| 294. 'Zij is mij een voortdurende ergernis' | |||
|
Titel: |
'Zij is mij een voortdurende ergernis' |
|
Ondertitel: |
Het belangenconflict tussen vroedvrouw J.H. Ledel en de Tilburgse artsen (1905-1906) |
|
Auteur: |
Cor G.W.P. van der Heijden* |
|
Jaargang: |
XI (1993) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
1 |
|
Pagina’ s: |
14-21 |
De hulpverlening bij geboorten varieert per cultuur. In sommige samenlevingen brengt de vrouw haar kind alleen ter wereld, maar meestal verlenen andere personen bijstand. Vanouds hebben vooral vrouwen zich met het begeleiden van bevalllingen bezig gehouden. In West-Europa vond in de loop der tijd een overgang plaats van familie- en burenhulp naar een meer specialistische begeleiding. De assitentie van familieleden en buurvrouwen werd teruggebracht tot voorbereidende activiteiten en ondersteuning. In toenemende mate werd een beroep gedaan op de diensten van een oudere vrouw die door de gemeenschap als deskundige werd erkend en voor haar diensten een vergoeding kreeg. Deze vrouwen werden 'vroede' ofwel wijze vrouwen genoemd.
(1)
Uit vooral achttiende-eeuwse geschriften, van onder andere medici, komt een sterk negatief beeld van de vroedvrouw naar voren. Volgens hen waren vroedvrouwen onwetend, ongeoefend en hadden slechts via praktijkervaring verloskundige kennis verkregen. Ze zouden tevens amper kunnen lezen en schrijven, ze hadden nauwelijks iets geleerd, en waren niet in staat het theoretisch onderwijs te volgen.(2)
De kritiek van de mannelijke medici werd sterker naarmate zij zich meer op het terrein van de verloskunde gingen bewegen. Er ontstond een wettelijk onderscheid in bevoegdheid tussen mannelijke en vrouwelijke verloskundigen. In Nederland waren er in de eerste helft van de negentiende eeuw twee ter zake kundige en gediplomeerde personen die bij een bevalling bijstand mochten verlenen: de vroedmeester en de vroedvrouw. De vroedmeester was een man die met goed gevolg een opleiding gevolgd had aan een van de zes klinische scholen in Nederland. In het merendeel der gevallen werd door hem tevens de opleiding voor andere geneeskundige beroepen gevolgd, zodat hij zich, na het behalen van de vereiste diploma's, kon vestigen als 'heel- en vroedmeester'.

Uit: F.E. Bilz, 'De nieuwe Natuurgeneeswijze.
Leerboek en vraagbaak der natuurlijke
geneeswijze', Amsterdam, z.j. (part. coll.).
De tweede categorie werd gevormd door de vroedvrouwen, voor wie twee mogelijkheden openstonden om voor dit beroep opgeleid te worden. Een vrouw kon leerling worden bij een andere vroedvrouw of bij een dokter theorielessen volgen. Onder begeleiding van een bevoegd verklaarde vroedvrouw moest zij een bepaald aantal bevallingen verrichten. Vervolgens kon dan voor de 'Provinciale Commissie voor Geneeskundig Onderzoek en Toevoorzicht' examen worden afgelegd. Indien het examen met succes werd afgelegd mocht zij zich in de betreffende provincie vestigen en er praktijk uitoefenen. De andere weg bestond, evenals voor de mannelijke collegae, uit het volgen van de opleiding aan een klinische school. Daar vrouwen niet toegelaten werden tot het volgen van de opleiding voor de andere geneeskundige beroepen, kwam het onderwijs aan de vroedvrouwen wel eens in het gedrang.(3)
Behalve een verschil in opleiding, bestond er tussen vroedmeesters en vroedvrouwen nog een tweede belangrijk onderscheid. Nadat in de loop van de achttiende eeuw de instrumentele techniek, met name het ingeburgerd raken van de 'forceps' (de verlostang), een vaste plaats in de verloskunde had verkregen, werden alleen de vroedmeesters bevoegd verklaard met deze instrumenten te werken. Vroedvrouwen waren hiertoe niet gerechtigd.(4) Dit verschil in bevoegdheid werd in de geneeskundige wetten van 1865 nog eens met klem bevestigd. Volgens deze wetten kreeg de arts een uitgebreide bevoegdheid. Hij mocht zowel de normale (fysiologische) als de afwijkende (pathologische) bevallingen begeleiden. De vroedvrouw mocht alleen assistentie verlenen bij de normale bevallingen.(5)
Ondanks deze wettelijke regeling bleef er ook na 1865 een nauw raakvlak bestaan tussen de 'geneeskunde' en de 'verloskunde'. Schermutselingen tussen beide beroepsbeoefenaren waren dan ook onvermijdelijk. Van der Borg heeft een inspirerende studie verricht naar de positie van de vroedvrouwen, waarbij de confrontatie tussen de geneesheren en heelmeesters enerzijds en de vroedvrouwen anderzijds een rode draad vormt. Zij stelt dat de concurrentie tussen vroedvrouwen en mannelijke verloskundigen een van de belangrijkste achtergronden vormt van de negatieve beeldvorming over vroedvrouwen. In de archiefstukken en andere eigentijdse geschriften waren vooral de geneesheren en vroedmeesters aan het woord. Daar deze vaak alleen bij de problematische bevallingen geroepen werden, konden deze uitzonderingen tot regel verheven worden. Daarentegen constateerde Van der Borg dat in het archiefmateriaal informatie ontbreekt over hoe vroedvrouwen de mannelijke verloskundigen typeerden.(6)
De 'forceps'of verlostang, afkomstig uit de
nalatenschap van de doktersfamilie De Lang (Hilvarenbeek),
daterend van omstreeks 1830-1835 (coll. Museum De Doornboom, Hilvarenbeek).
