Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
561. Geen echo, maar een geluid met nieuwe klanken
 

Titel:   

Geen echo, maar een geluid met nieuwe klanken

Ondertitel:   

Een terugblik op de bedrijfsgeschiedenis van de NV Tilburgsche Waterleiding-Maatschappij (1)

Auteur:   

Cor G.W.P. van der Heijden*

Jaargang:   

XX (2002) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

2

Pagina’ s:   

71-78





Waterput ca. 1900. Foto Henri Berssenbrugge (coll. RHC Tilburg)

Bedrijfsgeschiedenis is lange tijd een onderschoven kindje van de geschiedschrijving geweest. De economisch-historicus prof. Joh. de Vries maakte ruim 25 jaar geleden een treurige balans op: de meeste boeken worden geschreven door 'een bonte stoet van auteurs: historici van diverse pluimage, ook boekhouders, procuratiehouders, zeggen we maar: oudgedienden van de bedrijven zelf, voorts journalisten, romanciers, dichters en tenslotte onbekenden, zoals het dan heet: samengesteld door het bureau van het bedrijf'.(2) Die tijd is nu voorbij. 

Aan twee universiteiten zijn onderzoeksinstituten opgericht voor opdrachten van bedrijven: het Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur aan de Universiteit Utrecht en het Centrum voor Bedrijfsgeschiedenis aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam. Aan de beide Amsterdamse universiteiten gebeurt in feite hetzelfde, maar daar is het niet geïnstitutionaliseerd. ABN-AMRO en Philips hechten blijkbaar zo’n grote waarde aan het boekstaven van het verleden van hun bedrijf dat ze zelfs een eigen kroniekschrijver in dienst hebben.(3) 

Verder is er een groot aantal 'vrije jongens' op de markt actief. Tien historische onderzoeksbureaus, met (bedrijfs)geschiedschrijving in opdracht als hoofdmoot van hun werkzaamheden, hebben inmiddels hun krachten gebundeld om een tegenwicht te bieden aan de concurrentie vanuit de universiteiten. Deze onderzoeksbureaus met klinkende namen als Histodata, Memoriael, ReGister en Signifikant, zijn vaak eenmansbedrijfjes. Voor een deel verrichten deze bedrijven onderzoek in opdracht van overheidsinstanties.(4) Maar het liefst timmeren ze toch aan de weg met in opdracht geschreven geschiedenissen van bedrijven en instellingen.

De voorbije jaren is er een felle discussie gevoerd over de waarde van deze bedrijfshistorie-nieuwe-stijl.(5) De eerste aanval in de flank werd eind 98 ingezet door de onlangs overleden journalist Wim Wennekes, auteur van het inmiddels vermaarde boek De aartsvaders, waarin de ontstaansgeschiedenis van dertien grote Nederlandse bedrijven beschreven is. In de Volkskrant beweerde hij dat bedrijfshistorici niet zouden zoeken naar ´de waarheid en niets dan de waarheid´.(6) Zij zouden zich in de luren laten leggen door hun opdrachtgevers: ´Steeds méér wetenschappelijk geschoolde bedrijfshistorici lijken er geen moeite mee te hebben als bedrijven in ruil voor een zak met geld wensen uiten, eisen stellen en over de schouders meelezen, schrappen en bijsturen.´ Het onder vuur genomen legertje van bedrijfshistorici sloot de rijen en antwoordde eensgezind dat Wennekes onzin uitkraamde en dat hun geschiedbeoefening wetenschappelijk verantwoord is en dat zij de geschiedwetenschap met hun werk wel degelijk vooruithelpen.

Moet ik me door deze aantijging van Wennekes aangesproken voelen? Jazeker: ook ik heb immers een in opdracht geschreven jubileumboek op mijn naam staan.(7) Enige zelfreflectie is dan ook op zijn plaats. Laat ik beginnen met te stellen dat mijn in 1995 verschenen boek over de NV Tilburgsche Waterleiding-Maatschappij niet het laatste woord over de eerste honderd jaar van dit bedrijf bevat. Directeur ir. L. Stok stelde me in het begin, toen hij iets van scepsis mijnerzijds ontwaarde – ik was immers toen op dit terrein nog maar een beginneling – gerust met de mededeling dat het een relatief eenvoudige klus zou worden want ‘we hebben nagenoeg alles bewaard.’ Hiermee leek hij toen geen woord te veel gezegd te hebben. Een eerste oriënterend bezoek overtuigde me ervan dat de NV Tilburgsche Waterleiding-Maatschappij inderdaad over een uitgebreid archief beschikt. Dat was toen nog goed weggestopt in een speciale ruimte in het pompstation aan de Gilzerbaan. Maar het archief was niet opgeschoond en niet geïnventariseerd. Al snel was me duidelijk dat er veel te vinden was. Maar waar en hoe? Het was het zoeken naar de spreekwoordelijk geworden speld in een hooiberg. Alleen al om deze praktische reden was het schrijven van een allesomvattende studie onmogelijk. Pas na het overbrengen van het bedrijfsarchief bleek tijdens het inventariseren dat ik indertijd – zonder dat er kwade opzet in het spel was – lang niet alles onder ogen gekregen kon hebben: essentiële onderdelen van het bedrijfsarchief kwamen pas later boven tafel.(8) 

Drinkwater als collectieve voorziening (9)
 
Ondanks deze evidente tekortkoming wil ik me toch wagen aan een korte evaluatieve terugblik. In deze inleiding zal ik een antwoord proberen te geven op de vraag of ik met mijn onderzoek naar de handel en wandel van de TWM de wetenschap een dienst heb bewezen of niet. Ik zal daarbij mijn studie naar het Tilburgse drinkwaterbedrijf bezien in relatie tot een bekende theorie van Abram de Swaan over collectieve verzorgingsarrangementen en ik zal het belang van het drinkwater als verklarende factor voor de daling van de zuigelingen- en kindersterfte in perspectief plaatsen.

