| 321. Mr. Anton Roothaert (1896-1967) | |||
|
Titel: |
Mr. Anton Roothaert (1896-1967) |
|
Ondertitel: |
Tilburgse jaren |
|
Auteur: |
Frans Walch* |
|
Jaargang: |
XIV (1996) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
1 |
|
Pagina’ s: |
15-28 |
"Dr. Vlimmen is een misselijk schendboek, 'n trap naar het katholieke Brabant. Wij kunnen best tegen wat goedmoedige grappen en grollen over Pastoors en Paters. Maar juist die goedmoedigheid ontbreekt ten eenenmale. De kwaadaardigheid en het venijn spuiten er in tegendeel van alle kanten uit. (...)
Katholiek Brabant is voor dezen auteur een smerige, bedompte stal, veel smeriger nog en bedompter dan de stallen, waarin veearts Vlimmen zijn moeilijk maar prachtig beroep heeft uit te
oefenen." (1)

Anton Roothaert als dienstplichtig militair op
19-jarige leeftijd
op 29 juni 1915 (coll. RHC Tilburg).
Deze felle reactie van het katholieke Boekenschouw kon niet verhoeden dat dit in 1936 uitgebrachte 'schendboek' uitgroeide tot een van de meest gelezen romans in de Nederlandse literatuur. Doctor Vlimmen handhaafde zich ruim veertig jaar in de boekwinkels. Dierenarts Vlimmen werd een beroemd man. Men schafte zich destijds geen 'Roothaert' aan, maar een 'Vlimmen'. De dierenarts stelde toen al zijn schepper in de schaduw.
Voor huidige generaties is mr. Anton Roothaert een vrijwel vergeten auteur. Gezien de aandacht voor Roothaert in handboeken en literatuuroverzichten is dat niet zo verwonderlijk. De weinige informatie die er over de schrijver in literaire naslagwerken te vinden is, blinkt vaak niet uit in betrouwbaarheid. Zo laat
Querido's letterkundige reisgids van Nederland Roothaert op 7 juli 1896 in Vught ter wereld komen. De samenstellers hebben in ieder geval het jaartal juist ingeschat.
Op "den negenden der maand Juni een duizend acht honderd zes en negentig, om negen ure des voormiddags" noteerde de "ambtenaar van den burgelijken stand" in zwierige letters dat te Tilburg Antonius Martinus Henricus Roothaert geboren was. Vader Roothaert en twee getuigen voorzagen het ambtelijk stuk van hun handtekening en wettelijk stond niets de groei van de pasgeborene meer in de weg. Het doopsel in de kerk van het Heike completeerde zijn bestaan. Misschien is die doopplechtigheid niet geheel vlekkeloos verlopen. Het gewijde sacramentsvocht bleek later zijn uitwerking te hebben gemist, ofschoon de omgeving weinig aan het toeval overliet om het jeugdige zieltje de juiste, roomse richting in te sturen.
De oorsprong van de Roothaerts ligt in Vlaanderen. De in Nederland niet veel voorkomende familienaam is afgeleid van Rothardus (hrôth ? hardu = roem ? sterk), een mansnaam die in de middeleeuwen regelmatig opdook.
Rond 1830 keerde Antons overgrootvader, de in 1801 te Roeselare geboren Antonius Pepinus Clement, het Vlaamse land de rug toe. Hij trouwde met de Zeeuwse Cornelia Buijze en vestigde zich als smid en ijzergieter in Zierikzee. De oudste van de acht kinderen was de op 18 juni 1832 geboren Josephus Jacobus, die al vroeg in de leer ging bij zijn vader en zich tot zandvormer bekwaamde. Hij trad in het huwelijk met de uit Vlissingen afkomstige Maria Johanna Petronella Bohl en vertrok met haar naar Bergen op Zoom, waar op 30 juni 1864 hun eerste zoon, Antonius Pipinius Clement werd geboren. Het gezin verhuisde in enkele jaren verscheidene malen en belandde ten slotte in Amsterdam. Daar overleed op 14 oktober 1868 Josephus Jacobus, de grootvader van Anton.

Fragment uit het doopboek van de parochie
Heike, met de
doopinschrijving van Antonius Martinus Henricus Roothaert
op 9 juni 1896 (coll. Parochie Heike, RHC Tilburg).
Zijn grootmoeder met haar twee jongens bleef weinig anders over dan terug te keren naar haar schoonouders in Zierikzee. Van daaruit - het is inmiddels 1875 - reisde het gezinnetje af naar Rotterdam. De oudste zoon, Antonius, is nu elf jaar en zal zijn adolescentie slijten in de havenstad. In het voorjaar van 1886 verlaten moeder en zoons Rotterdam en als
22-jarige keert Antonius Pipinius terug naar zijn geboortegrond, het door de clerus geregeerde Brabantse land, zonder zachte g en met een wat wereldser kijk op de dingen van alledag dan de gemiddelde Brabander uit die tijd. Het gezin strijkt neer in Tilburg.
In de Piusstraat van deze fabrieksstad in wording woont op nummer 127 ene Johanna Josepha de Leuw, een struise weduwe die de scepter zwaait over het cafeetje dat haar man haar had nagelaten en waarmee zij in haar levensonderhoud en dat van haar op 3 mei 1881 geboren zoon Johannes Maria (Jan) van Gorp kan voorzien. Johanna de Leuw en Antonius Roothaert, ofwel Anton senior, ontmoeten elkaar. Ondanks een aanzienlijk leeftijdsverschil - Johanna, geboren op 7 mei 1858, was zes jaar ouder - treden zij op 11 januari 1893 in het huwelijk.
Anton senior was zijn van huis uit meegekregen katholieke geloof trouw gebleven, zij het dat hij door zijn Rotterdamse ervaringen wat sceptischer stond tegenover de strenge eisen van de kerkelijke leer. Maar openlijk kritiek leveren op het katholieke gezag was taboe en zou een redelijk belegde boterham in Tilburg onmogelijk hebben gemaakt. Zijn Zeeuws?Hollandse accent maakte de over het algemeen gemoedelijke Brabander bij voorbaat al argwanend.
"Hij kende niet het welluidende plaatselijke dialect en sprak, althans in onze oren, overdreven
beschaafd", schrijft Roothaert in 1963 aan een vriend.(2)

Anton Roothaert op een communiefoto van ca.
1909 (coll. Frans Walch, Bemmel).
Mochten eventuele wat liberalere opvattingen van vader Roothaert toch een fronsende reactie in de gemeenschap teweegbrengen, dan was er altijd nog de geruststellende wetenschap dat er achter deze wat stijf sprekende persoon een vrouw stond wier religieuze integriteit boven elke verdenking verheven was. Johanna de Leuw, een geboren en getogen Tilburgse van katholieken huize, wist wat wel en niet gepast was in haar omgeving en behoedde haar man voor blunders. In haar opvattingen was zij een 'echte Brabantse'. Was haar man de onbetwistbare autoriteit in huis, zij hield het gezin in het katholieke gareel. Ze was diep gelovig en trouw aan de haar opgelegde doctrine.
"(...) bij ons thuis heb ik voor het eten altijd gebeden", zegt Roothaert.
"Als ik dat niet gedaan had, zou ik ons moeder een hartverlamming bezorgd
hebben." (3)
Haar geloof in het katholicisme, haar eerbied jegens kerkelijke vaders en ook het op haar hoede zijn voor de loerende blik van de immer controlerende omgeving, een automatisme, bewaarden haar roomse braafheid en vormden de basis voor de vrij strenge katholieke opvoeding van haar kinderen. Anderzijds schroomde zij niet de geestelijkheid een veeg uit de pan te geven wanneer die over de schreef was gegaan. Toen jongste zoon Harrie eens lichtelijk aangeschoten van zijn optreden als misdienaar huiswaarts keerde, aarzelde zij niet direct ter kerke te gaan om er de pastoor ter verantwoording te roepen en hem eens goed de waarheid te zeggen. Ze was een doodgoede vrouw die het niet duldde dat haar gezin onrecht werd aangedaan. Daartegen kwam ze in verzet, zoals ook de autobiografisch getinte roman Oom Pius laat zien, wanneer met het vreemde taaltje van vader de spot gedreven wordt:
"Moeder wordt rood van kwaadheid. Dit fijne, Hollandse taaltje is van ouds een manier om vader na te apen, want deze is opgegroeid in Zeeland, kan geen Brabants spreken en wenst niet nog meer te worden uitgelachen om zijn eigen
dialect." (4)
Het gezin in de Piusstraat 127 bestond al uit vier personen toen Antonius Martinus Henricus werd geboren. Josephus Jacobus Antonus ofwel Sjaak, Antons oudste broer, was van 22 augustus 1894. Twee jaar na Anton, op 14 april 1898 zou zoon Harrie, geboren Henricus Wilhelmus, het gezin voltallig maken. De Roothaerts behoorden in het toenmalige Tilburg tot de redelijk welgestelde families. Vader Roothaert verdiende aanvankelijk de kost met het fabriceren van meubels en rolde bij toeval in de biljart-business. Het verhaal gaat dat hij eens voor weinig geld een oude biljarttafel opkocht, de constructie deskundig bestudeerde en tot de conclusie kwam dat hij zoiets ook wel kon maken. Zo ontstond een biljartzaakje dat als 'Stoom-biljart? en meubelfabriek Het Zuiden' in het Tilburgse handelsregister terug te vinden is. Het bedrijfje floreerde en de zonen Roothaert konden mede daardoor van een vrij onbezorgde jeugd genieten.