In dit artikel wil ik een beschrijving geven van een 'schermutseling' tussen een vroedvrouw en de (mannelijke) medische beroepsgroep. Als casus neem ik hiertoe de klacht die de Tilburgse vroedvrouw J.H. Ledel in 1905 in het
Tijdschrift voor Praktische Verloskunde uitte. Aan deze beschrijving (zie paragraaf 'De kwestie Ledel') laat ik een korte schets van de organisatie van de gezondheidszorg in Tilburg in het eerste decennium van deze eeuw voorafgaan.
Medische zorg begin twintigste eeuw
In de eerste jaren van deze eeuw was in Tilburg de beschikbaarheid van medische zorg gering. In vergelijking met andere Brabantse steden waren er in Tilburg weinig artsen. In 1912, toen de stad 52.754 inwoners telde, praktiseerden in Tilburg negen huisartsen
(7) en drie specialisten.(8) 's-Hertogenbosch met 35.157 inwoners telde dat jaar twintig artsen, waaronder zes specialisten. In Breda, met 27.259 inwoners, waren vijftien artsen
gevestigd, waaronder vier specialisten. Van de Put, aan wie deze cijfers ontleend zijn, ziet de verklaring in het feit dat Tilburg een fabrieksplaats is met hoofdzakelijk een arbeidersbevolking. Voor jonge medici lag er
'een riante practijk met vele goed betalende particuliere patiënten niet voor het grijpen'.
(9)
Er zijn uit deze jaren van de geneeskundigen geen berichten bekend waarin ze klagen over een te grote werkdruk of een te groot aantal patiënten. Dr. Festen typeerde de maatschappelijke positie van de Tilburgse artsen aan het begin van deze eeuw als
'betrekkelijk slecht'. Dit had onder andere tot gevolg 'concurrentiestrijd, gevechten voor het behoud of het verkrijgen van patiënten ... en een zeker onderling
wantrouwen'.(10) Het Tilburgse gemeentebestuur bemoeide zich slechts met de geneeskundige zorg voor de armlastigen. Hierbij werd het zoveel mogelijk beperkt houden van de uitgaven belangrijker geacht
dan een kwalitatief voldoende geneeskundige verzorging.(11) Ook met betrekking tot de verloskundige hulp was de situatie in Tilburg minder rooskleurig dan in vergelijkbare Brabantse steden. In Tilburg waren in 1905 vier gediplomeerde vroedvrouwen werkzaam. Drie van hen waren tevens belast met een deel van de armenpraktijk: M. Hoppenbrouwers en H.A.E. Lakeman-van der Horst in het zuidelijk stadsgedeelte en M.G. Spijkerman-Schong in het noordelijk stadsgedeelte. In 1905 waren de vaste vergoedingen voor deze werkzaamheden respectievelijk
f 400, f 600 en f 450. Omdat ook de vroedvrouwen zich aan de regelingen onttrokken en particuliere patiënten de voorrang gaven boven die uit de armenpraktijk, stelde de Gezondheidscommissie in 1906 voor om de bezoldiging te wijzigen: voor een deel een vast salaris en daarnaast een betaling per bevalling. Het gemeentebestuur nam dit plan echter niet over en liet alles bij het oude.
Daarnaast was in Tilburg ook nog een vroedvrouw werkzaam die uitsluitend afhankelijk was van particuliere patiënten: mej. J.H.
Ledel.(12) Deze vrouw zou in 1905 de knuppel in het hoenderhok gooien.

De zuigelingensterfte in Tilburg was in het
begin van de twintigste eeuw erg hoog. Dat had
voornamelijk te maken met de onhygiënische omstandigheden in en rondom het
huis. (foto Henri
Berssenbrugge, coll. RHC Tilburg).
De kwestie Ledel (1905)
In het Tijdschrift voor Praktische Verloskunde van 1 oktober 1905 werd een artikel van mejuffrouw J.H. Ledel geplaatst, waarin zij op niet mis te verstane wijze haar hart luchtte.(13) De kern van haar klacht was dat haar bestaansbasis in Tilburg door het optreden van een tweetal artsen ondermijnd werd. Ze gaf in dat artikel aan dat ze reeds 15 jaar lang in Tilburg een verloskundige praktijk voerde, waarbij ze geen vaste verbintenissen was aangegaan (geen armenpraktijk of werkzaamheden voor een ziekenfonds).
