| 280. Hoe 'goed' was de sterke arm in Noord-Brabant en in Tilburg tijdens de bezetting ? | |||
|
Titel: |
Hoe 'goed' was de sterke arm in Noord-Brabant en in Tilburg |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
|
|
Jaargang: |
XVII (1999) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
2 |
|
Pagina’ s: |
48-51 |
Op 26 februari 1999 promoveerde D.M. de Jaeger op het proefschrift 'De houding van de Nederlandse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog in de grote steden van
Noord-Brabant'. Een impressie.
In de ban van 'goed' en 'fout'
Ons verhaal begint met de uitspraak van de zojuist genoemde Rijkscommissaris dr. Arthur Seyss-Inquart op 29 mei 1940 in de Ridderzaal in Den Haag dat de bezetter van plan was
'het tot dusver geldende Nederlandse recht in werking te laten; tot uitoefening van het bestuur de Nederlandse autoriteiten erbij te betrekken en de onafhankelijkheid van de rechtspraak te garanderen'.
Deze uitspraak, die suggereerde dat de bezetter de soevereiniteit in eigen Nederlandse kring zou respecteren, werd toentertijd over het algemeen positief ontvangen. Zij sloot ook aan bij de
'Aanwijzingen' van 1937, opgesteld door de in mei 1940 naar Engeland uitgeweken regering, waarin overheidsambtenaren werden geïnstrueerd op hun post te blijven en te fungeren als buffer tussen de aanspraken van de bezetter en de belangen van het volk. In het begin van de bezettingstijd was neutrale collaboratie met de bezetter regel. Naarmate de jaren vorderden en het steeds meer duidelijk werd dat de bezetter niet genegen was om zich te storen aan het geldende Nederlandse recht en de Nederlandse belangen, kreeg collaboratie de negatieve gevoelslading van
'fout' en werd (illegaal) verzet geïdentificeerd met iets wat gevoelsmatig
'goed' was.
En zo kwamen we terecht in, wat professor J.C. Blom in 1983 noemde, de ban van 'goed' en
'fout'. En hier ligt een conflict. Aan de ene kant wordt van de historicus verwacht dat hij oordelen en zeker veroordelingen terughoudt (ook al is dat nooit 100% mogelijk), aan de andere kant ontkomt de historicus die zich beweegt op het terrein van de geschiedenis van de bezetting, er niet aan om oordelen te geven. Zijn onderwerpen zijn nog zo actueel, nog zo onverwerkt, dat hij, evenals zijn lezers, als het ware nog gevangen zit binnen het emotionele patroon van
'goed' en 'fout'. 'Goed' was het (illegale) verzet, 'fout' was het nationaal-socialisme en de bezetter. Daarover zijn we het wel eens. Maar dan houdt alle overeenstemming op. Alle antwoorden op de vraag of een organisatie of personen, of personen binnen een organisatie
'goed' of 'fout' waren (we praten nu even niet over gradaties tussen
'goed' en 'fout') zijn een onderwerp van discussie, samenhangend met onze ethische inzichten en onze bewuste of onbewuste partijkeuze.
Daarom is het nog steeds een heikele zaak om een onderwerp uit de bezettingstijd te bestuderen en daarover te publiceren, omdat de onderzoeker onmiddellijk ook het terrein van de emotionele goed-foutproblematiek betreedt. Binnen de wetenschappelijke wereld, want daar had Blom het over, bestaat nog steeds de gelegenheid om op wat afstandelijke wijze over deze problematiek te discussiëren en genuanceerde oordelen te geven. Daarbuiten wordt de onderzoeker dikwijls geconfronteerd met vastzittende ongenuanceerde oordelen en beelden die zich niet laten beïnvloeden door onderzoek en genuanceerd denken. Of zoals iemand in volle overtuiging mij eens verklaarde:
'Een NSB´-er is zonder meer fout.' En het is de vraag of deze emotionele houding zal uitsterven met het uitsterven van de generatie die de oorlog bewust heeft meegemaakt. Ik betwijfel het, omdat generaties ook emotionele inzichten aan elkaar overdragen, en dat gebeurt niet via de weg van het verstand en op grond van verstandelijke argumenten.