Het geboortehuis van Anton Roothaert aan de
Piusstraat 127 (rechts), naast de voormalige herberg
'De Distelvink' (links). De foto is gemaakt in 1977, kort voor de afbraak (coll.
RHC Tilburg).
Drie jaar woonde Anton in de Piusstraat. In 1899 verhuisde het gezin Roothaert-De Leuw naar de Bosscheweg 117 die richting centrum al aan weerszijden zijn bebouwing had, doch naar de andere kant geleidelijk aan zijn landelijk karakter herkreeg. Op die overgang van stad naar platteland stond het ouderlijk huis, een dierbare plek in de leefwereld van kleuter Anton. Hij leerde er het buitenleven kennen en de boerenbedrijvigheid. Zijn nimmer aflatende liefde voor het dier, in het bijzonder paarden en honden, dankt haar ontstaan ongetwijfeld aan deze periode in zijn leven.
Achter het huis was een gebouw opgetrokken waarin de biljarttafels vervaardigd werden:
"De werkplaats, die vader de fabriek gelieft te noemen, is een grote boerenschuur met te weinig vensters, zodat meestal de grote deuren moeten
openstaan." (5)
Landelijke voorzieningen omringden in huis het gezin: "In mijn jeugd hadden wij thuis een petroleumlamp, wij gingen met een 'keersepanneke' naar bed, waterleiding kenden we niet. En let wel, mijn ouders waren welstellende burgers. Dit gebrek aan comfort was niet uit armoe, maar al die zaken waren er doodeenvoudig niet. Al die technische wonderen hebben zich opgehoopt en braken baan op het einde der 19e en het begin der 20e
eeuw." (6)
Over de kwaliteit van het bij hem thuis uit put of pomp verkregen water klaagt Roothaert niet en die zal derhalve wel naar behoren geweest zijn. Dat was in Tilburg weliswaar niet uitzonderlijk, maar toch een mooi meegenomen luxe waarvan menig behoeftiger stadsgenoot zelfs tot ver in de 20e eeuw verstoken bleef. En armoede kende de rond de eeuwwisseling snel groeiende textielstad in aanzienlijke mate, hoewel de miserabele toestanden waarmee het gemiddelde arbeidersgezin in Tilburg te kampen had in vergelijking met veel andere Nederlandse steden minder schrijnend was. Stammend uit de agrarische sector hadden de meeste Tilburgse fabrieksarbeiders een eigen stukje grond voor hun eerste levensbehoeften. Het bestaan bleef echter verre van rooskleurig. Karakteristiek waren de lage lonen, ongezonde, veelal niet van gevaar ontblote werkomstandigheden, te lange werktijden, kinderarbeid; voor sociale voorzieningen was men bovendien aangewezen op de luimen van de patroon. Deze situaties zouden zich min of meer stabiliseren tot 1911, waarna verbeteringen mondjesmaat werden ingevoerd.

Achter het pand Bosscheweg 117 (later
Tivolistraat 39) - het tweede woonhuis
van Roothaert - vestigde vader Anton sr. zijn eerste biljartfabriekje. Foto 1981
(Dré van den Bogaard, coll. RHC Tilburg).
Vooralsnog onttrok deze problematiek zich aan het oog van de jonge Anton. Zijn wereldje beperkte zich tot de beschermende omgeving in en rond het ouderlijk huis, waarachter vader en zijn knechts noeste arbeid verrichtten, waar moeder, altijd aanwezig, hem en de andere kinderen met de nodige strengheid en liefde omringde en waar hij zich geborgen voelde:
"(...) het oude kinderspelletje, dat stamt uit de tijd, toen hij nog op haar schoot zat. Dan pakt hij haar wangen tussen duim en wijsvinger, trekt hen uit elkaar, tot zij een afschuwelijke kikvorsenmond heeft en zegt: 'Oe, lelijk wijf!' En zij maakt het nog erger door grote, schele ogen te trekken. Dan laat hij haar los en zegt: 'Lekker toetje'. Dat gaat zo enkele keren op en neer: lelijk wijf
- lekker toetje. En zelfs nu kon hij zich niet weerhouden zijn hoofd even te laten rusten op het zachte plekje tussen haar schouder en de inplanting van haar borst. De rest van haar lichaam is gepantserd in harde krakende baleinen. Dan hoort hij haar hart kloppen, hij krijgt een gevoel van vrede en veiligheid en het is of hij geheel in haar
verdwijnt..." (7)

Gezicht op de Bosscheweg ca. 1904, gezien
vanaf de hoek St. Josephstraat.
Linksachter stond het woonhuis van de familie Roothaert (coll. RHC Tilburg).
De eerste stappen naar de lagere school reikten niet veel verder dan een honderdtal meters van het ouderlijk huis, en behoudens de dagelijkse gang naar de Heikese kerk werd Antons terrein nauwelijks uitgebreid. Veranderingen in zijn belevingswereld deden eerst hun intrede nadat hij een paar schooljaren doorlopen had.
De lagere school, 'een ontzettende plaag'
De stad Tilburg telde in verhouding tot het inwonertal een vrij groot aantal parochies, ongeveer één op elke 5000 zielen. Zo bleef voor de kerkelijke gezagsdragers de bevolking controleerbaar. Elk van deze parochiekernen kende haar eigen kerkgebouw met pastorie, zijn eigen
frater- of zusterscholen, zijn eigen patronaatsgebouw. En hoewel er rond de eeuwwisseling een vijftal openbare lagere scholen waren, stuurde een zichzelf respecterende katholiek zijn kinderen naar de
frater- of zusterschool. Anton, die dan woont in de Heuvelse parochiekern, ontkwam niet aan dit gebruik en belandde, na zijn peuterervaringen bij de nonnen, op de Sint-Dionisius ofwel Saint-Denis. Deze Heikese parochieschool voor 'burgerjongens', was een interparochiale school, daar ook veel jongens uit de middenstand die in een andere parochie woonden hier naartoe werden gestuurd.
"Ik volgde lessen in een clericaal nest op een lagere school, waar de broeders meer dierentemmers dan onderwijzers waren. Het schoolgaan was een ontzettende plaag en een grote
straf." (8)
Deze gal spuwde Roothaert in een voor de rest genuanceerd en ingetogen vraaggesprek uit 1955. Een zelfde rancuneuze houding jegens de broeders is te vinden in zijn boek De vlam in de pan, waar de zesjarige scholier Leo Beumke in de ogen van de onderwijzende broeder het uiterlijk van de paus in het belachelijke trekt
"en ondanks de feeststemming kreeg hij van Broeder Ambrosius een luiden draai om zijn oren." Ook de vraag
"Broeder, wie is 't hoogste: de paus of de koningin?" doet Ambrosius in drift ontsteken en voert hem tot de conclusie dat het knaapje weer eens
"oneerbiedig was geweest en dat de maat nu vol was." (9)

