| 299. Een globaal overzicht over de opkomst en de modernisering van de keuring in Tilburg | |||
|
Titel: |
Een globaal overzicht over de opkomst en de modernisering van de keuring in Tilburg |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
Jos van Schilt* |
|
Jaargang: |
XV (1997) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
2 |
|
Pagina’ s: |
49-56 |
Eind vorige eeuw en begin deze eeuw werden er in allerlei Nederlandse steden tal van maatregelen genomen om de gezondheid van hun inwoners te beschermen. Zo kwamen er in de meeste steden waterleidingen, reinigingsdiensten, keuringsdiensten van waren en openbare slachthuizen.
De discussie over de kwaliteit van voedsel is al eeuwen oud. In de resoluties van de gemeente Tilburg uit 1688 wordt al vermeld hoe enkele bakkers door de ijkmeesters van de drost betrapt waren op het sjoemelen met het gewicht van het brood.(1) Een keuringsdienst voor voedings- en levensmiddelen werd in Tilburg echter pas in 1913 opgericht en zou door een landelijke reorganisatie overgaan in een keuringsdienst voor vee en vlees. Deze keuringsdienst zou na 1924 opgenomen worden in het Gemeente Slachthuis.
De opkomst van de keuringsdienst kan men plaatsen in een groter kader. In de periode 1840-1925 werden er allerlei maatregelen genomen ten behoeve van de hygiëne en volksgezondheid. Deze maatregelen werden halverwege de vorige eeuw en in het begin van deze eeuw in tal van West-Europese steden genomen. De historicus Cor van der Heijden heeft recent over enkele van deze maatregelen in Tilburg al het een en ander gepubliceerd. In deze publicaties gaat hij uitvoerig in op de verbeteringen in de kwaliteit van het drinkwater en waterleidingstelsel in Tilburg.(2) De hygiënisten speelden een grote rol in het streven naar en uitvoeren van de maatregelen ten behoeve van de hygiëne en volksgezondheid.(3)
Broodmerken van bakkers uit Tilburg en Goirle uit de periode 1763-1766. De bakkers moesten
deze merktekens afdrukken op hun brood. Met de kwaliteit van het brood werd nogal eens de
hand gelicht. Aan de hand van de merktekens kon men controleren wie het brood gebakken had.
(Coll. RHC Tilburg, Oud-administratief archief, inv. nr. 1167).
Deze maatregelen maakten deel uit van de modernisering van de West europese samenleving. Een duidelijke omschrijving van het begrip modernisering is vereist om verwarring te voorkomen. Het begrip modernisering is in dit onderzoek onder te verdelen in twee begrippen. Enerzijds gaat het om de specifieke modernisering, het toepassen van wetenschappelijke methoden bij keuring, en anderzijds gaat het om algemene modernisering. Een typisch voorbeeld van algemene modernisering was de aanschaf van motoren voor de keurmeesters begin jaren twintig. De eis dat de keurmeester gediplomeerd was met een diploma minimaal dierenarts tweede klas is een duidelijk voorbeeld van specifieke modernisering van het keuringsproces.
De hygiënisten en de opkomst van het keuringsproces
De hygiënisten waren een politieke en wetenschappelijke stroming die zich in de negentiende eeuw ontwikkelde in West-Europa. Zij bekommerden zich om de bestrijding van epidemieën, de kwaliteit van drinkwater en de voeding en allerlei andere sanitaire hervormingen die de volksgezondheid betroffen. In het begin bestond deze stroming voornamelijk uit geneeskundigen. Later zou deze groep aangevuld worden met ingenieurs, onderwijzers en andere leden van de burgerij. Een van hun doelstellingen was dat de burgerij en de overheid samen moesten streven naar betere hygiënische omstandigheden voor de bevolking.(4)
Frankrijk en Engeland hadden een leidende rol op het gebied van hygiëne en volksgezondheid. In deze landen waren de hygiënisten al vanaf 1830 actief. Zij hielden zich voornamelijk bezig met bestrijding van de cholera-, pokken- en tyfusepidemieën. In Nederland kwamen de hygiënisten pas rond 1850 op. Zij namen de Franse en Engelse hygiënisten als hun voorbeeld. Landelijk waren de hygiënisten minder nadrukkelijk aanwezig dan op regionaal en lokaal niveau. Zij waren verenigd in geneeskundige kringen, zoals de Geneeskundige Kring te Tilburg. De leden van deze kring waren afkomstig van de plaatselijke burgerij. Al deze kringen waren weer verenigd in de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst.(5)
De hygiënisten in Tilburg
Op 11 oktober 1849 werd door enkele doktoren in Tilburg de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot beoefening der Geneeskunst, Kring Tilburg, opgericht. Deze stond onder leiding van A.A.A. Baring die haar in 1852 weer ontbond omdat hij vond dat er niemand van zijn eigen niveau in Tilburg aanwezig was. In oktober 1858 werd de kring weer opgericht, nu door E. Dorens. De belangrijkste kwesties waren de ziekenfondswet en het preventief optreden tegen epidemieën. De aandacht ging echter ook uit naar de kwaliteit van drinkwater en voeding. De kring zou samen met enkele andere commissies begin deze eeuw streven naar de oprichting van een keuringsdienst in Tilburg.(6) Een van deze commissies zou de gezondheidscommissie zijn. Deze commissie past goed in het beeld dat Houwaart schetst van hygiënisten. Aanvankelijk bestond deze groep uit artsen en dokters, later uitgebreid met juristen, ambtenaren en leraren. Begin deze eeuw bestond de Gezondheidscommissie in Tilburg uit artsen maar ook uit één fabrikant, apotheker, onderwijzers en andere leden van de burgerij.(7)

Zo zag er een keuken (de 'geut') omstreeks 1900 uit. Foto door Henri
Berssenbrugge. (coll. RHC Tilburg).