Op het moment dat ik – dat was de voorwaarde om toegang tot het rijke, maar nauwelijks ontsloten archief van de NV Tilburgsche Waterleiding-Maatschappij te verkrijgen – me verplichtte tot het schrijven van een boek over dit bedrijf, was ik sterk onder de indruk van de in dat jaar verschenen belangwekkende studie van de Amsterdamse socioloog Abram de Swaan, Zorg en de staat. (10)
Als centraal uitgangspunt diende voor De Swaan de vraag: ´Hoe en waarom kwamen mensen ertoe om collectieve, nationale en bindende regelingen te treffen ter bestrijding van tekorten en tegenslagen die hen elk toch afzonderlijk troffen en die individuele remedies leken te vereisen?´(11) Het antwoord van De Swaan is in eerste instantie theoretisch en niet historisch. Volgens hem vormt het tot stand komen van collectieve en dwingende voorzieningen de centrale dynamiek in de ontwikkeling van de verzorgingsstaat. Sociale voorzieningen vormen met andere woorden een 'collectief goed'. De productie van dit collectief goed confronteert de betrokkenen (natiestaten, stadsbesturen, activistische elites, enz.) met het bekende probleem van collectieve actie, namelijk het free-rider-fenomeen. Elke betrokkene die iets aan een sociaal probleem wil doen, moet ervaren dat ook anderen, die niets aan die inspanning hebben bijgedragen, mee de vruchten plukken van zijn actie. Om dit probleem op te lossen dienen verzorgingsarrangementen steeds grootschaliger, omvattender, centralistischer en dwingender gemaakt te worden. Telkens krijgt men immers met nieuwe risico's van ontduiking of afschuiving te maken. Daarbij ontstaan steeds hevige belangenconflicten binnen de elites.

De Swaan lijkt ervan uit te gaan dat een verstatelijkte collectivisering een welhaast onvermijdelijke uitkomst is en voor alle partijen uiteindelijk de meest voordelige oplossing biedt.(12)
De Swaan behandelt uiteenlopende vormen van verzorging en sociale politiek: achtereenvolgens passeren de armenzorg, het volksonderwijs, de stedelijk-hygiënische politiek, de onderlinge arbeidersverzekeringskassen en de sociale zekerheid de revue. Het theoretisch kader dat De Swaan hanteert, vindt zijn meest vruchtbare toepassing in de hoofdstukken over armenzorg en de stedelijk-hygiënische politiek. Beide onderdelen werden in voorbereidende publicaties reeds uitvoeriger uitgewerkt.(13) 

In dit verband wil ik nader ingaan op laatstgenoemd onderdeel, de stedelijk-hygiënische politiek. Volgens De Swaan waren met name de massale uitbarstingen van de cholera, die in de negentiende eeuw Europa periodiek teisterden (1832, 1848/49, 1853/55, 1859, 1866/7), van doorslaggevende betekenis voor het veranderend bewustzijn op het terrein van de hygiënische voorzieningen in de steden. ‘In de volksverbeelding van die dagen verenigde het spookbeeld van de cholera in één grote obsessie de preoccupatie met bestaanswijzen en beproevingen van de armen, met de sanitaire gevaren die daarin scholen voor de gevestigde burgerij, en met de noodzaak van stedelijke en bestuurlijke hervorming. Haast alle stedelijke bekommernis om orde, fatsoen en reinheid kon worden samengevat in dit paradigma van ziekte en besmetting, en tegelijk zinspeelde die notie al op een programma van preventie. De massa-epidemieën boden daarbij een treffend beeld voor de interdependentie tussen stadsgenoten die armen en rijken, gevestigden en nieuwkomers, onwetenden en ontwikkelden gelijkelijk verbond.’(14) 

Krotwoningen in de Oerlesestraat omstreeks 1914 (Coll. RHC Tilburg).