De Saint-Denisschool in de Antoniusstraat,
schooljaar 1911-1912. De achtste jongen achterste rij vanaf links is
vermoedelijk Harrie Roothaert, de jongste broer van Anton (coll. RHC
Tilburg).
'Alles wat niet goed was, was doodzonde', leerde Anton van de fraters in wier opvatting iets al gauw niet deugde en wier pedagogische en didactische inzichten ingegeven waren door religieuze doctrines. De ijzeren greep op hun discipelen was eenvoudig te handhaven.
De kinderen bezagen hun leermeesters met ontzag en zagen zelden kans aan hun macht te ontsnappen. Eventuele protesten werd de kop ingedrukt, thuis hun nood klagen sorteerde geen effect. Men had geen tijd zich te verdiepen in de roerselen van de kinderziel en men wist niet beter; ouders hadden ooit hetzelfde moeten ondergaan. Harde arbeid onder het wakend oog van de clerus, de veelal dagelijkse kerkgang en op zondag de rustdag. Het cafébezoek na de ochtendmis was oogluikend toegestaan. Geen wonder dat het bij spaarzame, jaarlijkse feestelijkheden nogal eens uit de hand liep, zoals ten tijde van de Tilburgse kermis.
"Dan is Donschot (lees Tilburg- FW) één dronkemanspartij."
(10)
Op zulke dagen ontworstelde menigeen zich heel even aan die religieuze druk, vergat het moeizame bestaan onder invloed van verpozing en drank om de dag erna boetvaardig de draad van het dagelijks leven weer op te nemen. Patron en geestelijkheid regeerden weer. Zo ging het al decennia achtereen en zo hoorde het. Kinderen dienden gehoorzaamheid en achting jegens ouderen en kerk bijgebracht te worden; afwijkende meningen werden niet getolereerd. Slechts een enkeling ontsnapte aan die dwangmatigheid, mits hij of zij de omstandigheden meehad.
Anton Roothaert behoorde tot die enkelingen. Twee factoren waren daarbij vermoedelijk van grote invloed: bepaalde opvattingen van zijn vader en zijn eigen intellect.
Zoals reeds gezegd, zijn vader was een goed katholiek en hij gedroeg zich ook dienovereenkomstig. Maar door zijn Hollandse achtergrond was hem een ruimere blik op het leven vergund. Soms dreef zijn wat meer profane denken hem tot een handelwijze die in de benepenheid van de Tilburgse alledaagsheid opzien baarde en die zijn zoons wel eens in verlegenheid bracht:
"Mijn vader zaliger was nogal sportief aangelegd en werd in dat opzicht
dus een beetje voor gek versleten. Zo leerde hij me reeds op achtjarige leeftijd
zwemmen en dat was toen een wraakroepend schandaal. Ik was de enige van mijn
school,"(11) aldus Roothaert in zijn lezing Het kamperen in de
literatuur. Mogen we het verhaal in Oom Pius geloven, dan nam zijn vader hem mee naar een der eerste interstedelijke wedstrijden van de net opgerichte plaatselijke voetbalvereniging:
"Moeder was een beetje kwaad geweest, omdat vader ging kijken (...) Hij was toen nog zo klein, dat vader hem steeds bij de hand hield."
Het was in het slapende stadje een hele gebeurtenis die nauwelijks verholen nieuwsgierigheid afdwong:
"Want door een onverklaarbaar toeval troffen vele gezeten families met al hun aankomende dochters elkaar voor een wandelingetje op de Hagenburgse weg. Men kon goed zien dat zij elkaar vol verbazing vroegen wat hier toch eigenlijk te doen was. En nu zij er toch zo dicht bij waren, konden zij wel even gaan kijken wat voor zotternij die kwajongens nu weer hadden
uitgedacht. (...) Grote lummels met snorren, die als schooljongens zich doodliepen achter een grote kaatsbal! Die zich publiek vertoonden in een afgeknipte onderbroek, met lange kousen en blote knieën."
Wel, dat ging werkelijk alle perken te buiten en "Weldra werd aan de preken over de naaste gelegenheden tot zondigen een nieuw onderwerp
toegevoegd."(12)
Een andere zotternij, eveneens uit Engeland overgewaaid, was de padvinderij:
"De Engelse generaal Baden Powell was de eerste, die alle spotternij trotseerde en de camping maakte tot een ernstige, aanvaarde en georganiseerde
sport."(13) Weer een moderniteit die, zonder serieus gewogen te zijn, als afwijkend en dus gevaarlijk beschouwd werd door de wake der geestelijkheid. Wederom blijkt dan de ruimdenkendheid van Roothaert senior, die zijn zoon laat toetreden tot het padvindersgilde.
"In het jaar 1909 verschenen de eerste padvinders nogal
schuchter op de straat en uw dienaar was een van de eerste aanhangers (...).
In een katholieke en zeer kindrijke stad van 50.000 inwoners waren we met 10 hele padvinders. En het eerste wat we moesten hebben was natuurlijk een tent. Het werd een driepersoons dingetje, dat helemaal uit Engeland moest komen, want in Holland waren zulke dwaasheden niet
voorhanden."(14)
Zwemmen en lid zijn van de padvinderij, dergelijke staaltjes van afwijkend gedrag gingen gepaard met de opgeheven vinger van de kerkvaders, maar ongetwijfeld wekten ze ook bewondering bij klasgenootjes. Ze konden eveneens leiden tot jaloezie die zich uitte in pesterijen waarin zijn vader, die zo raar praatte, betrokken werd. Dat Hollandse accent van zijn vader zat Anton behoorlijk dwars getuige de herhaalde keren dat hij daar later op terugkomt in brieven, gesprekken en in de roman Oom Pius:
"Marius heeft maar al te vaak moeten vechten, omdat zijn vader zo aanstellerig spreekt. Ook dat hij 'vader' moet zeggen in plaats van het gebruikelijke
'onze-pa' geldt als een uitdaging. Gelukkig wordt hij geheel overschaduwd door Karel Altinck, die een papa heeft, het toppunt van kale drukte, en ten overvloede nog een mama, die altijd Frans
spreekt..."(15)

De R.K. Padvinders van de parochie Noordhoek
op 22 juni 1914. Zittende op de tweede rij geheel
links is vermoedelijk Anton Roothaert (coll. RHC Tilburg).
Anton koesterde bewondering en toonde ontzag voor zijn vader. Hij keek tegen hem op, hield van hem, maar miste in hem een vertrouwdheid, een klankbord naarmate hij ouder werd en de twijfels begonnen te rijzen over
waar- en onwaarheden. Twijfels, die mede veroorzaakt waren door een mate van ambivalentie in het gedrag van zijn vader, die hem enerzijds inleidde in werelds vermaak, zich anderzijds voegde naar de regels van het katholieke patroon, uit overtuiging, uit welwillendheid tegenover zijn vrouw en deels ook uit zelfbehoud. De jeugdige Anton had daarvan uiteraard geen weet. Hij beleefde zijn wereld zoals die direct op hem afkwam. Zijn eigen schranderheid stond een simpel aanvaarden van de door volwassenen voorgespiegelde werkelijkheid in de weg en er groeide allengs een innerlijke tweespalt.
"Ik heb, van kinds af aan, de neiging gehad, bij alles te vragen: Is dit nu wel zoo? Als dan een onderwijzer, dien we Plomp zullen noemen, mij zoo'n gewetenskwestie eens heel duidelijk had opgehelderd, vroeg ik bij mezelf: 'Hoe weet Plomp dat?' En deze vragen wandelen door tot in mijn romans
toe."(16)
Lange tijd gold het als een vanzelfsprekendheid dat een van de zonen uit een gegoede katholieke familie, meestal de op een na oudste, een opleiding tot het geestelijk ambt zou gaan volgen. In Tilburg hadden veel fabrikanten van oudsher een sterke band met de geestelijkheid, doordat zich onder de pastoors en kapelaans heel wat fabrikantenzonen bevonden.
In het gezin Roothaert zou Anton, de tweede zoon, dus de aangewezen persoon zijn voor een geestelijk leven. Wellicht dat zijn moeder een dergelijke loopbaan voor hem geambieerd zal hebben, maar Anton zou blijk geven er niets voor te voelen. Voorlopig bekommerde hij zich niet om roeping of toekomst, leerde op school tussen de religieuze bedrijven door rekenen, schrijven en lezen, wat hem gemakkelijk afging, en wanneer hij de geëigende leeftijd daartoe bereikte, drong zich het misdienaarschap op. Het mogen bijstaan van de pastoor in diens rituele handelingen op het priesterkoor was een begerenswaardige positie, die enig aanzien verstrekte en soms tot afgunst leidde bij gepasseerde leeftijdgenoten. In het begin vervulde de uitverkoren status Anton dan ook met trots:
"Het werd immers voorgesteld als een grote eer, een uitzonderlijke gunst. Aanvankelijk was hij er dol mee en voelde zich onderscheiden. Hij verbeeldde zich, dat alle mensen met bewondering naar hem keken en alle jongens jaloers op hem
waren."(17)

