandvoorziening.(23)
Concluderend kan men zeggen dat de rol die Hondius vervulde van preventieve aard was. Daarbij liet hij de bestaande bestuurlijke organisatie intact en intervenieerde niet op de terreinen van de wethouders.
'Je wordt er als volkomen vreemde vent heen gestuurd [...] Nou, wat moet je dan gaan doen? In zo'n plaats een regiem oprichten van lieden die je niet kent? Dat is toch
waanzin.'(24)

De Nieuwe Tilburgsche Courant van 5 augustus
1944. (coll. RHC
Tilburg).
Geen politieke bevoorrechting
Het beeld, dat men van een leidinggevend NSB-functionaris had, was ongeveer als volgt: hij omringt zich met partijgenoten in ondergeschikte functies, vestigt een NSB-regiem en maakt de belangen van de stad ondergeschikt aan die van de NSB en de bezetter. Aan dit beeld beantwoordde Hondius op geen enkele manier. Hij achtte politieke overtuiging een persoonlijke aangelegenheid (zoals wij nog zullen zien). Wat telde was bekwaamheid.
Met de Tilburgse NSB als organisatie onderhield hij geen contacten. Wel had hij contact met enkele lokale NSB'ers, omdat hij hen geschikte mensen
vond.(25) Toen er een vacature kwam voor de functie van chef Onderwijs en Personeelszaken, ging hij onmiddellijk akkoord met het voorstel van Janssens om H. de Leeuw, een niet-NSB'er, te
benoemen.(26) Twee NSB'ers die solliciteerden naar een bestuurlijke of ambtelijke functie, kregen als antwoord dat hij geen mensen aantrok, omdat hij zijn opvolger daardoor niet in de problemen wilde
brengen.(27)
Ook begunstigde hij geen NSB'ers door toewijzingen. Een 'persoonlijk en streng vertrouwelijk' verzoek van de kringleider om hem, om gezondheidsredenen, een andere woonruimte te geven, werd afgewimpeld met de opmerking dat hij geen vorderingsbevoegdheid had. De kringleider moest zich maar wenden tot de Duitse
instanties.(28)
Hetzelfde gold ook voor Rijksduitsers. De leider van de Technische Noodhulp in Tilburg klaagde dat hij opgescheept zat met twee Rijksduitsers die leidende functies hadden, maar
'waardeloos' en 'niet bekwaam' waren. Hij was ze daarom liever kwijt dan rijk. Hondius hield ruggespraak met majoor Beck, de landelijke leider van de Technische Noodhulp, en adviseerde daarna om naar eigen inzicht te handelen. Anders gezegd: vindt u ze niet geschikt, verwijder ze
dan.(29) Dat hij een tegemoetkomende houding aan de dag legde ten opzichte van de eisen van de bezetter, is ook niet aanwijsbaar. Toen de Duitse Weermacht arbeidskrachten eiste voor tewerkstelling op het vliegveld Gilze-Rijen, en Janssens (als wethouder van Publieke Werken) en Bouwmeester (als chef van de Afdeling Registratuur) weigerden om hieraan mee te werken, drong hij verder niet aan en nam hij ook geen ambtelijke
tegenmaatregelen.(30)
Hondius over van de Mortel
Nadat Janssens hem verteld had dat Van de Mortel gegijzeld was, beloofde hij dat hij zich zou inspannen om hem vrij te krijgen. Ook wilde hij een bezoek brengen aan mevrouw Van de Mortel. Janssens raadde hem dat laatste, om tactische redenen, af. Mevrouw Van de Mortel zou hem zeker niet willen ontvangen. En dat advies nam hij ter
harte.(31) Voor het Tribunaal verklaarde hij dat Van de Mortel door zijn voorspraak bij de Duitse autoriteiten in vrijheid was gesteld. In een later stadium gaf hij toe dat dit laatste inderdaad niet aantoonbaar
was.(32) En het is ook niet juist. Van de Mortel werd na zijn arrestatie overgebracht naar het gijzelaarskamp in St. Michielsgestel. Kort na Dolle Dinsdag werden de gijzelaars overgebracht naar het (inmiddels ontruimde) concentratiekamap Vught, waarna zij op 12 september in vrijheid werden
gesteld.(33)

Schrijven van Hondius aan de hoofden van diensten van de gemeente Tilburg, met richtlijnen
hoe te handelen bij luchtalarm, 12 augustus 1944.