Haar minimumtarief voor een verlossing bedroeg altijd f 10. Van een medicus, die met een gedeelte van de armenpraktijk belast was, ondervond mej. Ledel
'de meest oneerlijke concurrentie'. Ze onderbouwde deze uitspraak met enkele praktijkvoorbeelden. Mej. Ledel schreef dat ze brieven had ontvangen
'dat de dokter de verlossing voor f 7,50 zou doen, dus ik was bedankt. Iedere patiënte, die zich komt aangeven voor de verlossing waar die dokter bij een der familieleden is geweest, deelt mij mede: "De dokter wil mij ook verlossen voor
f 10, desnoods voor f 7,50". Die offerte gaat dan vergezeld met de verzekering, dat zoo'n juffrouw niets beteekent. Het is maar half werk. Komt er wat bij, je hebt direkt dubbele kosten. Sommigen wordt reeds een ongunstige afloop voorspeld, als ze het met ons aandurven enz enz. Het is mij reeds gebeurd, dat ik in de kraamkamer komende, aldus begroet werd: "Juffrouw zult U mij niet vermoorden?" waarop ik antwoordde: "Neen juffrouw, ik ben Jacq the Ripper niet". Later volgden vele excuses, maar de Dr. had haar zoo bang voor mij gemaakt'.
Daarnaast werkte mej. Ledel enkele kwesties uit waarin de betreffende arts zijn machtspositie gebruikte om zijn werkkring uit te breiden. In de bewoordingen van Ledel:
'Bij eene andere eerstbarende had ik één nacht en een halven dag doorgebracht met veel zorgen wegens bloeding, alles was uitstekend
afgeloopen; f 25 honorarium. De menschen veranderden van huisdokter. Dezelfde van bovenstaand verhaal komt aan de beurt, geneest het inmiddels 6 a 7 maanden oud geworden kind en zegt: uit dankbaarheid voor het redden van dien drenkeling, reken ik ook op de verlossing. ... Aldus geschiedde. De conclusie is dus, dat wij geen aanspraak mogen maken op dankbaarheid voor de vele zorgen aan sommige verlossingen verbonden, maar de medicus wel, die een ziek kind geneest. Somstijds heb ik 3, 4 accouchementen bij eene zelfde vrouw verricht. Met groote dankbaarheid ben ik steeds behandeld, maar de nieuwe huisdokter steekt daar gauw een stokje voor'.
Juffrouw Ledel tekende uit de monden van de betrokken mensen op dat angst hun belangrijkste drijfveer was. De mensen zijn bang
'dat de dokter bij ernstige ziekte niet gauw zal komen of andersinds, als ze niet toegeven en daarmede wordt nu eens
f 10, soms 15, 25, 35, ja zelfs f 50 ontnomen'.
Aan het eind van het artikel noemde Ledel nog een andere door de artsen toegepaste methode van broodroof.
'In den laatsten tijd ondervond ik zelfs van een Dr., die hier nog niet lang is, dat hij als deze voor andere Heeren praktijk waarneemt, zegt: "Ik zal de verlossing wel doen en je kunt je huisdokter houden"'. De vroedvrouw, die in dit stuk geen van de betreffende artsen en 'patiënten' met naam noemde, schreef dat ze 'tientallen adressen' kon opgeven om haar beweringen kracht bij te zetten. Als reden waarom ze op deze wijze een flinke partij vuile was buiten hing noemde ze dat ze de hoop had een gesprek met de heren medici op gang te brengen
'teneinde dergelijke oneerlijke en onwaardige praktijken te staken, waardoor de Medische stand wordt ontsierd en eerlijke menschen worden benadeeld'.

Moeder en kind, Tilburg 1904. (foto Henri
Berssenbrugge, coll. RHC Tilburg).
De redactie van Tijdschrift voor Praktische Verloskunde zond, met medeweten en instemming van mej. Ledel, een nummer van het tijdschrift met het gewraakte artikel aan enkele hen met naam bekende Tilburgse artsen. Hierdoor konden ze een maand later reageren op de aantijgingen. In een gezamenlijk ondertekende verklaring stelden de geneesheren van Tilburg
(14) er prijs op 'openlijk te verklaren, dat zij het betreuren, dat de Redactie van het Tijdschrift gemeend heeft, dit schrijven te moeten opnemen, zonder één van hen daarmede in kennis te stellen, en zonder zich te vergewissen van de juistheid der door Mej. Ledel gegeven voorstelling. Zij betreuren dit te meer, omdat dergelijke stukken aan de wederzijdsche waardeering niet dan kwaad kunnen doen. Over den inhoud van het stukje wenschen zij niet in openlijk debat te treden; ...'.
(15)
Dit schrijven lokte weer een reactie van derden uit. Ook in andere periodieken, zoals
Vox Medicorum en Het Nieuws, geneeskundig overzicht der laatste
dagen, werd aandacht aan het Tilburgse conflict besteed. De kern van deze beschouwingen was dat mej. Ledel recht op een eerlijke behandeling van de zijde van de medici had en zich voor de afdelingsraad van de
Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der geneeskunst moest kunnen verdedigen.(16) Deze suggestie werd door de leden van afdeling Tilburg van genoemde Maatschappij overgenomen. Er werd een onderzoek ingesteld of de klachten van mej. Ledel gegrond waren.(17)
De secretaris van de met het onderzoek belaste afdelingsraad, dr. Eijgenraam, deelde deze nieuwe ontwikkeling aan de redactie van Tijdschrift voor Praktische Verloskunde mee. Uit zijn schrijven, dat direkt geplaatst werd, blijkt dat er op zijn minst sprake is van scepsis, zo niet van een bepaalde mate van vooringenomenheid bij deze Tilburgse geneesheer.