Het ad-hocbeleid van de gemeente
In de vorige eeuw liet de landelijke overheid de gemeente vrij in haar beleid met betrekking tot de keuring van voedsel. Veel gemeenten hadden geen duidelijk beleid waarin de keuring van voedsel beschreven stond. De gemeente bemoeide zich wel met de kwaliteit van voedsel, maar uitsluitend om excessen te voorkomen. Een goed voorbeeld hiervan dateert uit 1843. Op 18 juli 1843 vaardigde de gemeente een verordening uit omtrent het bereiden en verkopen van brood in de stad. Elk brood moest voorzien zijn van een keurmerk. Op ongestempeld brood werd een boete gelegd van vijfentwintig cent. Vervolgens werd dit ongestempelde brood in beslag genomen en verdeeld onder de armen.(8)
Het keurmerk was een waarborg voor kwaliteit. In artikel 5 van de verordening word ook letterlijk over vervalsing geschreven.
"De bakkers zijn gehouden het roggebrood te bakken van goed gezond zuiver en onvervalst roggemeel."(9)
Dat er toen ook al controles werden gehouden, blijkt duidelijk uit artikel 9 van de verordening.
"De bakker of broodverkoper die zal hebben bemoeilijkt of zich verzet tegen de visitatie welke door of van wegen Burgemeester en Wethouders in huis of zijn winkel [...] zal worden gestraft met eene boete van
f 30 of eene gevangenis van 3 dagen." (10)
Wie zich nu precies bezighield met het toezicht op de kwaliteit van het brood was echter onduidelijk. Dat de aandacht voor de kwaliteit van het voedsel verslapte, blijkt wel uit het feit dat er op 19 september in 1865 een nieuwe verordening werd afgekondigd.(11)
In de verordening van 1865 lag de nadruk niet op brood maar op het slachten en verkopen van vee en vlees. Nu komt wel duidelijk naar voren wie zich bezighield met het toezicht en de naleving van de verordening. Iedereen die het beroep van slager of vleeshouwer uitoefende, moest aangifte doen bij de politie. In het derde artikel van de verordening wordt er weer verwezen naar de politie.
"Het wordt den ambtenaren van Politie opgedragen stipt toezight uit te oefenen op het slaghten van vee en vleesch dat bij de vleeschhouwer op de markt of andere soorten verkoop wordt aangeboden of voorhoudend."
(12)
Nog geen tien jaar na de verordening van 1865 kwam de gemeenteraad op 9 november 1874 met een nieuwe verordening tot wering van schadelijke voedingsmiddelen. Opvallend was dat deze nu ook in krant werd gepubliceerd. Uit artikel 3 van de verordening blijkt dat er keurmeesters worden aangesteld om de producten te controleren. Op 8 november 1876 werd de heer W. Brekelmans aangesteld als keurmeester.(13) Waarschijnlijk werd hij tijdelijk aangesteld en was hij afkomstig van de politie.
