Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
316. Tymen Trolsky, het leven van een pseudoniem
 

Titel:   

Tymen Trolsky, het leven van een pseudoniem

Ondertitel:   

Auteur:   

Cees van Raak*

Jaargang:   

XII (1994) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

1

Pagina’ s:   

15-18


Een van de meest geruchtmakende literaire affaires uit de jaren zeventig staat op naam van Tymen Trolsky, pseudoniem van de in Oerle geboren maar sinds 1968 in Tilburg woonachtige dichter en prozaïst Jasper Mikkers. 
Hij hoopte door het gebruik van een schuilnaam zich de last te besparen van journalisten, organisatoren van literaire manifestaties, verzoeken om in jury's plaats te nemen, enzovoorts. Slechts het schrijven was belangrijk, zo niet heilig, daaraan wenste hij zich geheel te wijden. Geen tijd te vermorsen aan de bellenblazende randverschijnselen van het literaire wereldje.

Daarom deze allitererende, Russisch-klinkende naam waarin een verwijzing doorklonk naar de in opdracht van Stalin vermoorde Trotski en die tevens de trol in zich droeg, de boze geest uit de Noorse mythologie. Duidingen te over, in weerwil van menigeen die dé sleutel gevonden dacht te hebben, zoals met een verondersteld anagram van de namen (Martin) Ros, (Gerrit) Komrij, (Theo) Sontrop.


Tymen Trolsky werd op 14 juni 1971 verwekt. Die dag gingen twee verhalen op de bus, geadresseerd aan twee Vlaamse tijdschriften. Beide werden gepubliceerd, de geboorte van de mystificatie was een feit. Eerst nam Nieuwe Stemmen, Orgaan van de Katholieke Jongeren-Gemeenschap, in het oktobernummer van dat jaar De Verloving op, twee maanden later volgde Het Nieuw Vlaams Tijdschrift, onder redactie van Ivo Michiels, met Vier schuchtere schreden op weg naar een verhaal
Waarom Vlaamse tijdschriften? Trolsky vermoedde dat hij daar als Nederlands auteur meer kans zou maken dan bij de periodieken boven de Moerdijk. Zijn werk werd er inderdaad geaccepteerd. 

"Zeer geachte Heer Trolsky. Al meermalen heb ik teksten van u gelezen die u had ingezonden voor Het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Met interesse. Ik vind namelijk wat u schrijft erg goed."
Aldus de aanhef van de eerste brief die Hugo Raes aan Tymen Trolsky schreef (4 september 1972). Hij reageerde hiermee met name op het verhaal Aliesje, gepubliceerd in het juli-augustus nummer van dat jaar. Dit verhaal zou de titel geven aan de bundel die in 1975 het licht zag.

Hoewel hij niet tot de lectoren van De Bezige Bij behoorde, wilde Raes zich toch inzetten om daar Trolsky's werk onder de aandacht te brengen. En Trolsky zelf wilde ook graag uitgegeven worden, getuige zijn zending van een groot aantal gedichten onder de titel Aliesjes Bundel. Ook dit werk beviel Raes. Maar toch was het hem in eerste instantie om het proza te doen: "want uiteraard is een uitgeverij veel meer geïnteresseerd in proza: het is iets eenvoudiger om de onkosten te recupereren van een boek proza, dan van poëzie. (-)" (Brief 20 september 1972). Dit proza behelsde onder meer de eerste verhalen van Aliesje (1975).
November 1972 had Hugo Raes aan zijn vriend Remco Campert, die bij hem in Hoboken op bezoek was, het pak gedichten met de titel Aliesjes Bundel meegegeven voor De Bezige Bij. 