(coll. RHC Tilburg).
Hondius zag Van de Mortel als een man met een passieve houding. Hij vond overigens alle burgemeesters van het
'Ancien Régime' passief. Dat was geen veroordeling; het was het vaststellen van een begrijpelijk feit. Zij waren niet ingespeeld op de uitdaging die uitging van de bezettingssituatie en konden zich daarom ook niet agressief
opstellen.(34) Eind juli 1944 werd de hulpkeurmeester van het slachthuis, Groot, door de Arbeits-Kontrolldienst van zijn bed gelicht. Hondius schreef onmiddellijk een felle brief naar deze dienst. Van een burgemeester die aangesteld was door de Rijkscommissaris mocht men niet verwachten dat hij zoiets liet passeren. Bij een passieve burgemeester was het begrijpelijk dat men buiten hem om ingreep. Maar in dit geval had men eerst overleg moeten plegen met hem. Hij eiste onmiddellijke invrijheidstelling van Groot. En de Arbeits-Kontrolldienst ging door de knieën. Groot werd vrijgelaten. Er zouden geen ambtenaren meer worden gearresteerd en als er sprake was van voornemens om te arresteren, dan zou dat gebeuren na overleg met de
burgemeester.(35) Hondius' systeem was eenvouding. De bezetter bestaat niet. Wat bestaan zijn diverse hiërarchisch geordende personen en organisaties. Beroep je op het gezag van de hoogste instantie of functionaris (die het verst weg zit) en hou daarmee lagere uitvoerende instanties in toom.
Hondius: een profielschets
Hondius vroeg eens aan Janssens wat hij met hem zou doen wanneer de Geallieerden plotseling Tilburg zouden bezetten. Janssens antwoordde:
'Dan arresteer ik U onmiddellijk en zet U in een kamer en niet in een cel'.(36)
Proeft u de waardering? Er zit iets paradoxaals in de beleving van degenen die hem hebben leren kennen tijdens de bezetting. Hij was lid van de NSB, maar beantwoordde niet aan het stereotype beeld dat men van een NSB'er
had.(37) Om met Janssens te spreken: 'Uiteraard stonden de wethouders van Tilburg wat wantrouwend tegenover den N.S.B.er Hondius en wij hebben ons dikwijls afgevraagd, "hoe hebben wij het nu eigenlijk met hem?", daar zijn gedragingen dit wantrouwen nimmer hebben
gemotiveerd'.(38)
Hij wordt door de mensen die met hem hebben samengewerkt gekarakteriseerd als een amicale, charmante persoonlijkheid die daardoor, én door zijn inzichten domineerde. Maar tegelijkertijd was (en is) hij ontvankelijk voor argumenten van gesprekspartners, aangenomen dat dit redelijke argumenten waren (zijn). Hij gelooft in redelijk overleg. Hij is intelligent, in staat om in korte tijd gegevens op te nemen en om daarbinnen zo te selecteren dat een probleem overzichtelijk wordt, zodat het in de kern (althans wat hij ziet als kern) kan worden aangepakt. Daarmee hangt samen dat hij een doe-mens is. Een probleem is een
'matter of fact', dat 'industrieel', dat wil zeggen zo efficiënt mogelijk moet worden aangepakt. In die zin organiseerde hij in Nijmegen direct na het bombardement van 22 februari 1944 de hulpverlening. Hij leerde deze aanpak als stuurman bij de koopvaardij, als hoofdingenieur/directeur bij de machinefabriek HK Jonker en Zonen in Amsterdam en als algemeen bedrijfsdleider bij Fokker in Amsterdam. Daarmee parallel groeide zijn gevoel voor discipline. Nu nog reageert hij zeer emotioneel wanneer het gesprek komt op de muiterij op het oorlogsschip 'De Zeven Provinciën', in 1933. Die discipline werd