Hoewel medici onderling scherp van mening verschilden over de wijze waarop de besmetting om zich heen greep, zat de schrik er goed in. Met de cholera-epidemieën waren de armen op een nieuwe manier een bedreiging gaan vormen voor de meer gevestigde stedelingen. Niet alleen hun zedeloosheid en neiging tot misdadigheid of volksoproer maakten hen tot een gevaar, van nu af aan vormden zij kennelijk ook een besmettingshaard die zelfs de beter gesitueerden kon aantasten.(15) Een voorhoede van artsen, ingenieurs en ambtenaren, bekend onder de verzamelnaam 'hygiënisten', trachtte een plan de campagne op te stellen om nieuwe epidemieën te voorkomen.(16) Zij gingen op onderzoek uit in krottenwijken, betraden de allerellendigste onderkomens, inventariseerden de woonomstandigheden, hielden tellingen van ziektegevallen, namen watermonsters en inspecteerden mesthopen en vuilnisbelten.(17) Alles ter wille van de bewijsvoering voor de oorzakelijke keten van armoede via vervuiling naar besmetting.(18) De vooral tot het midden van de vorige eeuw populaire miasmatheorie verschafte de argumenten voor een ingrijpende hervormingsactie.(19) Maar eerst moest het veel te veel omvattende idee van 'vervuiling' worden toegespitst op een meer specifieke notie van 'organische waterverontreiniging'. Pas daarmee kon een algemeen program voor sociale hervorming worden ingeperkt tot een uitvoerbaar en betaalbaar, zij het nog altijd ingrijpend en kostbaar plan voor de aanleg van stedelijke waterwerken.

Aanvankelijk stond bij de hygiënistische medici en verlichte stadsbestuurders de afvoer van vuilnis en menselijke uitwerpselen voorop. Ze beseften pas geleidelijk dat dit een permanente en toereikende toevoer van vers water vereiste om de straten schoon te spoelen en afval en faecaliën te verwijderen. Dat ook schoon drinkwater een absolute noodzaak voor de volksgezondheid was, drong langzamer tot de autoriteiten door.(20) Pas in de jaren zestig van de negentiende eeuw bereikte dit idee de status van een onomstreden vastgesteld wetenschappelijk feit. En dit leverde weer een extra en doorslaggevend argument voor een fijn vertakt toevoernet van stromend schoon water.(21) 

De netwerkstructuur met een abonnementenstelsel bood een eerste uitweg uit de dilemma's die het collectiviseringsproces met zich meebracht. Maar toch deden zich nog steeds verstorende effecten voor. Op de eerste plaats zou het in wijken met een sterk gemengde bevolking onbetaalbaar zijn om voor een enkel op reinheid gesteld gezin de pijplijnen door te trekken als de rest van de straat van aansluiting verstoken bleef. Ten tweede zou zo'n uitzonderlijke abonnee nog steeds de stankoverlast en het besmettingsgevaar van de buren zonder aansluiting moeten verduren. En ten derde: al werd een hele buurt aangesloten, dan nog bleven wijken die niet op het net aangesloten waren een mogelijke besmettingshaard voor de stad als geheel.(22) 

De Swaan stelt vervolgens dat de aanleg van stedelijke waterwerken pas op gang kwam nadat in steden een proces van sociale homogenisering binnen wijken en sociale segregatie tussen wijken een vergevorderde fase had bereikt.(23) Hierdoor konden de bewoners van deftiger buurten gemeenschappelijke voorzieningen treffen in het vertrouwen dat hun even goed gesitueerde buren erin zouden deelnemen en dat de armen er niet zonder bijdrage van zouden profiteren.(24) De Swaan is op dit punt erg duidelijk: ‘stedelijke voorzieningen ... kwamen op de eerste plaats de rijkere burgers ten goede.’(25) Dat de stedelijke elite het voortouw nam om tot de aanleg over te gaan is voor hem evenzeer evident. In het concluderend hoofdstuk van Zorg en de staat vat De Swaan het aldus samen: ‘Ondertussen verhuisden burgers die het zich konden veroorloven naar ´betere´ buurten. ... In de nieuwe, rijke buurten stelde dit proces de stedelijke elite beter in staat om collectieve actie te voeren ter afzwakking en beheersing van de externe effecten die de armoede in de bredere stedelijke context teweegbracht ... Rioleringen en waterleidingen, gasbuizen en electriciteitskabels, transport, metrobuizen en telefoonlijnen verbreidden zich door de stad. Tegen het eind van de negentiende eeuw werden ze meestal eerst in de rijkere buurten aangelegd, en ze vertakten zich vandaar totdat de stad er vrijwel mee verzadigd was en alleen nog de arme wijken aangesloten moesten worden, wat dan onder overheidsdwang en tegen slechts marginale kosten gebeurde.’(26) 

Houten privaat achter een boerderij. Foto Henri Berssenbrugge omstreeks 1900 
(Coll. RHC Tilburg)


Tot zover de opvattingen van Abram de Swaan. Voor Tilburg haalde ik een heleboel empirische onderzoeksgegevens boven water, met name de reconstructie van de onderhandelingen die resulteerden in de aanleg van een drinkwaterleidingstelsel in Tilburg, en de daarop volgende diffusie van deze innovatie zijn in dit verband van belang. Bij een toetsing van deze algemene theorie van De Swaan aan deze onderzoeksresultaten – waarvan ik reeds eerder uitvoerig verslag heb gedaan – blijkt maar weinig van hetgeen De Swaan in zijn Zorg en de staat naar voren gebracht heeft een rol te hebben gespeeld.(27) Puntsgewijs zal ik de conclusies uit deze studie op een rij zetten.