'Gedachtig aan de spreuk "il faut laver son ligne sale en famille", had Mej. Ledel moeten trachten hare grieven te doen behandelen (en zoo mogelijk uit den weg ruimen) in 'besloten kring', in den afdeelingsraad namelijk, met beroep op den gewestelijken raad. Ik blijf het betreuren, dat de Redactie, den weg, die zij thans zoo duidelijk vóór zich ziet, niet aan Mej. Ledel heeft aangewezen, alvorens haar aanklacht op te nemen. Had de Redactie daarbij Mej. Ledel gewezen op de gevolgen, die haar schrijven hebben kon en hebben moest - ik houd mij overtuigd, dat de correspondente haar stuk zou hebben teruggenomen. Goede gevolgen kon dit schrijven niet opleveren, noch voor Mej. Ledel zelf, noch voor de zaak der verloskundigen en hare verstandhouding tot de geneesheeren in 't algemeen. Ik voor mij vind het niet verblijdend, dat met de zaak zoo vele worden gemoeid, die er - althans in dit stadium - niet mede te maken hebben, en wier bemoeiing er ook geen goed aan doen kan'.
(18)

Dr. L.J.M. Eijgenraam (1872-1913). (coll. RHC
Tilburg).
In december 1905 startte de afdelingsraad van de afdeling Tilburg van de Nederlandsche Maatschappij tot
Bevordering der Geneeskunst, op verzoek van 'een der medici die kon denken dat hij bedoeld was in 't genoemde stuk'
(19) het onderzoek. De secretaris erkende dat het werk met gepaste tegenzin was begonnen.
'Er behoort werkelijk een zeer hooge mate van objectiviteit en gematigdheid toe om billijk te oordeelen in deze questie, waar medici eenerzijds en een vroedvrouw anderzijds partijen zijn, beide in onze stad gevestigd, en waarvan de eene partij door haar zoo onbemind optreden hare zaak te voren reeds eenigszins heeft bedorven'. Dr. Eijgenraam hield zich gaarne aanbevolen voor adviezen hoe zij van deze lastige zaak konden worden ontlast.(20)
De afdelingsraad koos bij haar onderzoek voor een eenvoudige strategie: mej. Ledel werd gevraagd om haar aanklacht schriftelijk met voorbeelden te onderbouwen. Nadat haar verzoek om mondelinge toelichting was afgewezen, begon ze aan haar opdracht. Het werd een uitvoerig betoog: over twee schoolschriften verdeeld 43 geschreven kantjes.(21) Hierin gaf ze zeer gedetailleerd aan op welke wijze zij haar beroep uitoefende en hoe een tweetal artsen (te weten dr. Proot en dr. Hensen) haar regelmatig in discrediet bracht. Het is hier niet de plaats deze gevallen in extenso te bespreken. Er kan volstaan worden met de opmerking dat zij hierin steeds de bedoelde personen met naam en toenaam vermeldde.
Geheel tegen de gemaakte afspraken in, kwamen deze schriften in handen van dr. Proot. Na lezing van de vaak op hem gerichte aanvallen ontstak hij in toorn. Op 19 december schreef hij een brief op poten aan vroedvrouw Ledel. Hij verklaarde daarin dat hij - op eigen houtje - de in de schriften genoemde beschuldigingen tegen zijn persoon had onderzocht en als onwaar kon beschouwen. Daarom had hij besloten
'daar mijn naam als medicus door U in een openbaar geschrift op verregaande wijze is aangetast en mij ernstig heeft beledigd, eene klacht wegens laster tegen U in te dienen bij de Heer Officier van Justitie. Wilt U mij voor Vrijdag as. nog spreken, dan ben ik bereid U te ontvangen. Later niet meer'.
Van deze brief maakte dr. Eijgenraam een afschrift en voegde aan het eind een (waarschijnlijk voor dr. Deelen bestemde) opmerking toe:
'Dit is natuurlijk absoluut de bedoeling niet. Wij moeten dit beletten: dit is misbruik maken van een confidentieel stuk. Laat ons daar ten minste een stokje voor
steken'.(22) Een dag later werd dr. Proot verzocht zijn dreigement niet uit te voeren en de zaak over te laten aan de
afdelingsraad.(23) Uit de in het dossier bewaard gebleven correspondentie kan niet nagegaan worden of dr. Proot gehoor aan de oproep van zijn collegae gegeven heeft.