gekoppeld aan redelijkheid. De leidinggevende moet zijn ondergeschikte medewerker duidelijk kunnen maken waarom hij een opdracht geeft en discipline eist. Er mag nooit sprake zijn van discipline om de discipline; dus geen kadaverdiscipline. Daarbij ontwikkelde hij een heel concreet sociaal verantwoordelijkheidsgevoel, dat zich richtte op degenen die aan zijn leiding waren toevertrouwd en zich manifesteerde in verzet tegen flagrante inbreuk op hun (sociale) positie. Door zijn reizen als koopvaardij-officier en zijn verblijf in Nederlands-Indië (hij werkte o.a. als boormeester bij de B.P.M. op Sumatra) werd hij een nationalist. In het programma van de NSB herkende hij zijn eigen opvattingen over discipline, maatschappij-ordening en nationalisme. Hij werd vanaf 1934 donateur van de Beweging en gaf zich in 1939 op als lid daarvan (alhoewel het lidmaatschap pas op 16 november 1940 geregistreerd werd als gevolg administratieve wanorde binnen de NSB). In feite maakte hij door zijn donateurschap en later lidmaatschap geen keuze in de eigenlijke zin. Althans zo voelt hij dat niet. Hij herkende in het NSB-programma wat hij in zichzelf herkende. Als zoveel zakenlieden en bedrijfsmensen had hij geen affiniteit voor ideologisch en politiek handelen. De politieke demonstraties van de NSB waren maar
'franje' en hij hield zich daarvan afzijdig. De ideologische of politieke signatuur van zijn medewerkers was een privé-aangelegenheid die in het overleg geen rol mocht spelen. Wat telde, was redelijkheid, zakelijkheid en bekwaamheid. Vandaar ook dat hij in februari 1944 los van ideologische overtuiging hulp vroeg en gaf, en pertinent weigerde de begrafenis van de slachtoffers te laten ontaarden in een politieke demonstratie van de NSB.

De Nieuwe Tilburgsche Courant van 7 september 1944.
(coll. RHC Tilburg).
Het probleem voor degenen die hem leerden kennen tijdens de bezetting was: hoe kan iemand die zo intelligent is, lid zijn en blijven van een beweging als de NSB. Hij zag hoe de NSB afgleed en uiteindelijk een willoos instrument van de bezetter werd. Hij protesteerde daar ook tegen. Niet in algemene termen, maar weer heel concreet, wanneer hij met dit afglijden binnen zijn werk geconfronteerd werd, m.n. bij Fokker en als wethouder van Nijmegen. Zijn ruzies met Mussert en Van Lokhorst vinden daarin hun basis. De toenemende discrepantie tussen enerzijds het handelen van de NSB'ers en anderzijds de
'theoretische mérites' van het programma was voor hem geen argument om de Beweging vaarwel te zeggen. Gedeeltelijk kwam dit voort uit zijn rechtlijnig denken: eenmaal gekozen, blijft gekozen. Gedeeltelijk werd (naar eigen zeggen) zijn aanblijven als lid ingegeven door de gedachte dat de kleine groep van intellectuele NSB'ers, waartoe hij zichzelf rekende, een matigende invloed kon uitoefenen binnen de Beweging. Gedeeltelijk zag hij de NSB, in de uitzonderingstoestand van de bezetting, als het enige institutionele kader waarbinnen nog iets gedaan kon worden in het algemeen belang (te onderscheiden van de vraag wat de NSB als institutie gedaan heeft voor het algemeen belang). Daarbij had (en heeft) hij de overtuiging dat hij als privé-persoon of als functionaris zich nooit schuldig heeft gemaakt aan strafbaar gedrag.

Anoniem schrijven, gericht aan Hondius naar aanleiding van de kwestie
Lijnsheike. (coll. RHC Tilburg).