1. De Swaan beweerde dat van de overheden (met name de gemeentelijke overheid) een belangrijke stimulans uitging bij het ontwikkelen van plannen om te komen tot de aanleg van een ´aderlijk-slagaderlijk stelsel´. Het Tilburgse gemeentebestuur - en op dit terrein deelden het college van B & W en de gemeenteraad dezelfde mening - nam in dezen een extreem afwachtende houding aan. Het college stond positief tegenover een eventuele aanleg van een drinkwaterleidingstelsel, maar de aanleg en exploitatie moest geheel geschieden buiten de gemeentelijke verantwoordelijkheid om. Van financiële participatie kon onder geen enkele voorwaarde sprake zijn; zelfs een borgstelling stuitte op onoverkomelijke bezwaren.

2. De Swaan beweerde dat de angst bij de stedelijke elite om zelf het slachtoffer te worden van de onreinheid van de armen een belangrijk motief vormde om zich in te spannen voor de aanleg van een drinkwaterleidingstelsel en riolering. De armen waren een gevaar voor de gezondheid van de beter gesitueerden geworden. In termen van De Swaan: ´Haast alle stedelijke bekommernis om orde, fatsoen en reinheid kon worden samengevat in dit paradigma van ziekte en besmetting, en tegelijk zinspeelde die notie al op een programma van preventie.´(28) De Tilburgse notabelen, met name de fabrikanten, die de meerderheid in de gemeenteraad vormden, lieten zich in het geheel niet leiden door hygiënische overwegingen en hun handelen werd zeker niet bepaald door angst voor hun eigen gezondheid. Daar zij de politieke touwtjes stevig in handen hadden, konden zij, indien gewenst, besluiten om voor rekening van de gemeente tot aanleg van een drinkwaterleidingstelsel over te gaan. Deze gedachte kwam geen enkele keer bij hen op. In het gehele onderzoek naar de financiële haalbaarheid van een drinkwaterleidingstelsel stonden argumenten van economische aard centraal. Het belang van goed drinkwater voor de volksgezondheid werd wel erkend, maar speelde in de afweging geen rol van betekenis.

3. De Swaan veronderstelde dat de burgerij als eerste zou profiteren van de aangelegde voorzieningen, zoals het drinkwaterleidingstelsel. Uit mijn onderzoek blijkt dat onder de beter gesitueerden het percentage aangeslotenen weliswaar iets hoger ligt dan onder de minder draagkrachtige Tilburgers, maar dat het onderscheid van bescheiden betekenis is. Dat de Tilburgse burgerij prompt en massaal de overstap van 'pomp' naar 'kraan' maakte, zodra ze daartoe in de gelegenheid werd gesteld, blijkt niets. Slechts onder de inkomensklasse van f 10.000 en meer koos gedurende het eerste decennium van het bestaan van de N.V. Tilburgsche Waterleiding-Maatschappij iets meer dan de helft voor aansluiting op het drinkwaterleidingstelsel. Veelzeggend is voorts het gegeven dat een relatief omvangrijke groep bewoners van kleine huurwoningen (drie of minder ter bewoning bestemde vertrekken) wel over leidingwater konden beschikken: ruim 70% van de in 1906 aangesloten woningen betrof huurwoningen.

Op grond hiervan concludeerde ik dat enige voorzichtigheid met De Swaans ´jumbo-history´ geboden lijkt. Zijn studie Zorg en de staat is door enkele recensenten opgevat als een morele verdediging van de verzorgingsstaat. Vooral de conclusie van De Swaan laat zich lezen als een ´lof der rationaliteit´. Het is de vraag of De Swaan zich in dezen niet schuldig gemaakt heeft aan finalistisch redeneren. Vanuit het eindpunt - de verzorgingsstaat - werden lijnen terug in het verleden getrokken. Op het gebied van welzijn, onderwijs en gezondheidszorg deden zich ontwikkelingen voor die zich het best onder de vleugels van ´collectivisering-civilisering-professionalisering´ laten vangen. De burgerij ontpopte zich als een bezorgde en zorgzame moederkloek voor de arbeidersklasse, die als een onwetende en weerloze groep eendagskuikens kansloos leek tegen de grote boze buitenwereld vol verraderlijke roofdieren, die hun kansen berekenden. Met mijn detailstudie maakte ik duidelijk dat 1) de Tilburgse notabelen de vergelijking met de 'bezorgde en zorgzame moederkloek' niet kunnen doorstaan; 2) de Tilburgse arbeidersklasse in haar sanitaire leefsituatie niet als een 'onwetende en weerloze groep eendagskuikens' beschouwd mag worden; en 3) de situatie op het gebied van de drinkwatervoorziening in Tilburg niet als 'de grote boze buitenwereld' omschreven mag worden. Het 'model-De Swaan' sluit, wat betreft de aanleg van het 'aderlijk-slagaderlijk stelsel', niet bij de feitelijke ontwikkelingen en gebeurtenissen in het Tilburg van rond de eeuwwisseling aan. 