In 1880 hield de medische politie zich ook bezig met de keuring van levensmiddelen. Deze keuringen werden uitgevoerd door een veearts, de heer Boots. Op 26 april kreeg hij nog eens hulp van twee politie-inspecteurs en een deurwaarder die alle drie als keurmeesters fungeerden. Hierna wordt het een tijdlang stil rondom de aanstellingen en het functioneren van de keurmeesters. De gemeenteraad stelde pas weer in 1906 een nieuwe keurmeester aan, nadat verscheidene leden van de gemeenteraad klaagden over een gebrek aan keuringen.(14)
Uit al deze verordeningen krijgt men de indruk dat de gemeente geen structureel beleid voerde met betrekking tot de kwaliteit van het voedsel. Verordeningen dienden vooral ter
afschrikking. Vier keurmeesters op een bevolking van een stad die zich binnen twintig jaar verdubbelt was schrikbarend weinig.(15)
Nieuwe ontwikkelingen vanaf 1902
Op 6 december 1902 werd er in de gemeenteraad gesproken over de instelling van een commissie
"... welke eene nieuwe regeling der keuring van vleesch en visch zal voorbereiden."(16) Deze commissie trad pas op 5 februari daadwerkelijk in functie. Zij kreeg als taak de herziening van de keuringen,
waarschijnlijk de verordening van 1874. Ten tweede werd haar opgedragen een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden voor een abattoir. De commissie bestond uit J.M.J. Kerstens, L.J. Goyaerts en H. van
Dooren.(17)

Vleesdistributie in de boterhal naast het voormalige stadhuis in de periode 1914-1918; dus
nog voordat het slachthuis gebouwd was. V.l.n.r. Van Dusseldorp, directeur distributie;
Teijssen, keurmeester; Van der Schoot, distributie-ambtenaar; Melis, slager; dr. G.L.J. Gooren
(met bolhoed), directeur keuringsdienst; E. Smolders en L. Donders, slagers. (coll.
RHC Tilburg).
Behalve de Commissie ter herziening van de keuring op vlees en vis werd er op aandrang van de regering op 14 april 1903 een Gezondheidscommissie ingesteld. De leden van de commissie werden aangesteld door de Commissaris der Koningin van Noord-Brabant. Deze commissie was gedeeltelijk gefinancierd door het Rijk en gedeeltelijk door de gemeente Tilburg. Opvallend was dat de leden uit verschillende beroepsgroepen kwamen. De voorzitter G. van Zinnicq Bergmann was pastoor van
de parochie Noordhoek. Er namen ook apothekers, architecten en één fabrikant zitting. Zij hielden zich bezig met de toestand van water, bodem, lucht, volkshuisvesting, scholen, fabrieken, vervalsingen met voedsel, kortom een baaierd aan kwesties die niet strikt medisch van aard waren maar wel van groot belang voor de volksgezondheid. De secretaris van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Geneeskunst, kring Tilburg, was ook lid van de Gezondheidscommissie. Uiteindelijk zouden de Tilburgse kring en de Gezondheidscommissie nauw met elkaar gaan samenwerken. Zo namen zij samen deel aan een groot onderzoek in 1908 naar zuigelingensterfte.(18)
De één faalt, de ander slaagt
De Commissie tot herziening der regeling van de keuring van vlees en vis werd er regelmatig aan herinnerd dat ze een rapport over de keuring en de eventuele komst van een abattoir in Tilburg moest inleveren bij de gemeenteraad. De leden van deze commissie wisten voor lange tijd uitstel te krijgen voor dit rapport. In 1903 deelde de heer Kerstens de gemeenteraad mee dat
"[...] de commissie niet geheel werkloos was, doch dat het onderzoek zo omvangrijk blijkt dat de commissie nog geen rapport kan uitbrengen [...]."(19)
Het rapport zou uiteindelijk pas op 30 december 1907 verschijnen.(20) Het rapport bestond uit twee summier getypte vellen en een begeleidende brief. Daarin gaf de commissie twee redenen op waarom ze tegen de bouw van een abattoir was. De eerste reden was de waarschijnlijke komst van een rijkswet.
"Daar echter het wetsontwerp nog steeds in het verschiet blijft, hoewel het reeds den Raad van State bereikt heeft en aangezien den Raad thans het voorrecht heeft [...] hebben wij de eer [...] aan den Raad voor te stellen deze geheele aangelegenheid in handen van B&W en hen te verzoeken zoodra mogelijk eene verordering voor keuring van vleesch voor te stellen."
(21) De tweede reden was financieel. De kosten voor de bouw van een abattoir waren hoog. Wie moesten deze kosten betalen? De gemeente zou de kosten van de bouw en van de keuringen deels kunnen dekken door het heffen van tarieven voor elk beest en partij vlees die de keurmeesters keurden. De veehouders en slagerijen zouden op hun beurt de onkosten verrekenen in de prijs van hun
producten. De consumenten zouden met de prijsstijgingen worden geconfronteerd. Zij zouden wellicht om hogere lonen vragen aan hun werkgevers.