Uit het dossier blijkt evenmin op welke wijze de afdelingsraad het onderzoek heeft uitgevoerd. Een schrijven van mej. Ledel aan de redactie van het
Tijdschrift voor Praktische Verloskunde geeft een indicatie. 'Over haar (= afdelingsraad)
methode van onderzoek wensch ik geen woord te reppen. Gaarne geef ik toe dat zulk een onderzoek op eigenaardige moeilijkheden stuit, doch hierin had ik de afd.Raad willen tegemoet komen door op de vergadering van 24 Jan. de getuigen in ons aller bijzijn te doen hooren. Dit werd om voor mij onbegrijpelijke reden gewijgerd, behalven door dr. Hoek uit Boxtel. Het slot van ongeveer een uur kruisverhoor was: "lever slechts schriftelijke verklaringen in". Ik zorgde voor 2 schriftelijke verklaringen. Deze beide verklaringen bevestigen mijne beide eerste beschuldigingen, doch ongelukkigerwijze is de vrouw der 2e verklaring tante - schoonmoeder en baker tegelijkertijd. Zij is dus onwaardig bevonden'.
(24)
Een van deze verklaringen is bewaard gebleven en bevestigt inderdaad het verhaal van de vroedvrouw. Een uitvoerig citaat uit deze verklaring geeft een aardig beeld van de 'onpartijdigheid' van de onderzoekscommissie:
'Mej. van Oosterhout verklaart: dat ik bij een bevalling zou gezegd hebben "juffrouw zult u mij niet verwonden" daarvan kan ik mij niets herinneren. Dit zou ook ook als het waar was circa 12 jaar geleden moeten zijn. Dr. Proot heeft wel, wetende dat mej. Ledel mij altijd hielp, niet eens maar meermalen gevraagd om de verlossing bij mij te doen. Een kind van mij had roodvonk, ik was 4½ mnd zwanger, verpleegde het kind en kreeg ook roodvonk. Dr. Proot behandelde mij en vroeg "ben je nu nog niet bang om het met de juffrouw af te zien?" Ik zeide van neen. Dit moet ongeveer 10 jaar geleden zijn. Met een van onze kinderen sukkelde ik steeds een paar jaar lang; het kindje zag altijd blauw. Dr. Proot kwam het dikwijls behandelen; ten laatste is het gestorven. Ik vroeg eens, hoe het kind daar toch aan zou komen. Dr. Proot antwoordde: "ja, dat komt er van als je bij de bevalling een vroedvrouw laat afwerken". Tegen juffr. Ledel persoonlijk heeft dr. Proot nooit iets ten nadeele gezegd: als hij het er over had was het altijd "dat een juffrouw" veel minder geschikt was dan een dokter". Het geval van het kindje dat gestorven is, moet omstreeks zes jaar geleden zijn'.
(25)
Uit deze verklaring, die toch duidelijk in het voordeel van mej. Ledel uitvalt, selecteerde de secretaris van de afdelingsraad voor het eindrapport slechts de zinsnede:
'De patiënte van: ...juffrouw zult u mij niet verwonden? weet zich deze scene absoluut niet meer te herinneren'.(26) Deze selectiviteit ging een lid van de afdelingsraad ook te ver. De Boxtelse arts P.M. Hoek had bij genoemd concept enkele bedenkingen. Als derde punt wees hij er op dat de getuigenis van mej. Oosterhout geheel vermeld of geheel weggelaten moet worden. Hij schrijft dat in het concept het meest belangrijke wordt verzwegen.(27) In de definitieve redactie van het eindrapport werd het:
'De patiënte van: "juffrouw, zult u mij niet vermoorden" weet zich van die scène niets te herinneren; geen wonder, want deze geschiedenis is circa twaalf jaren oud. Deze patiënte verklaart echter dat de medicus haar meer dan eens gevraagd heeft of zij 't met de juffrouw wel dorst afzien (ook tijdens een ziekte in de zwangerschap); echter zonder tegen mej. L. persoonlijk iets kleineerends te zeggen'.
(28)

Leden van de K.N.M.G. afd. Tilburg in 1904.
Van links naar rechts: 1e Proot, 2e Lombach, 3e Hensen, 4e Costerman
Boodt, 5e Scheidelaar, 6e Eijgenraam; staande 2e Hoek (Boxtel) en 3e Taminiau;
van rechts naar links: 1e Hoek
(Boxtel), 2e Bloemen, 3e Van der Heijden, 4e Deelen. (coll. RHC Tilburg).
In het eindrapport gaf de afdelingsraad aan dat zij slechts een beperkt gedeelte van de door mej. Ledel beschreven gevallen nader onderzocht had. Veel klachten waren
'van zes, zeven, soms meer dan tien jaar geleden, waarvan de gegrondheid onmogelijk meer kan worden nagegaan'. Enkele beschuldigingen
'waren van dien aard, dat een onderzoek daarnaar den Afdeelingsraad en de Afdeeling eenvoudig bespottelijk zou hebben gemaakt'. Vandaar dat zij zich uitsluitend gericht had
'op de juist geformuleerde aanklacht betreffende voorvallen uit de jongeren
tijd'. De belangrijkste reden waarom de afdelingsraad mej. Ledel in het ongelijk stelde was het gegeven dat de vroedvrouw de informatie uit de derde hand verkregen had. Met name de bakers en schoonmoeders moesten het ontgelden. In de eindconclusie stelden de rapporteurs dan ook:
'wij achten het niet gewaagd te besluiten dat de beschuldiging van mej. Ledel, al zijn zij te goeder trouw uitgebracht, steunen op verhalen van bakers of verwanten, en dus eene degelijken grondslag missen'. Zij stelden voor dat mej. Ledel haar beschuldiging in het
Tijdschrift voor Praktische Verloskunde zou herroepen. Indien zij dit niet wilde, dan zou de afdelingsraad dit zelf doen.(29) In het schrijven van de secretaris van de afdelingsraad waarin deze mej. Ledel van de eindconclusie op de hoogte bracht, gaf Eijgenraam een schets van de inhoud van de knieval die de vroedvrouw moest gaan maken.