Drinkwater en zuigelingensterfte

Ook ten aanzien van het tweede punt waar ik nader op wil ingaan (de invloed van het drinkwater op de omvang van de zuigelingen- en kindersterfte), kwam ik – vooral op basis van archiefbescheiden van de NV Tilburgsche Waterleiding-Maatschappij – tot opmerkelijke conclusies. In Het heeft niet willen groeien volgde ik de ontwikkeling van de zuigelingen- en kindersterfte in Tilburg gedurende een periode van meer dan een eeuw. In Tilburg was sprake van een forse toename van de omvang van de sterfte onder het jongste segment van de bevolking en daarmee was deze Brabantse industriestad in zekere zin exemplarisch voor wat er zich op het gebied van de sterfte onder zuigelingen en kinderen in het zuiden van ons land afspeelde. Om meer greep op de ontwikkeling te krijgen werd een nadere uitsplitsing in leeftijdscategorieën gemaakt: binnen de eerste levensmaand (de endogene zuigelingensterfte), de 2e-12e maand (de exogene zuigelingensterfte) en het 2e-5e levensjaar (de kindersterfte). De toename van de totale zuigelingen- en kindersterfte bleek vooral veroorzaakt te zijn door een enorme stijging van de exogene zuigelingensterfte. Terwijl deze voor 1860 een constant niveau van 65 à 86‰ kende, zette zich nadien een sterke stijging in om rond de eeuwwisseling een piek van 140‰ te bereiken. Vervolgens daalde in een korte tijdspanne de exogene zuigelingensterfte met ongeveer 100‰.

Het belangrijkste doel van mijn onderzoek was zicht te krijgen op de factoren die van invloed waren op de hoogte van de zuigelingen- en kindersterfte. Hierbij werd de nadruk gelegd op de exogene zuigelingensterfte. Het belang van elke variabele die in de vakliteratuur als relevant wordt genoemd, werd telkens in een explorerend hoofdstuk beschreven. De belangrijkste resultaten zal ik kort samenvatten.(29) 

Van de demografische variabelen speelden er enkele een rol van betekenis. Zo was gedurende de gehele onderzoeksperiode de sterftekans bij jongens groter dan bij meisjes. Ook het rangnummer binnen het gezin was van invloed op de overlevingskans. Hoe meer kinderen er reeds binnen het gezin aanwezig waren, hoe groter de kans op vooral exogene zuigelingensterfte. Nauw hiermee samenhangend bleek dat de sterfte onder borelingen met een naar verhouding al wat oudere moeder hoger was. De zich vanaf 1860 inzettende toename van de exogene zuigelingensterfte deed zich overigens bij alle leeftijdscategorieën voor. Een opmerkelijk verschijnsel is dat de zuigelingensterfte vooral geconcentreerd was in de warme zomermaanden. Onder baby's die in deze maanden geboren werden, was de endogene zuigelingensterfte dan ook veel hoger dan onder hen die in de overige maanden van het jaar geboren waren. Bij de exogene zuigelingensterfte waren de geboortemaanden februari-juli oververtegenwoordigd.

De algemene levensvoorwaarden bleken van minder belang te zijn dan op grond van de literatuur verondersteld kon worden. De sociale status van het beroep van de vader bleek maar in beperkte mate te correleren met de sterftecijfers. De vaders van de in 1904/1906 geboren kinderen werden in inkomensgroepen gerubriceerd. Hierbij tekende zich wel een verband af - een hoog inkomen ging gepaard met lagere sterftecijfers - maar dit bleek statistisch van gering belang te zijn. Van deze groep werd eveneens de huisvestingssituatie geanalyseerd. Het bleek van ondergeschikt belang te zijn hoe lang het betreffende gezin reeds in Tilburg woonachtig was. Wel van belang was het aantal adressen waarop het gezin gedurende de eerste levensjaren van het kind woonde. Bij honkvaste gezinnen was in het begin van deze eeuw de sterfte beduidend lager. Opmerkelijk was het onderzoeksresultaat dat er nauwelijks verband bestaat tussen de grootte van de bewoonde woning en de hoogte van de zuigelingen- en kindersterfte.

Moeder en kind in een tenen wieg. Foto Henri Berssenbrugge omstreeks 1900 (Coll. RHC Tilburg).

Bij de beschrijving van de medische voorzieningen bleek dat het gangbare beeld uit de medisch-historische literatuur enige nuancering behoeft. Het geheel van de medische voorzieningen biedt geen afdoende verklaring voor de omvang van de zuigelingen- en kindersterfte in Tilburg. De veranderingen in aanbod van medische voorzieningen en de vraag daarnaar hielden geen gelijke tred met de ontwikkelingen die zich in de periode 1820-1930 met betrekking tot de zuigelingen- en kindersterfte voordeden. In een periode dat voor iedereen in principe betaalbare geneeskundige zorg beschikbaar was (en waarvan ook in toenemende mate gebruikgemaakt werd), steeg de exogene zuigelingensterfte zelfs nog in aanzienlijke mate.