Tymen Trolsky wendde zich in maart 1973 rechtstreeks tot de directeur van de uitgeverij, Geert Lubberhuizen. Hij had nog geen nieuws ontvangen over de receptie van zijn poëzie. De Bezige Bij bleek geïnteresseerd, Lubberhuizen zag uit naar een ontmoeting met de raadselachtige schrijver. Tymen Trolsky wilde echter per se onbekend blijven, ook tegenover zijn toekomstige uitgever. Zijn broer Terjew, zo schreef hij de Amsterdamse uitgever, had zich bereid verklaard om in zijn plaats te gaan. Geert Lubberhuizen schreef op 14 maart 1973: "(-) Maar goed, als er zoveel bezwaren zijn tegen een ontmoeting, dan wil ik uw broer Terjew natuurlijk ook best ontmoeten. Misschien zoudt u samen kunnen komen. In ieder geval dan graag op 30 maart om 2 uur 's middags. Later op die dag vieren wij het verschijnen van de nieuwe roman van Hugo Raes en u zou uw literaire vader dan ook kunnen ontmoeten.(-)" En zo sprak Geert Lubberhuizen op 30 maart 1973 met Terjew Trolsky in Bodega Keyzer naast het Concertgebouw te Amsterdam over de uitgave van het werk van Tymen Trolsky, zich onderwijl het hoofd brekend over wie nu eigenlijk tegenover hem zat.

Er stond veel te gebeuren en ... Tymen Trolsky ging op reis. Hij vroeg Lubberhuizen om een voorschot op zijn uit te geven werk, kreeg de gewenste duizend gulden en vertrok op 13 juni 1973 richting India. 
"Met tranen in de ogen zat ik in Pakistan op m'n kale hotelbed en keek piekerend naar een van de vele sprinkhanen die over 't laken rondkropen, vlogen of sprongen, keek naar de blinde muur voor 't raam, naar de magere hagedis op de muur, pakte m'n rugzak in en keerde, 'n licht snikken onderdrukkend, per bus en trein in 10 dagen van Pakistan naar m'n eigen idiote, door mij hartstochtelijk beminde landje terug. En nu ben ik 'r weer." (Brief 22 juli 1973 aan Geert Lubberhuizen) Deze reis vormde de inspiratie tot het schrijven van de Indiase Liederen, die hij in maart 1974 voltooide om onmiddellijk daarna te beginnen aan een nieuwe bundel, die eerst Zwarte Bloemen heette, later Zwarte Liederen.

Onder redactie van Remco Campert verscheen in januari 1974 het eerste nummer van Gedicht. Hierin het Nederlandse debuut van Tymen Trolsky, een reeks sonnetten onder de titel De Schaakmatch. De komende achttien maanden zou het Trolsky zijn wat de literaire klok sloeg. Uitgever Martin Ros van De Arbeiderspers heeft daar zijn steentje aan bijgedragen. 



Collage van enkele werken van Tymen Trolsky. Foto Frans van Ameijde (part. coll.)

"(-) Van de mij zeer bevriende Oscar Timmers vernam ik over uw vele interessante plannen en ik las natuurlijk al van de titels die op stapel staan. Wat ik erg graag zou willen doen: eens een inleidend stuk over uw figuur en werk maken in een van mijn rubrieken (NRC of AD). Ik zou dat willen doen aan de hand van een "interview" dat we schriftelijk - want dan wordt het meeste gezegd! - zouden kunnen hebben. Ik hoop dat u ja zegt en dat ik een brief met vragen mag sturen.(-)" (Eerste brief Martin Ros aan Tymen Trolsky, 18 februari 1974) En zo verscheen het eerste aan het fenomeen Tymen Trolsky gewijde Literair Logboek (NRC 20 maart 1974), met de klinkende introduktie: Een poète maudit is onder ons opgestaan! Martin Ros - ondanks de opgebloeide, vaak persoonlijke correspondentie, wist ook hij lange tijd niet wie zich achter het pseudoniem verschool - deed zijn duit in het zakje van de mystificatie. Hij had er duidelijk plezier in en zag er ook voordeel in: "(-) Ik zou zeggen: het is in allerlei opzichten ijzersterk voor je, je identiteit grondig te blijven versluieren. Het raadsel rond deze mystificatie zal nog hogere lees- en koophonger naar je werk ontketenen en zo is het goed.(-)" (Brief 4 december 1974) Het was ook Martin Ros die Trolsky stimuleerde eigen artikelen voor het Cultureel Supplement van NRC-Handelsblad te schrijven. Dit resulteerde in een vijftal bijdragen die gedurende 1975 geplaatst werden. Op een gegeven moment vroeg Ros of hij zelf het pseudoniem mocht gebruiken, zodat hij letterlijk het een en ander aan de mythe kon bijdragen. Hier ging de echte Trolsky echter niet op in. 