Veel van deze consumenten waren werkzaam in de textielindustrie. De leden van de commissie waren fabrikanten en ze zouden bij de bouw van een abattoir zichzelf financieel in de vingers snijden. De commissie tot herziening der regeling van de keuring van vlees en vis koppelde de uitbreiding van het keuringsproces aan de financiële haalbaarheid.
Op 30 oktober 1909 werd de Gezondheidscommissie door de gemeenteraad gevraagd om advies te geven over een ontwerpverordening. De Gezondheidscommissie stelde dat de keuring niet goed geregeld was. Eén keurmeester voor een snel groeiende stad is inderdaad een druppel op de gloeiende plaat. Zij adviseerde dan ook in haar jaarverslag vier à vijf keurmeesters aan te
stellen.(22) In tegenstelling tot de Commissie tot herziening der regeling van de keuring van vlees en vis, die uit fabrikanten bestond, leek de Gezondheidscommissie meer aandacht te hebben voor het algemeen belang.

Ontwerptekening voor het gemeentelijk slachthuis met veemarkt aan het Wilhelminakanaal
en Enschotsestraat door architect B.R. Ruigvoorn, 25 maart 1926. (coll. RHC
Tilburg).
De komst van een keuringsdienst zou echter voor enkele leden, artsen, apothekers en dierenartsen, van de Gezondheidscommissie financieel voordeel opleveren. Op 25 april 1910 werd er door de Gezondheidscommissie een geheel nieuwe, omgewerkte ontwerpverordening op de gemeentelijke keuringsdienst voor voedingsmiddelen en gebruiksartikelen bij de gemeenteraad ingediend.(23) Aan het einde van 1911 werd de Gezondheidscommissie verzocht om de vier voorgaande ontwerpverordeningen uit te werken. Deze verordeningen gingen alle vier over de keuring van levensmiddelen, een gemeentelijke keuringsdienst, een keuring op de invoer, doorvoer en uitvoer van vlees en een keuring op de verkoop van vlees en melk. Tijdens de gemeenteraadsvergadering op 23 september 1912 werden deze verordeningen aangenomen. Op 21 februari 1913 werd er door de raad een directeur aangesteld voor de Gemeentelijke Keuringsdienst. Deze zou op 1 mei datzelfde jaar in dienst treden.(24) De keuringsdienst in Tilburg was een feit.
De ontwikkeling van de Gemeentelijke Keuringsdienst van Waren tussen 1913 en 1921
Het opzetten van de Gemeentelijke Keuringsdienst werd vanaf het begin grondig aangepakt. De dienst werd gevestigd in het gebouw van Publieke Werken. De gemeenteraad stelde op 8 augustus een bedrag van 8390 gulden beschikbaar voor de inrichting van het gebouw, het laboratorium en de bouw van een keurlokaal. Toentertijd was dit een groot bedrag, want de prijs van een villa bedroeg toen dertigduizend gulden. Daar werd 3680 gulden voor de aankoop van instrumenten en andere benodigdheden vrijgemaakt aangevuld met andere uitgaven, zoals: 350 gulden aan chemicaliën en 180 gulden aan wetenschappelijke standaardwerken. Zo werd creolineolie aangeschaft om over het afgekeurde vlees te gieten, voordat het begraven werd op de vuilnisbelt. Elk jaar werd de inrichting van het laboratorium uitgebreid.(25)
De uitbreiding werd door de komst van de Eerste Wereldoorlog belemmerd, want veel instrumenten werden uit Duitsland geïmporteerd. Toch werd het laboratorium in 1916 uitgebreid met een chemicaliënkast, wat de veiligheid voor de werknemers vergrootte tijdens het werken met gevaarlijke stoffen. Ook kwam er een polarimeter, een instrument dat afzonderlijk en in een donkere ruimte geplaatst moest worden. Er werden verder enkele schrijftafels voor de scheikundigen aangeschaft zodat ze tijdens microscopisch onderzoek meer ruimte hadden om observaties te vermelden.(26) Het instrumentarium van de keuringsdienst was uitgebreid en van goede kwaliteit. Dit bleek wel uit het feit dat geneeskundigen regelmatig de keuringsdienst verzochten om wattenproppen met slijm te onderzoeken op ziektes zoals tbc.(27) Voor het steriliseren van vlees was de Tilburgse keuringsdienst echter afhankelijk van de keuringsdiensten in Den Bosch, Rotterdam en Utrecht.(28)

Overzicht van het nieuwe veemarktterrein aan de Enschotsestraat met op de achtergrond een
gedeelte van het nieuwe abattoir. Foto eind jaren twintig. (coll. RHC Tilburg).