'De Afd. Raad geeft U in overweging, in datzelfde Tijdschrift eene herroeping Uwer aanklacht te doen plaatsen, waarvan hij de redactie aan U overlaat. De erkenning, dat Uwe meer in extenso meegedeelde beschuldiging, hoe ook te goeder trouw geuit, berusten, niet op getuigenissen van de betrokken personen zelve, maar op getuigenis van derden (verwanten, bakers en dergelijke), moet daarin niet ontbreken. Naar onze meening kunt U volstaan met mede te deelen: dat U misleid door verhalen van bakers en verwanten, en door de minder vriendsch. verhouding met twee doctors alhier van de wijs gebracht, Uwe beschuldiging te haastig hebt uitgebracht; dat de onderzochte onderdeelen van Uw artikel blijken niet geheel overeenkomstig de juiste toedracht te zijn voorgesteld; en met verder uw spijt uit de drukken, dat dit in een oogenblik van opwinding geschreven stuk, een publieke aanklacht behelzend die op steviger grondslagen moest gebouwd zijn, in het Tijdschrift is geplaatst, en zooveele pennen en gemoederen in beweging heeft gebracht'.
(30) Mej. Ledel ging op dit verzoek uiteraard niet in.
Uiteindelijk bond ook de Afdelingsraad in en bracht een tamelijk mild eindrapport uit. In een in het
Tijdschrift voor Praktische Verloskunde geplaatste brief erkende de onderzoekscommissie dat het niet meer mogelijk was te bepalen
'bij wien in elk dier conflicten de grootere schuld lag'. Zij vonden het een gemiste kans dat mej. Ledel zich met haar grieven niet eerder bij de afdeling van de
Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst gemeld had.(31)
Ledel reageerde hierop met een zuur briefje, dat op zich weinig nieuwe feiten of argumenten bevatte. Interessant was de mededeling waarmee de vroedvrouw reageerde op de suggestie van de Afdelingsraad om grieven eerder aan haar voor te leggen. Ledel had voorheen al eens een dokter geschreven dat als deze zijn houding ten opzichte van haar niet veranderde, zij zich tot de geneeskundige kring zou wenden. Hierop ontving ze een schriftelijke reactie met onder andere de opmerking
'dat alle Heeren evenzeer tegen mij ingenomen waren als ZEdl. en deze handelwijze de tegeningenomenheid nog zou doen toenemen. Ingeval ik echter de Heeren een vroolijken avond wilde bezorgen dan hield ZEdl. zich aanbevolen'.
(32)
Een maand later plaatste dr. Eijgenraam, namens de met het onderzoek belaste Afdeelingsraad, nog een keer een reactie waarin hij probeerde een bewering van mej. Ledel te
ontzenuwen.(33) Omdat de affaire nooit op het niveau van een discussie was gekomen, deed de redactie van het
Tijdschrift voor Praktische Verloskunde er niet onverstandig aan onder dit schrijven de volgende opmerking te plaatsen:
'Verdere discussies onherroepelijk gesloten. Red.'
Beweegredenen
Van beide partijen is een vertrouwelijk schrijven bewaard gebleven waarin de beweegredenen van hun handelen duidelijk zijn beschreven. Reeds in oktober 1905 nam mej. Ledel dr. Eijgenraam in vertrouwen en schreef hem een uitvoerige brief waarin ze de kern van haar grieven jegens dr. Proot en dr. Hensen uiteen zette. In hoofdzaak draaide het om de in haar ogen oneerlijke concurrentie van de heren doktoren die bezig waren met het afromen van haar particuliere verloskundige praktijk. Met name het gegeven dat de doktoren geassisteerd werden door ziekenzusters was haar een doorn in het oog.
'De dokters zullen alle verlossingen wat maar iets is aannemen en er eene ziekenzuster bij zetten, voor de armen zijn 3 stadsvroedvrouwen, dus mijne praktijk vervalt. ... De zusters die steeds onbevoegd geneeskunde uitoefenen, ... zullen ook als verloskundige optreden, ten gerieve der H. doktoren die er geen tijd voor hebben, nu ook onbevoegd verloskunde beoefenen'.
(34)
Van de twee artsen die door mej. Ledel in het beklaagdenbankje waren geplaatst verdedigde dr. Hensen zich het meest gedegen; dr. Proot beperkte zich tot een 'welles-nietes spel' of tot beschaafd schelden. In een reactie op het gewraakte artikel gaf dr. Hensen de nodige achtergrondinformatie met betrekking tot het gerezen conflict. Hij erkende dat de positie van mej. Ledel in Tilburg voor hem
'een voortdurende ergernis' was, hetgeen hij 'nooit onder stoelen of banken gestoken had'. In de toelichting op deze constatering ging hij terug in het verleden.