Medio 1974 verschenen twee dichtbundels in één, Liederen van weemoed, wanhoop en waanzin, gevolgd door Liefdes-, klaag- en politieke liederen (ondertitel: Aliesjes poëziebundel I en II, 206 pagina's dik). Tegelijk zag ook de roman Hyacintha en Pasceline het licht. In hetzelfde jaar volgde de bundel Indiase liederen en reeds in januari 1975 lag de verhalenbundel Aliesje in de winkels. 
Bij dit alles verscheen ook nog het geruchtmakende artikel Ober, afrekenen in het oktobernummer van Maatstaf (1974). Deze "polemisch-programmatische tekst" die begon met de zin "Ik heb nooit een prozaïscher en poëzielozer volk gekend dan 't Nederlandse", nam onder andere Gerrit Kouwenaar, Jules Deelder en Harry Mulisch op de korrel, waarbij de leer der fysionomie een niet geringe rol speelde. 

Zo'n enorme produktie van zo'n totaal onbekende, dat maakte nieuwsgierig, dat irriteerde ook. Naarstig ging men op zoek naar de ware identiteit. Hoewel: waar op zoek? Men had alleen de naam, de boeken, artikelen en een vage foto op de achterkant van Hyacintha en Pasceline. Verder geen enkele duiding. 
Toch kwam Propia Cures in het decembernummer van 1974 met de oplossing: Willem Frederik Hermans. Gezien de vele publikaties werden ook meerdere auteurs achter het pseudoniem vermoed. Zo dacht men aan de trojka Martin Ros-Gerrit Komrij-Theo Sontrop, gevoed door het idee dat het pseudoniem een anagram bevatte dat in die richting wees. Ook volgens de Belgische krant De Standaard bestond er geen Trolsky; er zat waarschijnlijk een groepje studenten achter. Gerrit Komrij zelf verdacht Hans Warren, en Theo Sontrop wilde het per se weten van zijn collega Martin Ros, die het inmiddels inderdaad wist, maar niks verklapte; o nee, hij wakkerde liever het vuurtje aan om nog meer van de commotie te kunnen genieten.

Robert Vacher schreef in De Stem, dagblad voor Breda (april 1975) een recensie over Aliesje en Indiase Liederen. Zijn artikel begon met de zin: "Iedereen weet intussen dat Trolsky niet een andere naam is voor Gerrit Komrij, Habakuk 2 of Rutger Kopland en dat de schrijver als zijn kat Salvador langs de gevels van zijn woonplaats Tilburg sluipt.(-)" Vacher, een van de ingewijden, schreef toentertijd nu en dan een recensie voor De Stem. Tegenover de kunstredacteur van die krant liet hij zich ontvallen dat Trolsky een collega van hem op school was. Dit kwam journalist Johan Diepstraten ter ore, tevens medewerker van het literaire blaadje De Klopgeest, een uitgave van C.J. Aarts. Hij rook een primeur en ging met de combinatie leraar Nederlands in Breda - woonplaats Tilburg aan de slag. Hij belde alle middelbare scholen van Breda op met de vraag of er een leraar Nederlands werkte die in Tilburg woonde. Bij de scholengemeenschap Markenhage had hij prijs. De man heette Jos Mikkers. Het volgende telefoongesprek ontspon zich: "Ja, met Diepstraten. Het is ontdekt. U bent Trolsky." "Hoe komt u nou aan die rare informatie?" "Kom, kom, meneer Mikkers, ik ben geen achttien meer." En Mikkers gaf toe. Hij sprak met Diepstraten af dat deze tegelijk met de onthulling een artikel zou plaatsen waarin hij het gebruik van zijn pseudoniem zou motiveren. Ook zou Diepstraten zijn stukje eerst opsturen naar Mikkers' vriend Jace van de Ven. De dag daarop kreeg Johan Diepstraten een brief van Trolsky: "Van de ene kant betreur ik 't, zoals je misschien begrepen zult hebben, uitermate dat ik voortaan niet meer onder de bescherming van 'n waterdicht pseudoniem zal kunnen schrijven, van de andere kan 't mij, zo moet ik eerlijk bekennen, ook niet meer schelen of m'n "ware" naam op korte termijn wereldkundig gemaakt zal worden of niet. Ik ben onbeschrijflijk moe, moe van 'n volk dat doodgravers boven dichters verkiest, dat aan de lippen hangt van critici die nooit hebben leren lezen en onderscheiden, die elkaars oordeel klakkeloos overnemen (-), moe van 'n volk dat enkel uit is op sensatie en poëtische papegaaikunstjes. Gelukgewenst." Iets anders reageerde Jace van de Ven. Hij noemde Diepstraten een krullul en zou hem persoonlijk in elkaar komen slaan.