Naast de jaarlijkse uitbreiding van het laboratorium werd het personeelsbestand ook jaarlijks uitgebreid. In 1912 bestond het personeel uit een directeur en drie keurmeesters. In 1914 kwam er bijvoorbeeld een bediende bij voor de bacteriologische afdeling. Deze bediende was afkomstig uit het centraal laboratorium ten behoeve van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid te Utrecht.(29) Twee jaar later werd het personeel weer aangevuld met een scheikundige en twee gediplomeerde keurmeesters. Deze keurmeesters waren afkomstig van de Rijksveeartsennijschool te Utrecht. Het personeel van de keuringsdienst was goed opgeleid en had de nodige ervaring; zo was de directeur G.L.J. Gooren adjunct-directeur in Nijmegen geweest.(30) De meeste keurmeesters, vooral voor vleeskeuring, waren veeartsen en waren opgeleid aan de Rijksveeartsenijschool te Utrecht. Hun vakkenpakket was zeer breed en varieerde van anatomie tot microbiologie en voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong.(31)
Schokkende ontdekkingen
De Tilburgse keurmeesters deden schokkende ontdekkingen tijdens het uitvoeren van hun werk. Zo werd er regelmatig verdorven en blauw gekleurd vlees aangetroffen. Dit vlees bleek soms na nader onderzoek wormen of andere soortgelijke ongedierten te bevatten. Ook werden er mensen betrapt op het stiekem invoeren en verkopen van vlees dat elders in de provincie was afgekeurd. Bakkers werden regelmatig betrapt op het sjoemelen met de bestandsdelen van het brood. In 1915 vond de dienst in het brood van een Tilburgse bakker voornamelijk houtzaagsel en stof in plaats van meel. Ook het vervoer van vlees en vis werd regelmatig gecontroleerd. Verscheidene malen traden de keurmeesters op tegen het onhygiënisch vervoeren. Dit gebeurde vaak in niet door zeil afgeschermde karren die over onbestrate en stoffige wegen gevoerd werden.(32)
Turbulente jaren voor de keuring in Tilburg
Tussen 1913 en 1922 keurde de Gemeentelijke Keuringsdienst naast gebruiksartikelen en voedingsmiddelen ook vlees en vee. In 1919 werd na een lange tijd uiteindelijk een ontwerpvoedselkeuringswet aangenomen door de Tweede Kamer. Deze trad in 1921 in werking. Deze wet had een lange weg afgelegd. Oud burgemeester G.R.C.M. Raupp had voor zijn aanstelling als burgemeester van Tilburg in 1907 nog deelgenomen aan een commissie die belast was met het opstellen van een landelijke ontwerpverordening voor de keuring van vlees.(33) Als gevolg van deze wet op de voedselkeuring onstonden de eerste regionale keuringsdiensten. De keuringsdienst voor voedsel en gebruiksartikelen in Tilburg verdween. Tilburg werd ingedeeld bij de regio Den Bosch.
De jaren 1921 en 1924 waren een rommelige tijd voor de keuring in Tilburg. Grote delen van de inventaris werden verkocht aan de dienst in Den Bosch. Alles wat men dacht te kunnen gebruiken voor de keuring van vee en vlees bleef in Tilburg, zoals de kleine microscoop, de polarimeter en de Gerber-centrifuge. De inventarisatie van de bacteriologische afdeling werd zelfs uitgebreid met een stoof voor het stollen van bloedserum en enkele proefdieren. Ook werd er in deze periode getracht om een zo goed mogelijk fundament te leggen voor de komst van een gemeentelijk slachthuis waarin de keuringsdienst voor vee en vlees zou worden opgenomen. Tijdens deze turbulente jaren werd het personeel lange tijd in onzekerheid gehouden over het behoud van hun baan. Er werd bijna geen personeel meer aangetrokken, of men werkte in los dienstverband. In 1921 werd de eerste vrouw aangenomen, een scheikundige, wier contract om de maand verlengd zou worden.(34)

Keurmeesters van de Gemeentelijke Keuringsdienst in een melklokaal dat volgens het nieuwe
melkbesluit was ingericht, 1929. (coll. RHC Tilburg).