De drie broers Anton, Sjaak en Harrie
Roothaert omstreeks 1907
(coll. Frans Walch, Bemmel).
Maar het nieuwtje sleet op den duur, rituelen verwerden tot sleur zodra de bezieling ging verflauwen, baldadigheid drong zich voor, tijdens en na de plechtige handelingen op. Anton hield het een jaar of vier vol, maar in plaats van bevorderen van stichtelijkheid resulteerde het in het verliezen van een stukje ontzag voor de kerk. Hij begon te begrijpen dat in de geestelijke vaders ook normale mensen huisden met onhebbelijkheden en inconsequenties.
Aan de ene kant was er het onfeilbare gezag van de kerk, waarnaar hij zich diende te schikken. Aan de andere kant was er de autoriteit van zijn vader, die hem aanzette tot activiteiten waarover vanaf de kansel hel en verdoemenis werd gepredikt. Hoe waren die tegenstrijdigheden te rijmen? Hij nam, pienter als hij was, alles in zich op, probeerde te begrijpen, doch stuitte op inconsequenties waarover hij bleef piekeren tot er een bevredigende oplossing voor hem opdoemde. In Oom Pius wemelt het van zulke kinderlijke overpeinzingen. Als de kerkelijke functionarissen de drankbestrijding propageren, begrijpt Marius er niets meer van. Immers,
"Niet ver van de stad ligt sedert een twintigtal jaren een Trappistenklooster, waaraan een grote brouwerij is verbonden." En dat sterke trappistenbier
"wordt in alle herbergen geschonken." Zelfs zijn vader had die drankbestrijding
"een flauwe komedie genoemd":
"De ene pater voerde de werklui dronken en de andere wou er afschaffers van maken... Marius is ervan in de war geweest. Hem is steeds voorgehouden, dat pastoors en paters heilig zijn, dus alles wat zij doen is
goed."(18)
Een ander probleem voor Marius vormt het 'kindjes kopen'. In preken is hem meermaals ten gehore gekomen dat voor hen
"die het huwelijk ontheiligen door beperking van het kindertal"(19) het helse vuur zal branden. Marius heeft slechts één zusje, wat hij als armzalig ervaart. Een grote kinderschaar wordt als een zegen aangeprezen. Waarom het dan bij de armsten onder de bevolking krioelt van de kinderen, terwijl de rijke gezinnen over het algemeen met veel minder toebedeeld zijn, blijft voor Marius een raadsel.
Of dit soort vertwijfeling de jonge Anton werkelijk beroerde, of dat het een latere zienswijze van de auteur betreft die hij als jeugdherinnering opvoert? Hier en daar lijkt Roothaert zijn Marius met iets te volwassen gedachten op te zadelen.

Plattegrond van woonhuis en werkplaats van
Roothaert
(van rechtsonder naar linksboven) aan de Bosscheweg,
behorende bij een aanvraag van een hinderwetvergunning
t.b.v. een gasmotor uit 1899 (Nieuw-archief, inv. nr.
1317/747, coll. RHC Tilburg).
Zonder noemenswaardige problemen doorliep Anton de lagere school. Zijn gevoel voor taal deed zich toen al gelden:
"Tja, iets van den schrijver moet er altijd wel in mij gezeten hebben, want op de lagere school blonk ik nog al uit door mijn
opstellen."(20) Hij stak ook in de andere vakken boven de middelmaat uit, wat hem de voorkeurspositie opleverde verder te mogen studeren. In die dagen behoorde dat tot de uitzonderingen.
Een van de nauwelijks te doorbreken gebruiken bij de goed-katholieke ondernemers van het
midden- en kleinbedrijf was dat de oudste zoon in het gezin als gedoodverfde opvolger van zijn vader te boek stond. Bij de Roothaerts pakte het iets anders uit. Antons oudere broer Sjaak, de stamhouder van de familie, was een labiele figuur die absoluut ongeschikt was voor de hem volgens de traditie toegedachte taak.
Logischerwijs zou de tweede zoon, Anton, voor de functie in aanmerking komen en Harrie, nummer drie, zou dan eventueel verder kunnen studeren. Maar ook Anton weigerde mee te werken aan de vigerende gebruiken. Na de zesde klas doorlopen te hebben nam hij niet direct afscheid van de Saint-Denisschool, maar volgde er nog twee jaar de zogenaamde kopklassen, die bedoeld waren als voorbereiding op een wat betere baan in het industriewezen. Hij toonde aan over voldoende capaciteiten te beschikken om met succes een opleiding aan het gymnasium te volgen.
"Wij waren met drie jongens thuis en mijn ouders lieten mij verder studeren. Dat was een hele gebeurtenis! Een jongen die vroeger van het atheneum kwam, was een groot geleerde. Er werd eenvoudig niet
gestudeerd."(21) Zo bleef broer Harrie over. Hij ontsprong de traditionele dans niet en trad in de voetsporen van zijn vader.
Een tot opvolger van zijn vader gedoemde zoon werd meestal al vroeg bij de arbeid betrokken. Had hij geluk, dan mocht hij na zijn twaalfde jaar nog wat uren schoolopleiding volgen. De meeste kinderen in Tilburg waren echter voorbestemd om hun heil in de fabrieken te zoeken. Voor hen betekende de zesde klas het definitieve einde van de schoolbanken en tegelijkertijd een vaarwel aan jeugdige speelsheid:
"Na hun plechtige communie verlieten de kinderen de school om in de weverijen te gaan werken, van acht uur 's morgens tot acht uur 's avonds. Indien men nog drie jaar nà de communie mocht verder studeren, dan behaalde men een diploma van 'meer uitgebreid lager onderwijs'. Met dit diploma kon men kantoorklerk worden of in de weverijen een leidende functie waarnemen".
"En daarmee waren ze een stuk beter af dan de doorsnee textielarbeide", vertelt Roothaert in hetzelfde interview.
"(...) als we bedenken wat een ontzettende zwarte armoede er heerste onder de arbeiders vóór de oorlog van 1914. In 1908 waren de wevers echte
landlopers." (22)