Toen gebeurde er iets vreemds. De onthulling werd, ondanks dat ook Vrij Nederland erop gesprongen was (31 mei 1975), niet serieus bevonden. Wat wel doordrong, was dat het niet het driemanschap Ros-Komrij-Sontrop betrof, maar hoogstens een groepje studenten uit Brabant. Dat maakte de affaire een stuk minder interessant. Trolsky werd met andere woorden niet definitief ontmaskerd. Trouwens, zijn ware naam luidde ook niet Jos Mikkers. Zo konden nog de "publieke" optredens van Tymen Trolsky in Nederland en België volgen, die het rookgordijn weer aandikten.
Uitnodigingen voor optredens genoeg! Daarmee ook honoraria te verdienen, evenzo ook kansen om poetsen te bakken en velen op stang te jagen. Dat lukte aardig, te meer daar Tymen Trolsky's tweelingbroer/vervanger/dubbelganger, Jace van de Ven, zijn rol met verve speelde. 

"Ik keek enorm op heden van Lien Heyting te horen dat je je op een Bezige Bij-bijeenkomst nu hebt ontpopt als Jasper Mikkers en als Tymen Trolsky en dat je zelfs in die hoedanigheid een interview hebt toegezegd. Moet ik hieruit concluderen dat je nu alle versluiering en mystificatie definitief beëindigt? (-)" (Brief Martin Ros 27 april 1976) Inderdaad verscheen dat interview en wel in het Cultureel Supplement van de NRC, 4 juni 1976. Onder de dubbele kop Met schrijven tem ik mijn hartstocht/Tymen Trolsky onthult zijn ware naam en met begeleidende foto's verhaalde Lien Heyting van haar ontmoeting met de ware Trolsky. 
Na vijf jaar had Jasper Mikkers zijn buik vol van het verstoppertje spelen. 

Overigens bleef hij Tymen Trolsky nog een hele tijd als schrijversnaam gebruiken. Zo verscheen vlak na het bovenvermelde interview de reeds genoemde bundel Zwarte Liederen bij De Bezige Bij, en later bij kleine uitgeverijen de bundels Indonesische Gedichten (VAN, Amsterdam, 1978) en Kwatrijnen (Brandon Pers, Tilburg, 1979). In 1980 dan verscheen in het januarinummer van Maatstaf het laatste levensteken van Tymen Trolsky, een pittige kritiek op het werk van Gerrit Kouwenaar onder de titel Een cursus spelonkologie. 



Omslag van de dichtbundel 'Wie is uiteindelijk' die onder 
eigen naam van Jasper Mikkers in 1990 bij Querido 
verscheen (part. coll.)

Jasper Mikkers gebruikte twee jaar later zijn eigen naam voor het eerst en wel bij het verhaal Turo del Home in Het Nieuw Vlaams Tijdschrift (april 1982). In 1990 zagen zowel de roman De Weg van de Regen (De Bezige Bij), als de dichtbundel Wie is uiteindelijk (Querido) het licht. Binnenkort verschijnt bij De Bezige Bij zijn verhalenbundel De kleine jongen en de rivier en in september van dit jaar het lange gedicht De Verdwijning bij Querido.
Overigens hanteerde hij bij de voorpublikatie van zijn gedichten in tijdschriften als Raster en De Revisor toch weer een pseudoniem: Artur Raven. Maar dat is een ander verhaal. 


* Cees van Raak (1954) is part-time docent, publicist en dichter. Hij schreef gedichten en artikelen in diverse tijdschriften en kranten.