Ongewild in de goed-foutdiscussie
Bijzonder heikel is het om een beeld te vormen, op basis van wetenschappelijk onderzoek, van
´De houding van de Nederlandse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog´, zoals
D.M. de Jaeger dat doet,
'in de grote steden van Noord-Brabant' (proefschrift, Tilburg 1999). De Nederlandse politie werd gezien als de handlanger van de bezetter bij de uitvoering van al diens spraakmakende maatregelen, zoals de
Arbeitseinsatz, deportatie van joden, bestrijding van het verzet en opsporing van onderduikers. De houding van de Nederlandse politie stond en staat midden in de
goed-foutproblematiek. Opmerkelijk is nu de houding van de schrijver. Hij ziet het als zijn doel om de gebeurtenissen waarbij de Brabantse politie betrokken was, zo uitvoerig mogelijk te
´registreren´ met waar mogelijk ook de omstandigheden waaronder gewerkt moest worden. Het gaat hem om het
´hoe´ en ´waarom´, niet om het beoordelen van dat optreden aan de hand van wat hij noemt een objectieve
´meetlat´ (zo het al mogelijk is om die te maken). Hij acht dit nu meer dan vijftig jaar na de bevrijding ook
´van weinig nut´, ook al duiken de begrippen ´goed´ en ´fout´ nog steeds op met betrekking tot de bezettingstijd, en ook al zal
´in enkele gevallen aan het uitspreken van een waardeoordeel niet ontkomen kunnen worden´, hetzij door expliciete uitspraken, hetzij door een bepaalde toonzetting. Nog vreemder wordt het wanneer de lezer merkt dat de onderzoeker in directe zin partij is. Hij heeft een politiecarrière achter de rug die begon tijdens de bezetting. Door zijn onderzoek wil hij een tegenwicht vormen tegen het emotionele ongenuanceerde beeld van een politie die al te bereidwillig de opdrachten van de bezetter uitvoerde. In het bijzonder is dit proefschrift een pleidooi voor het
´goede´ karakter van het optreden van de ´doorsneepolitieman´. Daarmee staat hij midden in de subjectieve en emotionele ( niet te verwarren met geëmotioneerde)
goed-foutdiscussie, maar ontvlucht hij tegelijkertijd de consequenties daarvan door ze te minimaliseren.
De speelruimte van de politie, aldus de schrijver, was bijzonder klein. Daardoor werd de rol die zij speelde
´door velen aangemerkt als collaboratie´. Kennelijk wordt het begrip ´collaboratie´ hier gebruikt in de negatieve, afkeurenswaardige betekenis van
handlanger-van-een-het-volksleven-bedreigende-vijand. Maar zo stelt hij de vraag: wordt daarmee geen afbreuk gedaan aan
een groot deel van de politiefunctionarissen, die tijdens de bezetting hebben geprobeerd
'te redden wat er te redden viel´? Nu komen we tot de kern van het betoog. De wijze waarop politiefunctionarissen hieraan vorm hebben gegeven, is de belangrijkste aanleiding van dit onderzoek. Redden wat er te redden was. Daar gaat het om. En wat blijkt dan? Er ontstond een kleine selecte groep van functionarissen die direct betrokken was bij allerlei vormen van georganiseerd verzet. Er was een selecte groep die onvoorwaardelijk hand- en spandiensten verrichtte voor de bezetter. Dat waren voornamelijk functionarissen die na het begin van de bezetting tot het politiecorps waren toegetreden. Dan was er de
'doorsneepolitieman' die een werkwijze ontwikkelde die erop gericht was om zoveel mogelijk lijdelijk verzet te plegen. 'Men zag niets, men hoorde niets en men deed niets'. Daarbij neemt schrijver het op voor de korpschefs die ervoor moesten zorgen dat uit de rapportage naar de bezetter toe moest blijken dat zij achter de maatregelen van de bezetters stonden. Maar in veel gevallen klopte het beeld dat zo opgeroepen werd niet met de werkelijke houding en intenties van de rapporteurs. Daarbij breekt hij ook een lans voor de zogenaamde
'Schalkhaarders' (het op Duitse leest geschoeide nieuwe politiepersoneel). De meeste
'Schalkhaarders' waren, in tegenstelling tot wat de volksopinie daarover zei, bepaald niet
'fout'. De eindconclusie is dan ook dat alles bij al het politieapparaat in de Brabantse steden 'niet (veel) beter maar ook niet (veel) slechter' was dan andere instellingen of beroepsgroepen. En dat is een compliment, want de politie heeft haar werk moeten doen
'onder aanzienlijk moeilijker omstandigheden'. Vandaar dus die nadruk op de omstandigheden waaronder gewerkt moest worden.