Familie Roothaert omstreeks 1920 op de
huwelijksdag van Sjaak en Anneke. Boven v.l.n.r. Harry
(1898-1977), Sjaak (1894), zijn vrouw Anneke (?) en Anton (1896-1967). Onder
v.l.n.r. Victoire
Lejeune (1882-1957) vrouw van Jan van Gorp, Anton sr. (1864-1923), zijn vrouw
Johanna de Leuw
(1858-1923) en haar zoon uit een eerder huwelijk Jan van Gorp (1881) (coll. Ad
Vorselaars,
Tilburg).
Hoe de nog schoolgaande kinderen aankeken tegen de tot het weversbestaan veroordeelde jongeren schetst Roothaert in Oom Pius. Als Marius in de ochtendvroegte met de huishoudster Liza
naar de kerk wandelt om er de mis bij te wonen "(...) herkent hij bijwijlen onder de zeldzame straatlantarens enkele jongens uit de buurt, met wie hij nog heeft gespeeld. Nu doen zij geen teken van herkenning meer. Zij zijn twaalf jaar geworden, hebben hun eerste communie gedaan en moeten niet meer naar school, wat zij aanvankelijk fijn vonden. Zij werken als draadmakers op de weverijen, staan tot 's avonds 8 uur aan een machine, die
'self-acter' heet, om aldoor de gebroken draden van het weefsel te herstellen. Hun kleren glimmen van vet; hun gezichten en handen zijn
indigo-blauw, ook 's morgens. In dit koudgroene gaslicht zien zij er uit, of zij uit hun graf zijn opgestaan. Alleen op zondagen is hun bedorven kleur wat opgebleekt, maar ook dan kan men op honderd schreden afstand een draadmakertje aanwijzen. Door de andere jongens worden zij zeer veracht, zij stinken. In hun eerste jaar vechten zij nog met wat zij op hun beurt de rijke stinkers noemen, die nog als kleine snotneuzen op school moeten blijven. (...)
Maar na een goed jaar zijn de meesten al wijzer geworden. Zij weten precies wat zij betekenen en achten het verloren moeite voor de waardigheid van hun stand te gaan
vechten..."(23)
Het bewustwordingsproces van het 'anders zijn' voltrok zich aan het eind van de lagere-schoolperiode. Door de wetenschap dat de fraters hem capabel achtten het gymnasium te volgen gingen de meeste klasgenoten hem met andere ogen bezien. Immers, de weg die hij insloeg, was zo compleet verschillend van die van de anderen en dat, terwijl ook hij niet eens stamde uit het milieu waaruit gymnasiasten voornamelijk voortkwamen. Zij die naar het gymnasium gingen werden met
"minachting" bekeken, "omdat wij nog 'leren' moesten terwijl zij reeds mochten
werken."(24)
Gymnasiast bij dr. P.C. de Brouwer
Dat er überhaupt een vorm van gymnasiumonderwijs in Tilburg bestond, was een wonder. Dit was in het bijzonder te danken aan monseigneur dr. P.C. de Brouwer, de grote animator achter dit voor Brabantse begrippen vooruitstrevende onderwijstype. Ingetreden bij de Congregatie van de Fraters in Tilburg startte hij op 25 september 1899 in een spreekkamer van het moederhuis van de fraters met tien leerlingen een progymnasium. Het was een gedurfde, welhaast tot mislukken gedoemde poging iets te doen aan de achterstand die het gewest Brabant had op het gebied van het middelbaar en hoger onderwijs. Een heilig geloof in het welslagen van zijn onderneming moet P.C. de Brouwer
- dan nog gewoon pater en zonder universitaire titel - hebben gehad. Toen hij ermee begon, stond er geen schoolgebouw tot zijn beschikking en hij kon zelfs niet bogen op bevoegde leraren. Onder zijn bezielende leiding groeide er allengs toch een waardige opleiding, die echter haar status van progymnasium pas in 1917 zag opgeheven. In dat jaar kreeg De Brouwers onderwijsinstelling in het kader van de hogeronderwijswet het aanzien van een volwassen katholieke school.

Het R.K. Gymnasium aan de Lange Nieuwstraat
omstreeks 1914
(coll. RHC Tilburg).
Toen Anton het gymnasium van P.C. de Brouwer betrad, bestond de school welgeteld elf jaar. De lessen werden gevolgd in een echt voor het onderwijs bestemd gebouw in de Lange Nieuwstraat 222. Rector De Brouwer, die zijn leerlingen aanvankelijk onderwees in alle
alpha- en bètavakken met uitzondering van natuurkunde, zag zijn taak verlicht door de komst van verscheidene 'eerwaarde' leerkrachten en kon zich derhalve met nog meer toewijding richten op het doel dat hij nastreefde: hoogwaardig katholiek middelbaar onderwijs, dat de Brabander uit zijn isolement zou halen en in staat zou stellen op religieuze basis aan het wetenschappelijk front mee te experimenteren. Een loffelijk streven, waarin deze onderwijsemancipator in belangrijke mate slaagde, maar, zoals Jan Elemans het in De Tijd van februari 1978 zo treffend verwoordt:
"Dr. De Brouwer heeft in zijn tijd en in zijn omgeving velen begeesterd. Het jongetje Roothaert is hem
ontsnapt."(25)
De gang naar het gymnasium betekende opnieuw een onderdompelen in een rooms bad, maar door zijn ervaringen tijdens zijn lagere-schoolperiode vertoonde het water in Antons ogen al lichte tekenen van onzuiverheid. In de loop der jaren zou de vervuiling aan de oppervlakte treden en zou hij de godsdienst de rug toekeren.
De jonge onderwijsinstelling leende zich er bij uitstek voor om de doelstellingen van dr. De Brouwer te verwezenlijken. De kleine klassen
- "In een plaats van 70.000 inwoners zaten in de laagste klas van het gymnasium ongeveer 10
jongens"(26) - maakten optimale begeleiding en controle mogelijk. Docenten bestonden louter uit paters die weinig aan het toeval overlieten.
Naast P.C. de Brouwer, die de jongens wegwijs trachtte te maken in de klassieke talen, kreeg Anton onder meer les van een andere gerenommerde persoonlijkheid, de priester Franciscus Siemer, een inschikkelijk man die zich in de Tilburgse gemeenschap manifesteerde als een oprecht en geliefd iemand, die op de achtergrond een rol speelde bij de culturele emancipatie in Brabant en die
"(...) meeging met Gods volk onderweg, en graag in letterlijke zin; hij ging mee, gelovig, blijmoedig, begrijpend en
onzelfzuchtig."(27) Voor de Tilburger heette hij al gauw 'de Siemer', maar ook zijn invloed miste zijn uitwerking op de kritische scholier Tony Roothaert. Het clemente karakter van 'de Siemer' spreekt voor zich in zijn herinneringen aan zijn
ex-leerling: "De algemene indruk die ik er toen van overgehouden heb, is zou ik zeggen, een goed jong met een beetje scherpe muil en bij die scherpte had hij nog het geluk of het ongeluk dat hij humoristisch was, hetgeen wel eens ooit pijnlijk
wordt."(28)

Pater Respecius (Dr. P.C.) de Brouwer in
1909. Hij was leraar aan het
gymnasium (coll. RHC Tilburg).
Anekdoten in De vlam in de pan geven een indruk van die scherpe muil en die humor. De eerste stappen op het gymnasium van hoofdpersoon Leo Beumke beschrijft Roothaert als volgt:
"Zijn cijfers waren mooi genoeg, maar zijn gedrag... Neen gedrag kon het eigenlijk niet genoemd worden; hij was niet onbeleefder en wilder dan een andere jongen. Maar Leo Beumke deed 'liberaal', hij was oneerbiedig. In de godsdienstles stelde hij vragen, zó dom dat zij veel hadden van ondeugende spotternij."
Daar was het verhaal over de pater die voor de klas stond uit te weiden hoe een heilige
"ter ere Gods een groot aantal jaren in een kist zou hebben gehuisd, achter het huis van z'n vader. En opeens waren allen wakker. 'Je hoort nou ook nooit van een heilige, of hij heeft zotte streken uitgehaald.' Het was één lange zucht. Leo schudde het hoofd, wijs en berustend, als een ongeduldig oud heertje. De pater was sprakeloos en Beumke ging verder: 'Laten we eerlijk zijn, pater. Als vandaag zo iemand (...) bezig was, zou hij vroeg of laat in het zothuis gebracht worden, even goed als iemand, die staat te preken tegen de vissen of de veugeltjes. Zeg nou zelf, pater.' Het klonk haast smekend, als een laatst en wanhopig beroep op gezond mensenverstand, doch het werd overklonken door een harde bons op den lessenaar."