Het onderzoeksmateriaal liet voor het eerste decennium van deze eeuw een directe toetsing toe van de stelling als zou de kwaliteit van het drinkwater van beslissende invloed zijn op de hoogte van vooral de zuigelingensterfte.(30) Geheel in strijd met deze these, bleek in Tilburg zowel de endogene als de exogene zuigelingensterfte hoger te zijn bij die gezinnen waar een aansluiting op het drinkwaterleidingstelsel was. De kindersterfte was er overigens beduidend lager. In onderstaande tabel zijn voor de onderscheiden leeftijdsgroepen de uitkomsten weergegeven:

Omvang van de zuigelingen- en kindersterfte van de in 1904/1906 in Tilburg geboren kinderen, uitgesplitst naar het wel / niet aangesloten zijn op de waterleiding (in promille)
N endogene  kindersterfte exogene zuigelingensterfte kindersterfte
wel aangesloten 768 39,1 147,1 16,0
niet aangesloten 4096  35,4  136,2  54,9


Via een omweg was ook toetsing van de stelling van Vandenbroeke, Van Poppel en Van der Woude mogelijk.(31) Zij beweerden dat de wijze waarop zuigelingen gevoed werden een grote invloed op hun overlevingskans had. Uit het in deze studie gepresenteerde materiaal, dat vooral betrekking heeft op het begin van de twintigste eeuw, blijkt dat de sterfte onder zuigelingen die naar alle waarschijnlijkheid met kunstvoeding werden gevoed bijna driemaal zo hoog was als bij kinderen die gedurende langere tijd de moederborst kregen. Ook de analyse van de doodsoorzaken leverde voldoende indicaties om te kunnen stellen dat in dit concrete geval de wijze van voeding de belangrijkste bepalende factor is bij de verklaring van de hoogte van de zuigelingen- en kindersterfte.

Met name de conclusie dat de kwaliteit van het drinkwater van geen invloed was op de omvang van de zuigelingensterfte, baarde veel opzien. Samen met dr. Frans van Poppel heb ik dit onderzoeksresultaat in een breder perspectief geplaatst(32). Op basis van een zeer uitgebreid aantal gedetailleerde studies – dat zowel betrekking heeft op het verleden als op het heden – kwamen we tot de conclusie dat de Tilburgse empirische data niet op zichzelf staan, maar overeenkomen met wat ook voor andere plaatsen geldt. Tot onze verbazing merkten we dat in verslagen van tal van ontwikkelingsprojecten op het gebied van gezondheid en sanitaire voorzieningen in derdewereldlanden, steeds opnieuw melding wordt gemaakt van het feit dat, als er alleen maar een nieuw drinkwaterleidingstelsel aangelegd wordt, dit nauwelijks van invloed is op de algemene gezondheidstoestand in de betreffende regio. Slechts indien de verbetering van de drinkwatervoorziening deel uitmaakt van een veel ruimer pakket van maatregelen, dan werpt dit positieve resultaten af. Voor veel derdewereldlanden blijkt zelfs dat de kwantiteit van het water vele malen belangrijker is dan de kwaliteit van het water.
Ook toen de Tilburgse data uit het eerste decennium van de twintigste eeuw een geavanceerde statistische bewerking ondergingen, bleef de validiteit recht overeind. Zo kon, op basis van een historische studie, het beleid van wereldwijde organisaties als de VN, van een belangrijke voetnoot voorzien worden.

De aanleg van de waterleiding in de Goirkestraat in 1900 (Coll. RHC Tilburg).


Met deze twee voorbeelden is voldoende aangetoond dat mijn onderzoek in het archief van de NV Tilburgsche Waterleiding-Maatschappij de wetenschap wel degelijk iets verder vooruitgebracht heeft. Het heeft niet alleen een handzaam boekje opgeleverd, waarin enkele facetten onder het vergrootglas zijn gelegd die voor de kennis van de lokale geschiedenis van belang zijn; hierbij denk ik dan in de eerste plaats aan wat in de volksmond de ‘Waterleidingpartij’ genoemd werd. De blijvende wetenschappelijke waarde zit hem, ironisch genoeg, in de door mij in ander verband nader uitgewerkte onderdelen die in een bedrijfsgeschiedenis an sich minder relevant zijn. De in het begin van deze bijdrage door Joh. de Vries genoemde ‘bonte groep van auteurs’ die zich in het verleden belastten met het schrijven van bedrijfsgeschiedenissen, zouden om uiteenlopende redenen nooit deze zijpaden betreden hebben, waar ik me wel op waagde. Daarom ben ik achteraf blij dat indertijd directeur ir. L. Stok op het idee is gekomen om ‘het mes aan twee kanten te laten snijden’.(33) Als hij, op grond van de vandaag te presenteren inventaris van het archief van de NV Tilburgsche Waterleiding-Maatschappij, tot de conclusie komt dat er een meer volledige en genuanceerde terugblik nodig is, dan weet hij dat er in meer dan één vijver vissen gevangen kunnen worden.