Aan het begin van 1924 vond een reorganisatie plaats. Alle zaken die direct of indirect te maken hadden met het keuringproces, werden overgebracht naar het slachthuis. De afdeling administratie, voorheen gevestigd in het politiebureau, werd ook overgebracht. De afdeling voor noodslachtingen werd van de boterhal verplaatst naar het slachthuis.(35) In het jaarverslag van de keuring voor vee en vlees van 1924 schreef de directeur G.L.J. van Gooren dat het gebouw aan alle eisen voldeed.(36)
De ontwikkeling van het Gemeente Slachthuis tussen 1924 - 1935
Officïeel werd het slachthuis op 30 juni 1924 geopend. Pas op 4 augustus werd het slachten in het slachthuis verplicht. Deze kleine vertraging kwam door de installatie van een verbrandingsoven voor afgekeurd vlees. Direct na de opening was er een personeelstekort. Het personeelsbestand zou na 1924 flink groeien. Aan het begin van de economische depressie in 1931 zouden er 22 personen in vaste dienst zijn en 5 in losse dienst. In 1925 werd de slachtplaats uitgebreid met de bouw van een asfyxiatietoestel waarmee op verzoek van de eigenaren en de politie honden en katten gedood konden worden. Ook werd op 8 augustus 1925 het koelhuis eindelijk voltooid. Het koelhuis werd zeer
noodzakelijk geacht voor de keuring. Voorheen moesten de geslachte beesten in korte tijd onderzocht worden in verband met de ontbinding.(37) Het onderzoek moest binnen vier dagen voltooid zijn. In de zomer werd door de hitte het proces van ontbinding versneld zodat onderzoek niet altijd mogelijk was. Dankzij het koelhuis kon er meer tijd worden besteed aan het bacteriologisch onderzoek.
Ook kon er nu door de gedeputeerde, mits betaald uit eigen zak, een contra-inspectie gehouden worden. In 1924 stierven er 173 beesten aan de mysterieuze Brabantse ziekten.(38) De keuringsdienst stond voor een raadsel en er werd om avies van elders gevraagd. Een bacterioloog van het Rijk dr. H. van Straaten kwam tot de conclusie dat
"Ofschoon bacteriële factoren niet uitgesloten zijn, meer moet worden gedacht aan voedings-intoxicatie gepaard met individuele vatbaarheid."
(39)
Dr. De Blieck van de Veeartsenijkundige Hogeschool te Utrecht was in staat het ziektebeeld van de Brabantse ziekte op te wekken door voeding met sojameel. Deze Brabantse ziekte zou de Tilburgse veehouders nog enkele jaren in de ban
houden.(40)
In 1925 leende het slachthuis ook 43.000 gulden van de gemeente voor de bouw van een veemarkt. De veemarkt werd voorheen gewoon op de openbare weg gehouden. Elk jaar werd het slachthuis intensiever gebruikt; het aantal slachtingen nam snel toe.(41) Dit was volgens de directeur te danken aan de snelle groei van de bevolking
(42) en aan de opbloei van de handel en industrie en de stijging van het aantal slagerijen van 130 naar 180. Ook de wijze van slachten veranderde. Men paste de methode van Schermer toe. Dit hield in dat het dier na het bedwelmen door middel van een kruitlading een ijzeren pin in de hersens kreeg. De oude methode met pin en vuisthamer werd zodoende overbodig. Deze oude methode was vooral voor omstanders en uitvoerders zeer gevaarlijk.

Tilburgse keurmeesters aan het peilen van melk op de openbare weg te Berkel, 1929.
(coll. RHC Tilburg).
In 1928 ontving het slachthuis tweemaal een delegatie uit het buitenland. Eén groep bezoekers was afkomstig uit Londen en de andere uit Antwerpen. Vooral de laatste groep was vol lof over het Tilburgse
slachthuis.(43) In 1929 werd de wereld geconfronteerd met een grote economische crisis. In dat jaar werden er nog enkele grote investeringen gedaan. Zo werd de veemarkt overdekt en aan drie zijden afgesloten, het aantal koelcellen werd uitgebreid en er werden plannen gemaakt voor de komst van een destructor. Vanaf 1932 werd ook Tilburg geconfronteerd met de economische malaise. Op de gemeentelijke uitgaven werd flink gekort. Het bedrag dat op de jaarlijkse begroting stond, fluctueerde per jaar tussen de 150 en 600 gulden. Alleen noodzakelijke aankopen werden gedaan, zoals een weegschaal. Op de salarissen van het personeel werd elk jaar bezuinigd. Het zou tot 1939 duren voordat het slachthuis weer naar behoren zou functioneren, zoals voor 1932.