De bekende priester en leraar aan het
gymnasium, Franciscus
Siemer in 1912 (coll. RHC Tilburg).
Een even pijnlijk moment moet het voor de docerende pater zijn geweest wanneer naar aanleiding van de pauselijke onfeilbaarheid Leo Beumke wil weten of de kardinalen ook onfeilbaar zijn. Dat blijkt niet zo te zijn, waarop Beumke constateert:
"Dus feilbare mensen hebben uitgemaakt, dat de Paus onfeilbaar is!"(29)
Nú mogen dergelijke wijsneusheden onschuldig lijken, in het begin van deze eeuw, op een door paters gedirigeerde school waren ze uiterst riskant. Het blijft de vraag in hoeverre dergelijke anekdoten waarheidsgetrouw zijn, maar tezamen met Siemers herinnering duiden ze erop dat de gymnasiast Roothaert zich steeds scherper opstelde tegenover de indoctrinerende leer van de kerk. Hier was meer dan balorigheid in het spel, de opmerkingen die zijn paters tot wanhoop dreven, sproten voort uit groeiende onzekerheid. Bij zijn eerste communie vroeg hij zich al af
"wat daar nu allemaal van waar kon zijn"(30) en de kanttekeningen die hij plaatste bij allerlei voor waar gehouden geloofsprincipes stapelden zich op. Daarover praten, je in het openbaar kritisch uitlaten over religieuze aangelegenheden gold als zeer zondig. De speelse opmerkingen in de klas waren voor Anton de enige uitlaatklep in een innerlijke strijd.
Ingebed tussen enerzijds de streng katholieke tucht thuis en op school, anderzijds de bekrompen Tilburgse gemeenschap waarvoor het roomse gezag al jaar en dag vanzelfsprekend was, restte een kritisch-realistisch denkende geest, jong en nog onzeker, weinig meer dan in vertwijfeling te berusten en de schuld bij zichzelf te zoeken. Zo'n 97 procent van de bevolking was rooms en dacht 'zus', wat had een knaap van vijftien, zestien jaar dan 'zo' te denken? Bovendien heerste er nog de wet van de volwassenen:
"De snotneus had zijn bek te houden! Afgelopen!"(31)
"Jaren heb ik erover gepiekerd, ermee rondgelopen zonder me te kunnen uiten. (...)
Iemand die zulk een strijd in zijn jeugd niet gekend heeft, kan niet terug-leven wat ik in moeite en pijn en zorg
doormaakte"(32), bekent Roothaert jaren later. Hij stond onder een zo'n morele druk
"dat je wel moest meelopen."(33)
Zijn ongeluk en tegelijkertijd zijn geluk was zijn intelligentie. Die aanleg bracht hem niet enkel op de 'verkeerde', ofwel niet met de katholieke leer strokende gedachten, maar maakte het hem ook mogelijk om gemakkelijk de vereiste
gymnasiale leerstof tot zich te nemen. Zonder problemen doorliep hij de klassen, het huiswerk veelal even doornemend voor het ontbijt. De worsteling met de tegenstrijdige religieuze gevoelens, die hij niet kon etaleren, en zijn toch wat 'mindere komaf' dan de gemiddelde gymnasiast bepaalden een houding die hem onderscheidde van het merendeel van de scholieren. In een kleine gemeenschap
- het leerlingenaantal schommelde tussen 1910 en 1914 rond de 65 - bleef dat niet onopgemerkt.
Leraar Frans Siemer had van Anton de indruk overgehouden "(...) dat hij enigszins gedistantieerd ten aanzien van het hele schoolgebeuren was, niet zo dat hij een 'vreemdeling' was of dat hij er, laat ik zeggen helemaal alleen tussen stond. Hij heeft gewoon het schoolleven meegemaakt, maar hij heeft toch nooit een rol gespeeld bijvoorbeeld in de schoolvereniging. Wat bij zijn begaafdheid toch eigenlijk een beetje wonderlijk is als ik er zo over
nadenk."(34)

De biljartzaak van Roothaert aan de
Telefoonstraat rond 1933. Rechts op de foto
Frauke (geb. 1924), de dochter van Anton Roothaert. Deze woonde met zijn
gezin
in 1922 en in 1932/1933 enkele maanden in zijn ouderlijk huis (coll. Frans Walch,
Bemmel)
Zo verwonderlijk was dat niet. De eerste bepaling van het schoolregelement luidde immers:
"De leerlingen van het gymnasium zullen voor alles hunne godsdienstige plichten trouw vervullen; zij zullen minstens eens in de maand tot de Heilige Sacramenten naderen en dagelijks de H. Mis bijwonen, die om 8 uur in de Clarissen kerk wordt
gelezen."(35)
Het behoeft geen betoog dat alles rond het schoolgebeuren in het teken van de religie stond en ook een schoolvereniging 'beherderd' werd. En in deze van roomsheid bolstaande cultuur sleet Roothaert zijn puberjaren, terwijl de twijfels ten aanzien van kerk en geloof toenamen.
Niet enkel onzekerheid en de strenge hand van de paters weerhielden hem ervan, zijn rebelsheid naar buiten te brengen. Genegenheid jegens zijn ouders, het gezag dat van hen uitging en de wetenschap dat zij hard moesten werken om hem te laten schoolgaan (het leergeld alleen al bedroeg zestig gulden per jaar, een niet onaanzienlijk bedrag voor die tijd) belemmerden hem uiting te geven aan de mentale druk die het schoolgaan
"tot een plaag" maakte. Als de katholieke Vlaamse romanschrijfster Maria Rosseels hem in 1967 de vraag voorlegt of hij persoonlijk onprettige ervaringen gehad heeft van het "onder druk staan", is het antwoord:
"Ja, ik vond het wel heel vervelend. Ik verachtte mijzelf als ik 's zondags tegen beter weten in de mis bijwoonde; en ik moest ook allerhande kronkels uithalen om mijn ouders, die strenggelovig waren, de indruk te geven dat ik geregeld mijn Pasen hield. Ik was toen
zeventien."(36)
Frustraties, innerlijke vertwijfeldheid, het deerde Roothaerts schoolprestaties niet. Talen hadden zijn voorkeur. Er waren geen aanwijsbare voortekenen voor een toekomstig schrijverschap, afgezien van opvallende opstellen.
"Voor de klas werden mijn pennevruchten zelfs voorgelezen, waarbij ik mezelf overdreven braaf vond. Misschien als gezonde reactie hierop, heb ik in mijn studententijd en in mijn advocatenpraktijk geen regel geschreven, die niet hoognodig
was."(37)
Roothaert schaarde zich niet onder hen die op jeugdige leeftijd al een onweerstaanbare drift tot schrijven voelden. Lezen evenwel deed hij
"(...) tegen de klippen op. Fransch, Duitsch, Engelsch. Al vroeg had ik het land aan
vertalingen."(38)
Literatuurlessen op het gymnasium stonden in het teken van de stichtelijke boekwerken, lezen aan een roomse leiband, daarbij niet uit het oog verliezend wat voor het behalen van het eindexamen vereist was. Het prediken voor eigen parochie met als oogmerk het beschermen van de aan hen toevertrouwde leerlingen gebeurde uit overtuiging en was de onderwijzende paters geenszins kwalijk te nemen. Zij volgden de traditie. Overigens bestond het aangebodene niet louter uit zalvende teksten. De meer profane literatuur was onder meer vertegenwoordigd door de veilige Stijn Streuvels, althans, een in 1951 door Roothaert geschreven brief aan de door hem bewonderde auteur lijkt daarop te wijzen. Streuvels zond Roothaert een exemplaar van Leven en dood in den ast plus een beeltenis van hemzelf. Roothaert voelde zich zeer vereerd, bedankte Streuvels uitvoerig en schreef onder meer:
"Ook ben ik zeer blij met de grote foto van de man, die de eerste was om het 'kleine wonder met het woord' aan mij te
openbaren."(39)
Stond Streuvels aan de basis van de literaire voeding, een ander, eveneens sociaal geëngageerd schrijver maakte een eind aan zijn vertwijfeling ten aanzien van godsdienst en geloof. In een aantal interviews maakte Roothaert gewag van de openbaring die
Multatuli's Ideën bij hem bewerkstelligde. Het werk, dat voor katholieken gesloten diende te blijven, eigende hij zich toe door het ongezien uit de katholieke leeszaal mee te nemen. Of deze ontvreemding zich nog tijdens zijn middelbare-schoolperiode afspeelde, vermeldt de anekdote niet. Wel staat vast dat
Multatuli's Ideën een onuitwisbare indruk op hem maakte en dat ze de definitieve aanzet waren voor een volledig afwenden van de van huis uit meegekregen geloofsovertuiging:
"Multatuli heeft mij van alle vrees verlost. Ik hoorde andere klokken
luiden..."(40)
Zoals opgemerkt, Roothaert kon zijn heiligschennende gedachten vrijwel nergens uiten. Misschien dat het onderwerp in gesprekken met een enkele vriend wel eens ter sprake kwam, maar o wee als iets dergelijks thuis of op school uitlekte, dan zwaaide er wat. Zelfs toen hij de school voor de kazerne verruilde, waarmee de religieuze controle grotendeels verdween, durfde hij zijn ouders nog steeds niet zijn overtuiging op te biechten. Uit angst, respect, waardering en liefde heeft hij zijn ouders lang verzwegen wat hem al vanaf de eerste communie bezighield. Zijn voor hemzelf onthutsende, areligieuze ontdekkingen, ingegeven door een scherpe, niet slaafse geest en door sociale misstanden rondom hem beïnvloedden zijn jonge leven zonder daaraan nu direct de stereotype ongelukkige jeugd te verbinden die een schrijver zo vaak succesvol maakt.
Roothaert memoreerde eens dat zijn ouders welgestelde burgers waren. Dit hield weliswaar geen garantie in voor een kommerloze jeugd, maar vergrootte de kans daarop toch aanmerkelijk. Het betekende in ieder geval geen honger, meer hygine, fatsoenlijke kleding, betere behuizing en een langere schoolopleiding. Het
meubel- annex biljartfabriekje van de Roothaerts floreerde dermate dat in 1903 een aanvang gemaakt kon worden met de bouw van een nieuw pand in de veel centraler en op betere stand gelegen Telefoonstraat. Op 12 januari 1904 betrok het gezin de nieuwe en ruimere woning, waaraan wat jaren later het ernaast gelegen woonhuis werd toegevoegd. Het gebouw met de statige winkelpui
- Anton en zijn oudere broer Sjaak legden hiervoor de eerste stenen, waaraan hun in de gevel gemetselde initialen nog herinneren
- staat er nog steeds en achter de etalageruiten zullen tot eind 1992 de biljarttafels prijken.