Blijft nog de vraag naar zijn houding tegenover de bezetter. Als ingenieur bij de firma Jonker verbleef Hondius vóór de Duitse inval dikwijls in Duitsland. Hij sprak vloeiend Duits en wist hoe hij op zakelijk niveau met Duitsers kon omgaan. Het Nationaal-Socialisme interesseerde hem niet en hij zag alleen de oppervlakkige kanten daarvan. De Duitse inval ervoer hij, als nationalist, als een inbreuk op de zelfstandigheid, maar, als pragmaticus, tegelijk als een vaststaan feit. Men had de keuze tussen
'attentisme', een kat-uit-de-boom-kijken, waarbij men geen risico's nam, of een actieve houding als 'Hollandse NSB'er'. Hij merkte dat hij door zijn persoonlijke karaktertrekken, zijn opleiding (academicus), ervaring en leeftijd (hij was ouder dan de gemiddelde Duitse autoriteit) invloed had en dat er naar hem geluisterd werd. Hij karakteriseert de gemiddelde Duitse autoriteit uit de bezettingstijd (uitgezonderd dan de
'politiekelingen') als redelijk en vatbaar voor redelijke (tegen)argumenten. Het typische was, dat hij juist door zijn dominant gedrag bij de Duitsers een krediet had
('Der Kerl hat Mut'), wat hij weer aanwendde om ongelimiteerd gedrag te bestrijden. Men leze er het artikel van P. van Iddekinge,
'Leidersbeginsel in de praktijk' op na, waarin met name gesproken wordt over zijn interventies in Nijmegen en het kamp Rees (om enkele voorbeelden te noemen) ten gunste van de bevolking. In zijn voorstelling werkte hij met a-politieke mensen in een zakelijk (a-politieke) situatie. Daardoor isoleerde hij de mens van zijn politieke achtergrond. Daardoor zag hij pas achteraf het structureel inhumane karakter van een ideologie als het Nationaal-Socialisme en de invloed die ervan uitging op de aanhangers daarvan. Let wel: hij zag heel duidelijk inhumaan gedrag en ageerde daar ook tegen. Door die scheiding kon hij tot het einde van de bezetting in functie blijven. Naar zijn opvatting had hij nergens een politieke keuze gedaan. Omgekeerd moet ook gesteld worden dat hij door zijn a-politieke opstelling ontegenzeggelijk veel gedaan kon krijgen bij de bezetter. De tragiek voor hem was, dat hij na de bezetting niet alleen beoordeeld werd op zijn daden, maar ook op de politieke signatuur (of de verwording daarvan) van de Beweging, waarvan hij lid was geweest. Daarbij werd hij beoordeeld door gelegenheidsrechters die, naar zijn mening, onmogelijk konden oordelen over iemand die de verantwoordelijkheid had gehad voor honderdduizenden mensen.

Schrijven van Hondius aan de Kamer van Koophandel en Fabrieken, waarin hij de vordering van
kolen aankondigt, 13 september 1944. (coll. RHC Tilburg).
Bronnen
Gemeentearchief Tilburg
Archief van de Gemeentesecretarie, 1937 - 1984.
1.865.28 Verrichten van persoonlijke diensten voor hulp bij militaire werkzaamheden. Doos 328, dossier 5.
2.07.531 Ir. H. Hondius. Waarnemend burgemeester van Tilburg van 18 juli 1944 tot 12 september 1944. Doos 244, dossier 4.
Collectie memoires en dagboeken 1940-1945.
Nr. 07 P. van Beek, Bevrijdingsdagboek.
Nr. 08 J.B.M. Kerstiëns, Oorlogsdagboek, september 1944-mei 1945.
Nr. 09 W. Kruyssen, dagboek, 1.6.1944-4.5.1945.
Nr. 10 Frater Radbodus van de Maas, Bevrijding Tilburg, 2.9.1944- 29.10.1944.
Nr. 14 Frater Willibald, oorlogsdagboek, 10.5.1940-28.10.1945.
Collectie Dagbladen.
Nieuwe Tilburgsche Courant, 1944.
Collectie geluidsbanden,
Interview Hondius, 5 september 1991
Interview Hondius, 24 juni 1992
Vragen en antwoorden zijn uitgetypt. In de noten zal verwezen worden naar zowel band-/kantnummer, als naar de pagina van de uitgetypte tekst.