'Toen Dr. Van der Heijden hier van zijn verlossingen af wou, trachtte hij overal mej. Ledel in te krijgen en zoodoende weerde hij zijn jongere collega's. Hij schiep hier door een toestand, die in geen enkele stad hier te lande bestaat. Is het dan een wonder ..., dat ik als jonge collega mij verzette waar ik zulks kon, vooral waar Mej. Ledel de wet overtrad door het verrichten van verloskundige kunstbewerkingen. De strijd ging niet tegen haar persoon, maar tegen het princiep, dat een vroedvrouw zich gaat stellen tegen, ja boven een medicus. Tot nu toe heb ik de kat de bel niet willen aanbinden, om steunend op de wet, mej. Ledel te verhinderen kunsthulp te verleenen, maar wel zal ik blijven trachten haar met eerlijke middelen te verdringen van een plaats, waar zij niet thuis
hoort'.(35) Mej. Ledel ontkende deze aantijging niet. Ze motiveerde haar handelwijze - inderdaad zoals dr. Hensen stelt: in strijd met de wet - al in bovengenoemd vertrouwelijk schrijven aan dr.
Eijgenraam. 'Zeker heb ik mijne bevoegdheid overschreden, maar niet wat ik degelijk leerde, anders zouden ongelukken dan trouwens ook niet uitgesloten zijn. ... Vindt U zoon wet zelf geen onrecht doctor? Vandaag op 't examen een kunstverlossing doen en morgen in de praktijk een Dr. halen?' Bovendien gaf ze aan dat een collega vroedvrouw tevens een verlostang aangeschaft had en dat een andere haar in moeilijke gevallen ter assistentie riep (lees: voor een tangverlossing).(36)
Beide beschouwingen resumerend, kan geconcludeerd worden dat bij beide partijen broodnijd de belangrijkste drijfveer vormde. Mej. Ledel zag in de tandem 'dokter-ziekenzuster' een gevaar voor het voortbestaan van haar overigens bescheiden verloskundige praktijk. De artsen Proot en Hensen waren met name geïrriteerd door het gegeven dat de vroedvrouw systematisch de wet overtrad en werkzaamheden uitvoerde die aan artsen voorbehouden waren.
Deze zaak bracht de gemoederen nogal in beweging. Mej. Ledel sneed blijkbaar een uitermate gevoelig thema aan: de Tilburgse artsen vormden een collectief om de twee aangeklaagde artsen in bescherming te nemen, andere medische tijdschriften namen duidelijke standpunten in en vroedvrouwen betuigden hun steun aan mej. Ledel. De redactie van het tijdschrift waarin de strijd voornamelijk werd uitgevochten, zag zich zelfs genoodzaakt een anoniem schrijven op te nemen en er uitvoerig op te reageren. Een
'abonnée' schreef: 'Aan Mej. Ledel.. Alle zwijgen, terwijl geheel het Vroedvrouwencorps U huldigt. Niemand durft spreken, terwijl zoovelen met u gevoelen den druk der concurrentie. Alle ongeoorloofde middelen worden te baat genomen om je te drukken, als je wilt toonen een goed geschoolde vroedvrouw te zijn'.(37) Blijkbaar was de klacht van mej. Ledel dus maar het topje van de ijsberg.
Noten
(1) H.A. van der Borg, Vroedvrouwen: beeld en beroep. Ontwikkelingen in het vroedvrouwschap in Leiden, Arnhem, 's-Hertogenbosch en Leeuwarden, 1650-1865
(Wageningen, 1992), p. 8.
(2) Ibidem, p. 43.
(3) M. Pruijt, 'Roeien, baren en in de arbeid zijn. Vroedvrouwen in Noord-Brabant, 1880-1960', in: M. Grever en A. van der Veen, red.,
Bij ons moeder en ons Jet. Brabantse vrouwen in de 19de en 20ste eeuw (Zutphen/'s-Hertogenbosch, 1989), p. 123.
(4) F.W. van der Waals, 'Doorbraken in de verloskunde', in: R.E. Kistemaker, red.,
Een kind onder het hart. Verloskunde, volksgeloof, gezin, seksualiteit en moraal vroeger en nu (Amsterdam, 1987), p. 33.
(5) M. Pruijt, 'De verloskundige zorg in Noord-Brabant 1900-1940', in: Sociale Wetenschappen 31 (1988), p. 176.
(6) Van der Borg, Vroedvrouwen: beeld en beroep, p. 132.
(7) Als huisarts hadden zich in Tilburg gevestigd: dr. M.J.L. Proot, dr. K.A.F. Deelen, J.F.J. Bloemen, dr. B.A.C. Daamen, dr. J. Hensen, dr. L.J.M. Eijgenraam, dr. Ph.L.L.M. Taminiau, dr. A.M.L.E. Piters en
S.M. Moerel.
(8) Als specialist hadden zich in Tilburg gevestigd: J.G.M. Weyers (keel-, neus- en oorarts), N.F.C.J. Sassen (oogarts) en J.E. Pastoors (chirurg).
(9) C.A.M.M. van de Put, Volksleven in Tilburg rond 1900. Sociaal-historische hoofdstukken (Assen, 1971), p. 161-162.