Registreren
Schrijver registreert inderdaad. Hij registreert wat zijn bronnen zeggen. Tegelijk registreert hij wat de door hem geraadpleegde literatuur zegt, inclusief de opvattingen van de door hem geraadpleegde schrijvers. Hij voegt daardoor aan het bestaande beeld weinig toe. Toegegeven, het probleem voor hem was dat er nog zo weinig op lokaal gebied is onderzocht, dat hij in dat opzicht pionierswerk moest verrichten. Het is dan ook niet te verwonderen dat de betekenis van de dissertatie meer ligt op de weergave, in de (vertellende) breedte dan in de (analyserende en evaluerende) diepte. Jammer is het dat hij zijn bronnen en literatuur niet in elkaar geschoven heeft en gezocht heeft naar lokale overeenkomsten en verschillen. De dissertatie maakt daardoor te veel de indruk van een opsomming. Maar wie geïnteresseerd is in regionale en lokale geschiedenis tijdens de bezetting (en niet alleen van de politie) vindt genoeg nieuwe en opmerkenswaardige informatie. Daarenboven kan de lezer een keuze maken in overeenstemming met zijn interesse. De dissertatie is verdeeld in drie zones: een
'chronologische zone', waarin vooral aandacht wordt besteed aan de (gevolgen van de) herstructurering van het politieapparaat en aan bijzondere (landelijk) ingrijpende gebeurtenissen, de doorwerking daarvan in Noord-Brabant en de houding van de politie daartegenover een
'algemeen thematische zone', waarin aan de orde komen specifieke problemen waarvoor de politie in Noord- Brabant gesteld werd; en een
'bijzonder thematische zone' waarin (facetten van) het politieoptreden in de grote steden van Noord-Brabant (Bergen op Zoom, Roosendaal en
Nispen, Breda, Tilburg, 's-Hertogenbosch, Eindhoven en Helmond) onder de loep worden genomen.
Machteloosheid
En dan wordt men toch wel nieuwsgierig naar wat er zoal geschreven is over het optreden en de houding van de politie in Tilburg. Dan stuiten we op drie thema's: de Tilburgse politie en de openbare-ordeproblemen in de jaren 1940 en 1941 (te herleiden tot de confrontatie met de WA en problemen met Duitse militairen), de in Tilburg gelegerde Politie Compagnie Eindhoven
(PCE) (1943/1944) en het optreden van majoor Boersma (1942/1944).
Aan het begin van de bezetting staat, en dat geldt niet alleen voor Tilburg, maar ook voor Bergen op Zoom, Breda, 's-Hertogenbosch en Eindhoven, het probleem van de ordeverstoring door de Weerafdeling (WA) van de NSB, gelijkoplopend met de strijd om de gunst van het volk (door NSB, de Nederlandse Unie en in mindere mate het Zwart Front en de
NSNAP), in verband met het streven van de bezetter naar een het nationaal - socialisme welgezinde massabeweging. De WA als militante tak van de NSB identificeerde dat met de straat veroveren door provocerend op te treden tegen al degenen die de WA niet welgezind waren en tegen de politie die belast werd met de handhaving van de orde. Een
'ondankbaar' werk, omdat de bezetter niet onverdeeld de zijde van de politie koos en de militante WA de verboden om marsen te houden en provocerend op te treden aan de laars lapte. Het beeld dat geschetst wordt, is niet dat van een politie die toekeek, maar van een politiecommissaris die zich in het defensief gedrongen voelde en achter de feiten aanliep. Het initiatief lag steeds bij de WA. Die voelde dat zij het getij mee had.