Omslag (ontwerp Dick Bruna) van een latere
editie van
'Oom Pius' uit 1960 in de bekende 'Zwarte Beertjes-reeks'
(coll. Ronald Peeters, Tilburg).
In Oom Pius zinspeelt Roothaert op het plan een nieuw huis te bouwen, dat echter elke keer wordt uitgesteld. Marius heeft net een nieuwe vriend uit de rijkere kringen en hunkert naar een deftiger onderkomen. Hij schaamt zich tegenover zijn vriend die hij moet binnentronen in een omgeving die zo schamel afsteekt bij wat zijn nieuwe kameraadje gewend is. Het gegeven zou kunnen duiden op het belang dat Roothaert als gymnasiast hechtte aan zijn afkomst. Een fatsoenlijke behuizing droeg in de door rangen en standen bepaalde Tilburgse gemeenschap in ieder geval bij tot een zeker aanzien bij zijn schoolkameraden. Wie naar het gymnasium ging, werd opgezadeld met een zekere status waaraan men zich diende aan te passen. Afwijkend gedrag werd niet getolereerd en om zich niet te veel te onderscheiden van medeleerlingen, behoorde ook de kledij aan bepaalde normen te voldoen. Daarvoor was men wederom afhankelijk van de welwillendheid en de financiële middelen van de ouders. Roothaerts ouders waren bijzonder trots op hun pientere zoon en stelden alles in het werk dat kon bijdragen tot het welslagen van zijn toekomst. Naarmate de jaren vorderden, werd Anton meer de oogappel van zijn ouders. Hij kreeg na zijn gymnasiumtijd thuis een bevoorrechte positie, die hij zich bewust moet zijn geweest.
In het gezin wierp Anton zich op als beschermeling van zijn jongste broer Harrie.
"Mijn vader en oom Anton, dat waren twee handen op één buik", vertelt neef Hans Roothaert.
De psychisch licht gestoorde Sjaak schiep er een genoegen in zijn vier jaar jongere broer te pesten en Anton kon dat gesar niet uitstaan: "Hij heeft gevochten voor mijn vader," weet Hans Roothaert,
"Hij heeft Sjaak platgeslagen om mijn vader te beschermen. Dat was 'onzen Harrieke', daar moesten ze van afblijven! Hij is altijd zijn beschermer geweest. Hij is er altijd voor in de bres gesprongen. Aan 'onzen Harrie' mocht je niet komen."
Vanwege de incapabiliteit van Sjaak nam Anton al spoedig de positie van oudste onder de broers in. Sjaak zorgde voor de nodige spanningen tussen de broers en in het gezin. Eens heeft hij zelfs zijn moeder met een broodmes nagezeten, hetgeen hem te staan kwam op opname in het gesticht. Vanaf 1904 verbleef hij tweeënhalf jaar in Oudenbosch. Geen wonder dat Harrie en Anton naar elkaar trokken en dat ze hun broer nauwelijks als zodanig accepteerden. Eveneens wekt het geen verbazing dat de ouders de begaafde Anton op een voetstuk plaatsten, waardoor ze de gebreken waarmee Sjaak behept was, konden camoufleren en het verdriet dat deze hen berokkende naar de achtergrond schoven.
Prettiger herinneringen dan aan zijn oudste broer bewaarde Roothaert aan de uitstapjes die hij jaarlijks met zijn vader naar Antwerpen maakte. Deze 'metropool' liet grote indruk op hem na, in het bijzonder de haven, waar hij aan de hand van zijn vader de bedrijvigheid aan de kade gadesloeg en de schepen nastaarde die, wolken stoom uitblazend, de Schelde richting zee afdreven. Een dagje Antwerpen lag voor de Tilburgers meer voor de hand dan een bezoekje aan Amsterdam. Ponten of een enkele schipbrug waren normaliter de enige verbindingen die Brabant met de noordelijke provinciën had. Waren 's winters de veren uit de vaart genomen, dan kon men vanuit het geïsoleerde Brabant het noorden slechts via grote omwegen bereiken, een situatie die zich tot ver in de jaren twintig handhaafde. Reizen richting zuiden daarentegen leverde geen noemenswaardige problemen op en vanzelfsprekend oriënteerde de Brabander zich eerder op het Vlaamse, bovendien katholieke land dan op het calvinistisch ingestelde Holland. Voor Tilburgers gold nog dat ze op een steenworp afstand van de grens woonden.
"Toen ik een jongen was", vertelt Roothaert, "gingen we altijd op de fiets de grens over; niemand die in die tijd naar papieren
vroeg."(41)
Met een beetje rijwiel was zelfs Antwerpen wel te bereiken, maar ook fietsen was in het begin van deze eeuw een luxe die slechts aan welgestelden voorbehouden was, en dan nog alleen aan het mannelijk deel; voor vrouwen stond het zich voortbewegen op een rijwiel gelijk aan schande. Anton kon zich in het gelukkige bezit van een fiets verheugen en zo'n statussymbool paste de gymnasiast wonderwel. Hij zou overigens de fiets zijn leven lang trouw blijven.
De gymnasiumtijd werd in 1914 abrupt afgebroken. Het einde van het vierde studiejaar kwam in zicht. Daarna nog twee jaar en het gymnasiumdiploma hoorde hem. Anton besloot anders.
Op 14 maart van dat jaar meldde hij zich vrijwillig aan als 'adspirant vaandrig'; hij werd ingedeeld bij het 6e regiment infanterie. Drie maanden lang hield hij het na die datum nog vol in de schoolbanken, doch op 20 juli 1914 zwaaide hij de paters vaarwel en trad hij
"in werkelijken dienst tot eerste oefening"(42). Wat hem ertoe bewogen heeft deze beslissing te nemen, berust op vermoedens, en hoe zijn ouders, die immers hun met hard werken verdiende guldens in hem hadden geïnvesteerd, op deze ommezwaai reageerden, is niet bekend.
In De vlam in de pan beschrijft Roothaert hoe de gymnasiast Leo Beumke, gedeeltelijk de personificatie van de schrijver, afscheid neemt van het schoolgebeuren. De zoveelste botsing die Leo Beumke over religieuze aangelegenheden heeft met zijn leraar godsdienst leidt tot een ernstige berisping van de rector. Deze waarschuwt hem zijn eigenwijzigheden te staken en eist van hem om op zijn knieën vergiffenis te vragen en zekere vraagstukken te aanvaarden, zijnde geloofspunten waarover niet te discussiëren valt. Leo oppert dan om eerst maar eens zijn vader te raadplegen:
"Vader Beumke had eerst ontzettend gezwegen. Het incident viel juist in het overgangsexamen naar de vijfde klas en dit vond hij belangrijker dan duizend sluwe grapjes over de Paus van Rome. En Leo was oud genoeg om te weten, dat hij net als iedereen op tijd zijn snater had te houden, vooral hier in Deuzeldonk. En was dat goed begrepen?"