Archief Hondius
Inventarisnummers 16-24 'Getuigendossiers'. Correspondentie, verklaringen, en verslagen van het verhoor van getuigen. Afschriften. 1945-1947.
Inventarisnummer 37 'Aanval op de ongerechtigheden en dwalingen in 1946'. Handgeschreven verweerschrift van H.Hondius. 1 cahier.
Inventarisnummer 41 'Uitspraak van het Tribunaal voor het Arrondissement Arnhem, 1e kamer te
Nijmegen'. Authentiek afschrift, 24 februari 1947.
Literatuur
Brinkhuis, Alphons, De fatale aanval, 22 februari 1944. De waarheid over de mysterieuze Amerikaanse bombardementen op Nijmegen, Arnhem, Enschede en Deventer (Weesp, 1984).
Iddekinge, P.R.A van, ' Leidersbeginsel in praktijk. Provinciaal bestuur van Gelderland, september 1944 - mei 1945'
in: Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre, deel LXXVI, 1985 (Arnhem, 1985). p.118-1152.
Janse, Frans, Tilburg 1940-1945. Jaren van verduistering (Tilburg, 1984).
Uyen, A.F., ' De hulpverlening na het bombardement van Nijmegen op 22 februari 1944'
, in: Numaga, jrg. XXXI, nr. 3, september 1984, p. 62-78.
Noten
(1) |
Brinkhuis, 107; Van Iddekinge, 122; Arch. Hondius, inv. nr. 41, Uitspraak, 9-11, 21, 22. |
(2) |
Brinkhuis, 107-113; Van Iddekinge, 122; Uyen, 52-78. |
(3) |
Secr. Arch., doss. 244/4, maandrapport 17 juli 1944; Arch. Hondius, inv. nr. 41, Uitspraak, 9, 23, 24. |
(4) |
Arch. Hondius, inv.nr. 18, 'Getuigendossiers', getuigenver hoor L. Janssens, 16 januari 1947; idem, inv. nr. 19, getuigenverhoor H. de Leeuw, 16 januari 1947; interview Hondius, 5 september 1991, 4 (band 1/kant 1.) |
(5) |
Secr. Arch., doss. 244/4, maandrapport, 24 juli 1944; idem, brief aan Beauftragte van 2 augustus 1944. |
(6) |
Secr. Arch., doss. 244/4, maandrapport 20 juli 1944; idem, bijlage bij gesprekken van 20 juli 1944; idem, brief aan Beauftragte van 2 augustus 1944. |
(7) |
Interview Hondius, 5 september 1991, 6 (band 1/kant 1); Secr. Arch., doss. 244/4, brief aan Beauftragte van 2 augustus 1944. |
(8) |
Secr. Arch., doss. 244/4, maandrapport, 24, 25 en 27 juli 1944. |
(9) |
Secr. Arch., doss. 328/5, diverse brieven. |
(10) |
Secr. Arch., doss. 244/4, maandrapport, 26 juli 1944. |
(11) |
Idem, bijlage maandrapport bij 27 juli 1944 en notitie 'kermis'. |
(12) |
N.T.C., 5 augustus 1944. |
(13) |
Secr. Arch., doss. 244/4, rondschrijven van 12 augustus 1944. |
(14) |
Idem, maandrapport, 19 augustus 1944; idem, brief aan Poort van 18 augustus 1944 (Hs 6008). |
(15) |
Idem, maandrapport, 4 augustus en 21 augustus 1944. |
(16) |
Idem, maandrapport, 31 juli, 3, 4, 11, 12, 16, 18 en 25 augustus 1944; idem, brief van 31 augustus aan Zusters van het Wilhelminapark. |
(17) |
Idem, maandrapport, 3 augustus 1944. |
(18) |
Idem, maandrapport, 4 augustus 1944. |
(19) |
Idem, maandrapport, 11 augustus 1944. |
(20) |
Arch. Hondius, inv.nr. 18, 'Getuigendossiers', getuigenverhoor L. Janssens, 16 januari 1947. |
(21) |