Conclusie
Na een lange periode van overleg in de gemeenteraad en met allerlei commissies kwam er een keuringsdienst tot stand. Vanuit de gemeente Tilburg kwam weinig initiatief. De Commissie tot herziening der regeling van de keuring van vlees en vis, ingesteld door de gemeenteraad, bestond uit fabrikanten. Zij hadden vanuit financieel oogpunt weinig belang bij de komst van een keuringsdienst en de bouw van een abattoir. Ook vanuit de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot beoefening der Geneeskunde, Tilburgse Kring, werd er aan het einde van de vorige eeuw weinig aandacht aan de keuring van voeding besteed. Op indirecte aandrang van de overheid en de hieruit voortkomende Gezondheidscommissie kreeg de opkomst van de keuringsdienst na de komst van een drinkwaterstelsel in Tilburg een flinke impuls. Deze gezondheidscommissie voldeed aan de omschrijving van de hygiënisten uit de vorige eeuw volgens Houwaart. De gezondheidscommissie bestond niet alleen uit artsen en dokters maar ook uit apothekers, onderwijzers en andere leden van de burgerij, die allemaal streefden naar verbetering van de volksgezondheid en de hygiëne.
De financiering van de keuringsdienst was net zoals bij de aanleg van het drinkwaterstelsel in Tilburg een groot struikelblok. Toch waren de komst van een drinkwaterstelsel en een keuringsdienst in Tilburg
noodzakelijk door de snel groeiende bevolking. Het grote verschil echter tussen de komst van het drinkwaterstelsel en de keuringsdienst was het belang van de fabrikanten. Het slechte Tilburgse water leverde voor de textielfabrikanten financieel nadeel op. Zo werd de wol aan het eind van de vorige eeuw niet in Tilburg gewassen maar in
Verviers.(44)
De keuringsdienst ging goed van start in Tilburg. Hij beschikte over een eigen gebouw en een uitstekend laboratorium. Desondanks bleef de dienst afhankelijk van andere diensten, zoals bij sterilisatie. Toch was er sprake van een modernisering in het keuringsproces. De landelijke reorganisatie in 1922 was de aanleiding om de
"afgeslankte" dienst te centraliseren in één gebouw. Daarin werden alle afdelingen die direct of indirect met de keuring van vee en vlees te maken hadden ondergebracht. Ook kwam er een koelhuis en werden er allerlei instrumenten aangeschaft, zoals de Gerber-centrifuge en een stoof voor het stollen van bloed om het keuringsproces sneller en efficiënter te laten verlopen. Het moderniseringsproces was afhankelijk van de begroting van de gemeente. Tijdens de economische crisis werden er bijna geen investeringen in nieuwe instrumenten gedaan.
Daadwerkelijk wetenschappelijk onderzoek werd in Tilburg niet uitgevoerd. Toch hadden veel personeelsleden een goede opleiding genoten, zoals de keurmeesters voor vlees die gestudeerd hadden aan de Rijksveeartsenijschool in Utrecht. Naast deze wetenschappelijke opleiding werd bij onzekerheden de hulp ingeroepen van wetenschappers en speciale instituten. Een goed voorbeeld hiervan was de Brabantse ziekte. Toentertijd werd aan verschillende mensen, zoals een bacterioloog van het Rijk en een docent aan de Veeartsenijkundige Hogeschool in Utrecht advies gevraagd.
Noten
(1) Gemeentearchief Tilburg (GAT), Oud-administratief archief, inv. nr. 26, Gemeenteresolutie 1688.
(2) C.G.W.P. van der Heijden, Kleurloos, reukloos en smaakloos drinkwater (Tilburg, 1995),
Het heeft niet willen groeien (Tilburg, 1995) en 'De Swaan getoetst. De aanleg en diffusie van het waterleidingstelsel in de industriestad Tilburg als collectief verzorgingsarrangement (1880-1910)', in:
Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, 1994, nr. 1, p. 52-76.
(3) E.S. Houwaart, De hygiënisten, artsen, staat en volksgezondheid in Nederland
1840-1890 (Maastricht, 1991), p. 17-26.
(4) Houwaart, De hygiënisten, hfst. 1.
(5) Ibidem, hfst. 1-5.
(6) GAT, Archief van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot beoefening der
Geneeskunst afd. Tilburg, inv. nr. 222, notulen 1849-1860 en 1905-1908.
(7) GAT, Archief van de Gezondheidscommissie, inv. nr. 12, notulenboek 1903-1911.
(8) GAT, Secretarie archief 1810-1907, inv. nr. 1592, Verordering 14 juli 1843, art. 1.