De Tilburgse politie in de oorlogsjaren bij de begrafenis van een collega. Rechts is aan het hek van het
kerkhof aan de Bredaseweg een bord bevestigd met de tekst ‘Der Deutsche…[rest onleesbaar]’
(coll.
RHC Tilburg).
De machteloosheid van de politie was ook duidelijk wanneer zij betrokken werd bij incidenten tussen Tilburgers en Duitse militairen. Deze accepteerden niet het gezag van de Nederlandse politie, en de politie kon hooguit een rapport opmaken en de hulp van de Ordnungspolizei inroepen.
Verzetsgeest of ondisciplinair gedrag ?
Het tweede thema, de Politie Compagnie Eindhoven (PCE), is een verhaal waarin Tilburg slechts zijdelings een rol speelde. De compagnie was van juli 1943 tot midden augustus 1944 gelegerd in de Willem II kazerne in Tilburg en stond onder toezicht van de Tilburgse korpschef, majoor
Boersma. Hier stuiten we op de conclusie van schrijver dat
'Schalkhaarders', in tegenstelling tot wat de publieke mening ervan zegt, bepaald niet
'fout' waren. Ook al werd van hen gevraagd een bereidheid om mee te werken aan de Nieuwe Orde en loyaal te zijn ten opzichte van de bezettende macht, moet, aldus schrijver, geconstateerd worden dat slechts een klein deel van de leden van de compagnie lid was van nationaal - socialistische organisaties of dienst had gedaan in Duitse militaire organisaties. Maar dat niet alleen. Regelmatig waren er binnen de compagnie personeelsproblemen. Leden ervan gingen op verlof en doken onder. In augustus 1943 weigerde een onderwachtmeester de Germaanse groet te brengen. Bij het lossen van wapens in november 1943 werden revolvers, munitie en wapenstokken ontvreemd om die door te spelen naar de illegaliteit. De vijf daarbij betrokken politiefunctionarissen werden overgebracht naar een concentratiekamp in Duitsland. Twee onderwachtmeesters maakten zich schuldig aan afpersing. Op 15 augustus 1944 werd de compagnie als
'strafmaatregel (…) in verband met de gedragingen van de compagnie' naar Amsterdam overgeplaatst. In Amsterdam werd de compagnie ondergebracht bij het politiebataljon Amsterdam. Ook toen (het was intussen
'Dolle Dinsdag') doken een aantal leden van de PCE en het bataljon onder en werd een wagen met materiaal, waaronder wapens, van het bataljon achtergelaten. Op 11 september 1944 greep de Grüne Polizei in. Het personeel mocht kiezen voor aansluiting bij de Duitse politie of de Landwacht of voor tewerkstelling in het kader van de
Arbeitseinsatz. Al bij het vertrek uit Tilburg werden dertig mensen apart gehouden en met vijf andere in Nijmegen gedetacheerde leden van de compagnie overgebracht naar Duitsland. Vijfendertig leden van de voormalige PCE die in Amsterdam weigerden zich aan te sluiten bij de Duitse politie (voor aansluiting bij de Landwacht had niemand belangstelling), werden overgebracht naar het kamp
Neuengamme. Slechts vier van hen overleefden dit kamp. Het typische is dat schrijver zich hier onthoudt van een waardeoordeel en zich beperkt tot de opmerking dat de Politie Compagnie wel
'een bijzondere prijs' moest betalen. De vraag is alleen waarvoor. Voor verzetsdaden? of voor ondisciplinair gedrag ? Ondisciplinair gedrag maakte iemand niet automatisch tot
'goed', maar kon wel leiden tot opsluiting in een concentratiekamp.