Noten

(1) Dit artikel bevat de geannoteerde tekst van een inleiding, gehouden bij de officiële presentatie van de inventaris van het archief van de NV Tilburgsche Waterleiding-Maatschappij op 22 november 2001 in het Regionaal Historisch Centrum Tilburg.
(2) Joh. De Vries, ‘De stand der bedrijfsgeschiedenis in Nederland’ in: P.A.M. Geurts en F.A.M. Messing, red., Theoretische en methodologische aspecten van de economische en sociale geschiedenis (2 dln.; Den Haag, 1979) II, 110.
(3) Op dit ogenblik is drs. T. de Graaf als bedrijfshistoricus in dienst bij ABN-Amro en dr. I. Blanken bekleedt een vergelijkbare positie bij Philips.
(4) Vooral het reconstrueren van de bebouwingsgeschiedenis van bepaalde percelen waarvoor een milieuvergunning moet worden afgegeven vergt veel hoogwaardig en gespecialiseerd onderzoek.
(5) Voor een samenvatting van deze discussie, zie: C. van der Heijden, ‘In opdracht geschreven. Bedrijfsgeschiedenis heeft één elementaire zwakte: afhankelijkheid’ in: NRC Handelsblad, 25 november 2000.
(6) W. Wennekes, ‘Geschiedenis is geen koopwaar’ in: De Volkskrant, 21 december 1998.
(7) C.G.W.P. van der Heijden, Kleurloos, reukloos en smaakloos drinkwater. De watervoorziening in Tilburg vanaf het einde van de negentiende eeuw (Tilburg, 1995). Toen ik zelf in 1989 de opdracht aanvaardde om de geschiedenis van de NV Tilburgsche Waterleiding-Maatschappij te boekstaven, was ik bezig met een wetenschappelijk onderzoek naar de omvang van de zuigelingen- en kindersterfte in Tilburg in de periode 1820-1930. Bij het zoeken naar de verklaring van het gevonden patroon – een sterke toename in de loop van de tweede helft van de negentiende eeuw en een nog snellere daling vanaf 1915 – stuitte ik onder andere op het belang van de drinkwatervoorziening. In de literatuur wordt aan het belang van ‘kleurloos, reukloos en smaakloos drinkwater’ een hoofdrol toegekend bij het terugdringen dan wel laag houden van het sterftecijfer. De resultaten van dit onderzoek verschenen ongeveer gelijktijdig met het boek over het Tilburgse waterleidingbedrijf, in: C.G.W.P. van der Heijden, Het heeft niet willen groeien. Zuigelingen- en kindersterfte in Tilburg, 1820-1930. Omvang, oorzaken en maatschappelijke context (Tilburg, 1995).
(8) Zie daartoe de aankondiging in de nieuwsbrief van de archiefinstelling waar het archief nu berust: ‘Het begon allemaal heel gewoon met de overdracht van het archief van de N.V. Tilburgsche Waterleiding-Maatschappij (TWM) in 1995 aan wat toen nog het Gemeentearchief Tilburg heette. Het archief was jarenlang opgeslagen geweest in een speciale ruimte van het bedrijf in een pompstation aan de Gilzerbaan. Het archief werd zoals dat gebruikelijk is, bekeken op o.a. materiële staat en volledigheid. Helaas: essentiële onderdelen van het archief ontbraken! Wat er daarna gebeurde, laat zich lezen als een spannend jongensboek. Een archiefkelder aan de Bredaseweg werd onderzocht, hier bleek nog zo'n 4 meter archief te staan, maar de notulen van de Raad van Beheer bleven onvindbaar. In oude archievenoverzichten van TWM was wel eens sprake van een kluis, maar: zou die kluis er nog zijn en wáár stond die dan en wat zou erin zitten? Medewerkers van het waterleidingbedrijf gingen op zoek en vonden de kluis maar... kregen deze niet geopend. De hulp van oud-directeur L. Wentzel moest worden ingeroepen en met succes. De deur ging open en een belangrijk deel van de 'ruggengraat' van het archief was zeer zorgvuldig bewaard gebleven: de notulen van de Raad van Beheer van de TWM werden in de kluis aangetroffen.’ M. Dost en Y. Welings, ‘Wetenswaardig archief TWM toegankelijk voor publiek’ in: De Lancier. Nieuwsbrief van het Regionaal Historisch Centrum Tilburg, 1, nr. 2 (2001) 3.
(9) De beschouwing in deze paragraaf is grotendeel ontleend aan: C.G.W.P. van der Heijden, ‘De Swaan getoetst. De aanleg en diffusie van het waterleidingstelsel in de industriestad Tilburg als collectief verzorgingsarrangement (1880-1910)’ in: Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, 20 (1994) 52-76.

Houten waterput in de tuinen van woningen aan de Oerlesestraat omstreeks 1914 (Coll. RHC Tilburg).