Arch. Hondius, inv.nr. 16, 'Getuigendossiers', schrijven F.S.P. van Buchem aan mr. M. de Kort van 30 juli 1945; idem, getuigen verhoor G. Buurman, 16 januari 1947; idem, inv.nr. 17, schrijven C. Dijkman aan mr. De Mul van 20 november 1946; idem, inv.nr. 17, getuigenverhoor R. van Doorn, 16 januari 1947; idem, inv.nr. 18, getuigenverhoor L. Janssens, 17 januari 1947; Arch. Hondius, inv. nr. 41, Uitspraak 4, 7, 20, 21, 32-35; zie ook dagboeken zoals vermeld in bronnenlijst op 7, 8 en 9 september 1944; zie ook interview Hondius, 5 september 1991, 6-8 (band 1/kant 1 en 2). |
(22) |
Interview Hondius, 5 september 1991, 4, 5 (band 1/kant 1), 19 (band 2/kant 1). |
(23) |
Secr. Arch., doss. 244/4, brief aan Kamer van Koophandel en Fabrieken in Tilburg van 13 september 1944 (Hs 6610). |
(24) |
Interview Hondius, 24 juli 1992, 20 (band 2/kant 2). |
(25) |
Interview Hondius, 5 september 1991, 12-14 (band 1/kant 2). |
(26) |
Arch. Hondius, inv.nr. 18, 'Getuigendossiers', getuigenverhoor L. Janssens, 3 augustus 1946. |
(27) |
Secr. Arch., doss. 244/4, sollicitatiebrieven van 31 juli en 28 augustus 1944 en antwoorden van 3 augustus en 30 augustus 1944. |
(28) |
Idem, brief van 5 augustus 1944 en antwoord van 11 augustus 1944. |
(29) |
Idem, maandrapport, 2 augustus 1944; idem, schrijven aan Leider Technische Noodhulp van 11 augustus 1944. |
(30) |
Arch. Hondius, inv.nr. 16, 'Getuigendossiers', getuigenverhoor J. Bouwmeester, 16 januari 1947; idem, getuigenverhoor L. Janssens, 3 augustus 1946. |
(31) |
Idem, inv.nr. 18, getuigenverhoor L. Janssens, 16 januari 1947. |
(32) |
Arch. Hondius, inv. nr. 41, Uitspraak, 4, 7. |
(33) |
Arch. Hondius, inv.nr. 19, 'Getuigendossiers', getuigenverhoor mr. J. van de Mortel, 16 januari 1947. |
(34) |
Secr. Arch., doss. 244/4, maandrapport, 16 juli 1944; interview Hondius, 24 juni 1992, 20 (band 2/kant 2); zie ook Van Iddekinge, 134, 135. |
(35) |
Secr. Arch., doss. 328/5, schrijven aan directeur Slachthuis van 3 augustus 1944 (no. 5696), schrijven aan Kommandeur Arbeits-Kontrolldienst van 3 augustus 1944 en van Arbeits-Kontrolldienst van 16 augustus 1944. |
(36) |
Deze profielschets is gebaseerd op gesprekken die schrijver en G. Kobes, archivist bij het Gemeentearchief Tilburg, met ir. Hondius gevoerd hebben, op verklaringen van Hondius en getuigen voor het tribunaal, literatuurbeschrijvingen en Hondius' verweerschrift 'Aanval op de ongerechtigheden en dwalingen in 1946'. |
(37) |
Arch. Hondius, inv.nr. 18 'Getuigendossiers', getuigenverhoor L. Janssens, 16 januari 1947. |
(38) |
Arch. Hondius, Uitspraak, 40. |
Drs. Ad de Beer (1935) was leraar Geschiedenis aan de Hogeschool Katholieke Leergangen. Hij publiceerde o.a. leerboeken, het boekje 'Gewone mensen. Vijf verhalen over Tilburgers in de Tweede Wereldoorlog' (1989) en artikelen in 'De Lindeboom' (Tilburg, 1984). In 1994 schreef hij ´Zo maar een stad. Tilburg 1940-1945´ in de Tilburgse Historische Reeks, deel 3, waarin hoofdstuk 7 over Hondius gaat.