Anton 'Pa'Roothaert sr. (1864-1923), kort voor
zijn overlijden op 23
februari 1923 getekend door zijn zoon (coll. RHC Tilburg).
Aan de andere kant bleek vader Beumke ook wel begrip op te kunnen brengen voor de argumenten van zijn zoon.
"Na lang gepeins besloot hij dat Leo zelf moest uitmaken, wat hij zou doen. En dat hij in Godsnaam niets deed waarvoor hij zichzelf kon trappen, telkens als hij eraan dacht! Dit gebeurde op Zaterdag (juli
1914-FW)
en den volgenden Maandag vertrokken de adspirant-vaandrigs Koen Lancelot en Beumke naar het garnizoen Bolkerken voor een eerste oefening van twee maanden. (...)
Tien dagen later luidden de klokken over stad en land. Voorlopig schenen noch de Paus, noch Leo Beumke van overwegend belang. En het
Sint-Norbertusgymnasium heeft de drie jonge soldaatjes niet weergezien..."(43)
Waar ligt de grens tussen fictie en realiteit? Tijdstip en locatie komen overeen met de werkelijkheid, maar in hoeverre benadert de reactie van vader Beumke die van vader Roothaert? De laatste was, zoals eerder opgemerkt, wat liberaler in zijn opvattingen jegens de kerkelijke leer. Daarentegen stonden discipline en gehoorzaamheid eveneens hoog in zijn vaandel en straalde hij ouderlijk gezag uit. Afkerig van de krijgsmacht toonde hij zich evenmin. Tot zijn grootste hartstocht behoorde het zich bekwamen in het hanteren van allerhande wapens.
"Hij was een duivelskunstenaar van wapens", had Hans Roothaert van zijn vader Harrie vernomen.
"Geweerschieten, revolverschieten, degenschermen, etcetera."
Een zekere bewondering voor het militarisme kon de wapenvirtuoos, Antons vader, niet ontzegd worden en het is heel goed mogelijk dat zoonlief er min of meer door werd beïnvloed en dat diens toekomstplannen met geruststelling werden aanvaard, zo niet heimelijk werden toegejuicht.
Vermoedelijk speelde de boven Europa hangende oorlogsdreiging mee in Roothaerts overweging de school te verlaten, maar van doorslaggevende betekenis was de school zelf. Misschien ging een incident in de klas zijn beslissing vooraf en was een venijnige confrontatie met een van zijn geestelijke leraren een laatste druppel; toen zijn besluit eenmaal vaststond, moet hij dat innerlijk als een bevrijding gevoeld hebben. Eindelijk weg uit die benauwende atmosfeer waarin elk onderricht in dienst van het goddelijk roomse gezag stond, waarin geen ruimte lag voor kritische vraagstelling en waarin godsdienst bedreigende onderwerpen, zoals het darwinisme, angstvallig vermeden werden.
Dr. De Brouwer, Franciscus Siemer en de andere docenten mochten naar eer en geweten hun kennis en geloofsovertuiging uitgedragen hebben, hun optreden had een totaal averechtse uitwerking op de jonge Anton Roothaert die steeds indringender was gaan voelen hoe de katholieke leer zijn geesteswereld trachtte te vernauwen. Met het achter zich dichttrekken van de deur, die hem eens de toegang verschaft had tot het schoolgebouw aan de Lange Nieuwstraat, stapte hij de wereld binnen van de vrij(er)e gedachte.
Noten
(1) 'Roothaert (mr. A.) Dr. Vlimmen', in: Boekenschouw, jrg. 30, afl. 10, 15 februari 1937, 471.
(2) Brief A. Roothaert aan N. Kriens, 25 november 1963 (afschrift in collectie auteur).
(3) Kees Bastianen: 'Mr. Roothaert heeft geen behoefte aan kerkelijk eerherstel', in:
De Stem, 6 augustus 1966.
(4) Mr. A. Roothaert, Oom Pius (Utrecht 1960), Zwarte Beertjes 331, 7.
(5) Roothaert, Oom Pius, 54.
(6) Jeanne Suetens, 'Nederlandse schrijvers en het jeugdprobleem', in: De Jonge
Werker, maandblad van het jeugdsecretariaat A.B.V.V., jrg. IX, nr. 3 en 4, maart- april 1955.
(7) Roothaert, Oom Pius, 33-34.
(8) Suetens, 'Nederlandse schrijvers'.
(9) Mr. A. Roothaert, De vlam in de pan (Utrecht, 1943) 10-11.
(10) Roothaert, Oom Pius, 79.
(11) Mr. A. Roothaert, Kamperen in de literatuur, lezing, ongedateerd.
(12) Roothaert, Oom Pius, 119-120.
(13) Roothaert, Kamperen in de literatuur.
(14) Ibidem.
(15) Roothaert, Oom Pius, 7.
(16) R., 'Mr. A. Roothaert', in: De Telegraaf - Avondblad, 22 november 1939.
(17) Roothaert, Oom Pius, 140.
(18) Ibidem, 21-22.
(19) Ibidem, 51.
(20) W. Backhuys, 'Interview met de schrijver van Dr. Vlimmen', in: Utrechtsch
Nieuwsblad, 10 september 1941.
(21) Suetens, 'Nederlandse schrijvers'.
(22) Ibidem.
(23) Roothaert, Oom Pius, 20-21.
(24) A.Th. Mertens, 'Bij de schepper van Doctor Vlimmen', in: De
Linie, 21 december 1957.
(25) Jan Elemans, 'Doctor Vlimmen en de wortels van het anticlericalisme in Brabant', in:
De Tijd, 3 februari 1978.
(26) Suetens, 1955.
(27) J.J.A. van Laarhoven, 'Franciscus Siemer', in: Brabantia, jrg. 16, 1967, 17-18.
(28) Raf Reymen, Op de man af: Dr. Vlimmen, BRT, 18 feb 1965.
(29) Roothaert, De vlam in de pan, 14-15-16.
(30)Maria Rosseels, 'Anton Roothaert heeft met de kerk afgerekend', in: De
Standaard, 23 maart 1967; Maria Rosseels, Gesprekken met gelovigen en ongelovigen
(Antwerpen-Utrecht, 1967) 51-58.
(31) Suetens, 'Nederlandse schrijvers'.
(32) Mertens, 'Bij de schepper van Doctor Vlimmen'.
(33) Zie noot 30.
(34) Reymen, Op de man af.
(35) Gedenkboek van het Sint-Odulphusluceum (Tilburg, 1939)
25-26.
(36) Rosseels, Gesprekken met gelovigen, 52.
(37) P. Beishuizen e.a. (red), 'Wie is de schrijver Mr. A. Roothaert? Het eerste interview', in:
Nieuwe Literaire Courant, nr. 1, juli 1937.
(38). Ibidem.
(39) Brief A. Roothaert aan Stijn Streuvels, 2 december 1951. Archief Museum van het Vlaamse Cultuurleven.
(40) Bastianen, 'Mr. Roothaert heeft geen behoefte aan kerkelijk eerherstel'.
(41) Wout Wellinck. 'Mr. A. Roothaert, een schrijver van Nederland en Vlaanderen', in:
De Post, 1956, 16-17/1544-1545.
(42) Officiersboek, deel 39, folio 164, stamboeknummer 5951. Algemeen Rijksarchief,
's-Gravenhage.
(43) Roothaert, De vlam in de pan, 17-18.

Omslag van de eerste druk (1951) van de roman
'Oom Pius'
in een krantenadvertentie (coll. Frans Walch, Bemmel).
* Frans Walch (1950) studeerde Nederlands M.O.-B aan de Katholieke Leergangen in Tilburg. Over Roothaert schreef hij in 1985 een scriptie. In juni verschijnt zijn biografie over A. Roothaert en in samenwerking met het Gemeentearchief Tilburg organiseert hij een tentoonstelling over leven en werk van Roothaert (7 juni t/m 30
augustus 1996).