(9) Ibidem, art. 5.
(10) Ibidem, art.9.
(11) GAT, Secretaatrie-archief 1810-1907, inv.nr. 1593, verordening 19 september 1865.
(12) Ibidem art. 3.
(13) GAT, Secretarie-archief 1810-1907, inv.nr. 1594, Verordening tot wering van schadelijke voedingsmiddelen, 9 november 1874;
Tilburgsche Courant van 22 november 1874, voorpagina.
(14) GAT, Secretarie-archief 1810-1907, inv. nr. 116, Bekendmakingen nr. 235, april 1896; Gemeenteverslagen over Tilburg
1880, hfst.8 en 1906 hfst.3.
(15) H.L.H. Derks, 'De bevolkingsontwikkeling vanaf 1809 tot 1940', in: De opkomst van Tilburg als industriestad.Anderhalve eeuw economische en sociale
ontwikkelingen (Tilburg, 1959), p. 136-137: in 1870 22.466 inwoners, in 1880 28.989, in 1890 34.492 en in 1900 41.518.
(16) Gemeenteverslag over 1902.
(17) Ibidem.
(18) GAT, Archief van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot beoefening der Geneeskunst,
afd. Tilburg, inv. nr. 22, notulen 1907-1910; Secretarie-archief 1810-1907, inv. nr. 571, begroting der plaatselijke inkomsten en uitgaven 1904.
(19) Gemeenteverslag over 1903, p. 57.
(20) GAT, Secretarie-archief 1810-1907, inv. nr. 20, ingekomen stukken, 29 december 1907.
(21) Ibidem.
(22) GAT, Archief van de Gezondheidscommissie, inv. nr. 1 en 2, Jaarverslag 1909.
(23) Gemeenteverslag over 1910.
(24) Gemeenteverslagen over 1912 en 1913.
(25) Gemeenteverslag over 1914.
(26) Gemeenteverslag over 1916.
(27) Gemeenteverslagen over 1913-1910.
(28) Jaarverslag gemeentelijke Keuringsdienst 1915.
(29) Ibidem, 1914.
(30) Gemeenteverslag over 1912.
(31) P.A. Koolmees, Symbolen van openbare hygiëne (Rotterdam, 1997), hfst. 6.
(32) J aarverslag Gemeentelijke keuringsdienst Tilburg 1915 en 1916.
(33) GAT, Secretarie archief 1810-1907, inv. nr. 239, ingekomen stukken 29 december 1907; Koolmees,
Symbolen van openbare hygiëne, hfst. 6.
(34) Gemeenteverslagen over 1921, 1922 en 1923.
(35) Noodslachtingen: Dit zijn slachtingen die zo snel mogelijk uitgevoerd moesten worden als het dier ernstig verwond was of als een veearts een ernstige ziekte constateerde zoals: de vlekziekte, varkenspest etc. Vaak werden deze dieren na een noodslachting als tweede keus verkocht.
(36) Jaarverslag Gemeentelijke vleeskeuringsdienst 1924.
(37) Ibidem 1925.
(38) Brabantse ziekte: "(Du Dürener Rinderkrankheit) Een vergiftiging van runderen ontstaan door het eten van sojameel dat door middel van trichloor-ethyl is geëxtraheerd. De symptonen zijn hoge-koorts, diathese, ademnood, gezwollen lever en leukopenie. Vaak sterven de dieren binnen 2-8 dagen. De therapie is slechts symptomatisch en meestal zonder resultaat."
Grote Winkler Prins, 7e dr. (1947-1954), p. 443.
(39) Jaarverslag keuringsdienst vee en vlees en Gemeente Slachtplaats
1925.
(40) Jaarverslag keuringsdienst vee en vlees en Gemeente Slachtplaats
1924.
(41) Het aantal slachtingen: 1913 2.232, 1920 16.475, 1923 21.699, 1928 24.385 en 1932 28.798. GAT, Jaarverslagen Gemeente Keuringsdienst 1913-1923 en Jaarverslagen Gemeente Slachtplaats Tilburg 1924-1936, inv. nr. 3179.
(42) In 1920: 63.066 mensen, 1925: 70.834 en 1930: 78.651.
(43) Jaarverslag Gemeente Slachtplaats 1928.
(44) Van der Heijden, 'De Swaan getoetst'.
* Jos van Schilt (1972) studeert economische en sociale geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht. Dit artikel kwam tot stand dankzij de begeleiding van prof. dr. M.P. Prak, hoogleraar economische en sociale geschiedenis.