(10) De volledige titels luiden: A. de Swaan, In care of the state; Health care, education and welfare in Europe and the USA during the modern era (New York/Cambridge, 1988) en Zorg en de staat. Welzijn, onderwijs en gezondheidszorg in Europa en de Verenigde Staten in de nieuwe tijd (Amsterdam, 1989). Dit boek kreeg zowel in kranten en tijdschriften als in de wetenschappelijke vakbladen uitvoerige aandacht. Hagendijk maakte een overzicht van de verschenen recensies: R.P. Hagendijk, 'Ten geleide. De ontvangst van De Swaans Zorg en de staat / In care of the state' in: Kennis en Methode, 14 (1990), 244-249. Reeds een jaar na het verschijnen van Zorg en de staat wijdden enkele tijdschriften een themanummer aan het boek (o.a. Krisis 40, 10 (1990) 3 en Beleid en Maatschappij, 17 (1990) 5). In een tweetal historische tijdschriften werd in plaats van een recensie een uitvoerig beschouwend artikel over De Swaans boek geplaatst: D. Van Damme, 'De verzorgingsstaat: over collectivisering, elites en free-riders. Naar aanleiding van A. de Swaan, Zorg en de staat' Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, 17 (1991) 434-455; en E. Jonker, 'Historische sociologie contra naïef historisme. A. de Swaans Zorg en de staat en de kritiek' Tijdschrift voor Geschiedenis, 104 (1991) 347-355.
(11) De Swaan, Zorg en de staat, 12.
(12) Deze passage is geheel gebaseerd op Van Damme, 'De verzorgingsstaat: over collectivisering, elites en free-riders', 438-441.
(13) A. de Swaan, 'Armenzorg als collectieve actie: naar een sociogenetisch paradigma van het collectiviseringsproces' in: P.K. Keizer en J. Soeters, red., Economie, sociologie en psychologie; visies op integratie (Assen/Maastricht, 1987) 103-121; en A. de Swaan, 'Aantekeningen uit het ondergrondse. Over de stedelijke waterhuishouding in de negentiende eeuw' Tijdschrift voor Geschiedenis, 101 (1988) 337-351.
(14) De Swaan, Zorg en de staat, 131. 
(15) De Swaan, 'Aantekeningen uit het ondergrondse', 342.
(16) In de recente studie over de Nederlandse hygiënistische beweging wordt uitgebreid aandacht besteed aan de choleraproblematiek. E.S. Houwaart, De hygiënisten. Artsen, staat & volksgezondheid in Nederland 1840-1890 (Groningen, 1991) 118-162.
(17) Zo werd er in Nederland in 1866 (bij Zijner Majesteits besluit van den 16den julij 1866, no. 68), mede op aandrang van hygiënisten, een commissie benoemd 'tot onderzoek van drinkwater in verband met de verspreiding van cholera en tot aanwijzing der middelen ter verbetering in zuiver drinkwater'. Een gedetailleerd rapport over dit onderzoek verscheen in 1868.
(18) De Swaan, 'Aantekeningen uit het ondergrondse', 342-343.
(19) Een miasme is afgeleid van het werkwoord 'miaino', dat besmeuren, bevlekken, bezoedelen betekent. Het werd in medische teksten vooral gebruikt om de onreinheid en onzuiverheid van het milieu aan te geven. De miasma-theorie ging ervan uit dat er in de bodem of in de dampkring stoffen voorkwamen die onder bepaalde omstandigheden mensen ziek konden maken. Als er stoffen waren die stinkend tot rotting overgingen, was volgens de aanhangers van de miasmenleer de kans groot dat er een ziekte zou uitbreken.
(20) Vergelijk hiervoor de opmerkingen in: J. van den Noort, Pion of Pionier: Rotterdam - gemeentelijke bedrijvigheid in de negentiende eeuw (Rotterdam, 1990) 21-54.
(21) De Swaan, Zorg en de staat, 141.
(22) De Swaan, ‘Aantekeningen uit het ondergrondse’, 348.
(23) Ibidem, 348-349. Het proces van sociale homogenisering en segregatie beschrijft hij uitvoerig in, De Swaan, Zorg en de staat, 135-138.
(24) De Swaan, 'Aantekeningen uit het ondergrondse', 349.
(26) Ibidem, 227.
(27) Van der Heijden, ‘De Swaan getoetst’, 52-76.
(28) De Swaan, Zorg en de staat, 131.
(29) Gebaseerd op: Van der Heijden, Het heeft niet willen groeien, 187-190.
(30) Vooral de Wageningse gezinssocioloog E.W. Hofstee was een vurig pleitbezorger van deze opvatting. Het meest expliciet in: E.W. Hofstee, ‘Geboorten, zuigelingenvoeding en zuigelingensterfte in hun regionale verscheidenheid in de 19de eeuw’ in: Bevolking en Gezin, 1983 (supplement) 7-60.
(31) Het meest volledig uitgewerkt in: C. Vandenbroeke, F. van Poppel en A.M. van der Woude, ‘De zuigelingen- en kindersterfte in België en Nederland in seculair perspectief’ in: Tijdschrift voor Geschiedenis, 94 (1981) 461-491.
(32) De resultaten van dit onderzoek verschenen in: C. van der Heijden en F. van Poppel, 'The effects of water supply on infant and childhood mortality: a review of historical evidence' in: Health Transition Review, 7 (1997) 113-148; en: Idem, 'Les effets controverses de l'adduction d'eau sur la santé des populations. Bilan des recherches et expérimentation sur une ville des Pays-Bas (Tilburg)' in: Annales de démographie historique, 1997, 1, 157-204.
(33) Vgl. het voorwoord in: Van der Heijden, Kleurloos, reukloos en smaakloos drinkwater, 8-9.


* Cor G.W.P. van der Heijden (Hulsel, 1957) is als leraar verbonden aan het Cobbenhagencollege in Tilburg. Hij promoveerde in 1995 op het proefschrift 'Het heeft niet willen groeien'. In datzelfde jaar verscheen zijn studie over de drinkwatervoorziening in Tilburg. Daarnaast werkte hij als redacteur en auteur mee aan de serie Ach Lieve Tijd. Hij publiceerde eerder in ´Tilburg´.