(10) H. Festen, Historische schets van het ziekenfondswezen in Tilburg (Tilburg, 1965), p. 69.
(11) Van de Put geeft een uitvoerige opsomming van klachten die tegen een met de armenpraktijk belaste arts (dr. M.J.L. Proot) werden ingediend. Hiertegen werd hooguit vermanend opgetreden. Van de Put,
Tilburgs volsksleven, p. 172-173.
(12) J.H. Ledel werd op 18 augustus 1867 in Workum geboren. Haar vader was Pieter W.M. Ledel, plattelandheelmeester en vroedmeester (vanaf 1877 te Gilze). Johanna Ledel volgde de opleiding tot vroedvrouw in Rotterdam. Zij vestichde zich in 1891 als verloskundige in Tilburg.
(13) J.H. Ledel, 'Naar aanleiding van het Verslag van de Algemeene Vergadering', in:
Tijdschrift voor Praktische Verloskunde, hoofdzakelijk ten dienste van
vroedvrouwen, jrg. 9, nr. 11, 1 oktober 1905, p. 172-174.
(14) De reactie was ondertekend door: Dr. Deelen, J. Bloemen, Dr. Proot, Dr. Daamen, Dr. Hensen, Ph. Taminiau, Dr. Piters en Dr.
Eijgenraam.
(15) Tijdschrift voor Praktische Verloskunde, jrg. 9, nr. 13, 1 november 1905, p. 200-201.
(16) Tijdschrift voor Praktische Verloskunde, jrg. 9, nr. 14, 15 november 1905, p. 219-220.
(17) De onderzoekscommissie bestond uit de heren K.A.F. Deelen (voorzitter), L.J.M. Eijgenraam (secretaris), J.F.J. Bloemen, L. Lobach en P.M. Hoek.
(18) Tijdschrift voor Praktische Verloskunde, jrg. 9, nr. 15, 1 december 1905, p. 237-238.
(19) Gemeentearchief Tilburg (GAT), Archief van de afdeling Tilburg van de Koninklijke Maatschappij tot
Bevordering der Geneeskunst, inv.nr. 164, Rapport van de afdelingsraad inzake de kwestie met vroedvrouw mej. J.H. Ledel, met bijlagen, 1905-1906 [GAT, Rapport Ledel], brief van de secretaris van de afdelingsraad aan de Centrale Commissie van advies in zake beroepsbelangen van de Nederlandsche Maatschappij tot
Bevordering der Geneeskunst, 27 december 1905.
(20) Ibidem.
(21) Deze schriften bevinden zich in: GAT, Rapport Ledel, inv. nr. 164, 6/7 december 1905.
Tekenend voor het vertrouwen dat mej. Ledel in de goede afloop van de procedure had, is de opmerking die aan het eind van haar betoog in het eerste schrift is vermeld:
'Tot zoover 's avonds geschreven. Nu ontdek ik dat 't schrift zoo geel is en vervolg dus uit respect voor de Heeren in een ander'.
(22) GAT, Rapport Ledel, Afschrift van een brief van dr. Eijgenraam, 19 december 1905.
(23) GAT, Rapport Ledel, Afschrift van een brief van dr. Eijgenraam aan dr. Proot, 20 december 1905.
(24) GAT, Rapport Ledel, Brief van mej. Ledel aan de redactie van het Tijdschrift voor Praktische Verloskunde, 22 juni 1906.
(25) GAT, Rapport Ledel, Afschrift van de verklaring van mej. van Oosterhout, 11 mei 1906.
(26) GAT, Rapport Ledel, Concept van een artikel voor Tijdschrift voor Praktische
Verloskunde, ongedateerd.
(27) GAT, Rapport Ledel, Brief van ..... aan dr. Eijgenraam, 18 mei 1906.
(28) Tijdschrift voor Praktische Verloskunde, jrg. 10, nr. 5, 1 juli 1906, p. 74.
(29) GAT, Rapport Ledel, 'Eindrapport van de Afdeelingsraad der Afdeeling Tilburg van de Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst', ongedateerd.
(30) GAT, Rapport Ledel, Concept voorstel aan mej. Ledel, datum onleesbaar.
(31) Tijdschrift voor Praktische Verloskunde, jrg. 10, nr. 5, 1 juli 1906, p. 74-75.
(32) Ibidem, p. 75.
(33) Ibidem, jrg. 10, nr. 7, 1 augustus 1906, p. 106-107.
(34) GAT, Rapport Ledel, Brief van mej. Ledel aan dr. Eijgenraam, 24 oktober 1905.
(35) GAT, Rapport Ledel, Brief van dr. Hensen aan de 'Afdeelingsraad van de afd. Tilburg van de Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst', 20 december 1905.
(36) GAT, Rapport Ledel, Brief van mej. Ledel aan dr. Eijgenraam, 24 oktober 1905.
(37) Tijdschrift voor Praktische Verloskunde, jrg. 10, nr. 7, 1 augustus 1906, p. 107.
* Cor G.W.P. van der Heijden
(1957) is als geschiedenisleraar werkzaam aan het Cobbenhagencollege te Tilburg. Daarnaast verricht hij een promotie-onderzoek naar de omvang van de zuigelingen- en kindersterfte in Tilburg over de periode 1820-1930.