Notoir 'fout'?
Het laatste thema is de rol van de majoor-korpscommandant Hendrik Boersma. Aan de hand van zijn dagorders wordt nagegaan hoe hij zich opstelde ten opzichte van diverse kwesties. Daaruit komt naar voren dat hij het politiekorps min of meer zag als een militaire eenheid en zich verzette tegen de sfeer van laksheid die er naar zijn mening kennelijk bestond, met name op het gebied van controle van het verkeer en de vervulling van nachtelijke diensten. Boersma wordt door schrijver ook gekarakteriseerd als de volbloed nationaal-socialist die geen mededogen kende als het ging om het arresteren van joden. Maar daar stuit hij op wat hij noemt
'onverklaarbaar gedrag'. Boersma zou namelijk kort voor de eerste grootscheepse deportatie van Tilburgse joden, eind augustus 1942, de oproepingskaarten een dag te vroeg hebben laten bezorgen door adjudant
Neve, die gekarakteriseerd werd als
'goed', bij de betrokken joden, waardoor zij de kans kregen nog onder te duiken. En nu probeert schrijver door indirecte bewijzen aan te tonen (voor zichzelf ?) dat dit
'op geen enkele wijze in te passen [is] in zijn normale
gedragspatroon'. Schrijver gaat ervan uit dat een nationaal-socialist zo iets eenvoudig niet kan doen. Maar hij deed het kennelijk wel, althans de procureur-generaal gebruikte dit argument voor de Raad van Cassatie om in plaats van de doodstraf een gevangenisstraf te eisen van vijftien jaar met aftrek van voorarrest. Nu is geen enkel gedrag onverklaarbaar, hoe vreemd dat gedrag ook lijkt. Kan het zijn dat de nationaal-socialist Boersma door zijn nationaal-socialistische retoriek de indruk wilde wekken tegenover zijn nationaal-socialistische superieuren dat hij de juiste man was op de juiste plaats, maar dat de mens Boersma in conflict kwam met de nationaal-socialist toen het op hetzelfde moment om het lot van 124 mensen ging? Ik weet het niet. Het is maar een suggestie ter overweging. Wel weten we uit Boersma's correspondentie dat hij niet gelukkig was met het optreden van zijn ondergeschikte Piet Gerrits en dat hij zich van hem wilde ontdoen, zij het wel in een laat stadium.
Hoe 'goed' was nu de sterke arm in Tilburg ?
Boersma, Gerrits en Burger zijn de drie politiefunctionarissen in Tilburg geweest die de 'speelruimte' voor de niet-nationaal-socialistische politiefunctionarissen
'bijzonder klein maakte'. Die speelruimte werd nog verder verkleind door de aanwezigheid van de
Ordnungspolizei. En het uitvoerend personeel ondervond ook weinig steun van de lagere
politie-officieren.
Hoe 'goed' was de sterke arm in Tilburg ? Op deze vraag krijgen we geen antwoord. Er was kennelijk een selecte groep van notoir
'fouten'. Er bestond kennelijk onder de topleiding een laag van lagere politie-officieren waarvan de houding op zijn minst gezegd twijfelachtig was. Maar hoe stond het dan met de subalterne functionarissen? Daar krijgen we eenvoudig geen beeld van. Zij kregen geen speelruimte en geen steun. Zij komen niet uit de verf. Of konden zij niet uit de verf komen ? Dat is tenminste de indruk die achterblijft na lezing.
D.M. de Jaeger, De houding van de Nederlandse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog in de grote
steden van Noord-Brabant (Tilburg, H. Gianotten BV, 1999), XXII, 446 blz. ISBN 90-6663-041-8, f 45.
* Drs. Ad de Beer, als historicus gespecialiseerd in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in Tilburg, publiceerde eerder in het tijdschrift
'Tilburg' (1992). Hij is de auteur van onder andere 'Gewone mensen. Vijf verhalen over Tilburgers in de Tweede Wereldoorlog' (1989) en
'Zo maar een stad. Tilburg 1940-1945' (1994).




