| 330. Tilburg achter de muziek aan | |||
|
Titel: |
Tilburg achter de muziek aan |
|
Ondertitel: |
125 jaar gesubsidieerd muziekonderwijs in Tilburg |
|
Auteur: |
Dr. Frans van Puijenbroek* |
|
Jaargang: |
XII (1994) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
2 |
|
Pagina’ s: |
32-55 |
Tilburg is eeuwenlang een heidedorp geweest, gelegen op de economische en culturele uitlopers van de oude Brabantse steden 's-Hertogenbosch en Breda. Het uitgestrekte dorp met zijn goedkope arbeidskrachten groeit in de achttiende eeuw uit tot een centrum van laken- en wollenstoffennijverheid. In 1809 verkrijgt Tilburg van koning Lodewijk Napoleon de rang van stad. De gemeente telt dan 9400 inwoners, waarvan er 108 als 'fabriquant' staan ingeschreven.
Het zijn nog pré-industriële ondernemers, die met meer of minder kapitaal en commercieel inzicht hun bedrijf tot ontwikkeling brengen. Naast hen zijn er nog kooplieden in manufacturen, huiden, zaden en oliën en in kruidenierswaren, bierbrouwers, steen- en pannenbakkers, leerlooiers. Verder wonen er talrijke boeren, die hun bedrijf niet alleen in de buitenwijken hebben liggen, maar eveneens in hartje stad. Het merendeel van de bevolking leeft in het sobere bestaan van thuiswever voor de fabrikanten en het betelen van een stukje grond van eigen gebruik.
De meeste bedrijven hebben aanvankelijk een beperkte omvang en worden aan huis uitgeoefend. Wisselvalligheden in vakbekwaamheid en gunst der tijden zijn van invloed op de omvang van bedrijvigheid. Sommige ondernemers leggen het loodje en andere komen tot welstand en
aanzien.(1) Zij vormen de burgerlijke bovenlaag van Tilburg, die letterlijk en figuurlijk de lakens uitdeelt.
Muziek als cultureel vertier
Het is binnen deze kleinstedelijke bourgeoisie met haar behoefte om zich te manifesteren, waar in de negentiende eeuw meer ruimte ontstaat voor wat we hier eenvoudigheidshalve cultureel vertier zullen noemen. De vormen van dit vertier worden enerzijds ontleend aan wat als deftig of voornaam wordt ervaren en anderzijds beperkt door de geestelijke horizon van de groep. Dat geldt overigens niet alleen in Tilburg. Overal waar de nieuwe burgerij zich manifesteert, zijn deze verschijnselen waar te nemen. Het opvallende is, dat de burger voor zijn cultureel vertier de beslotenheid van het sociëteitsleven kiest. Zo ontstaan te Tilburg in 1840 de sociëteit Philharmonie, in 1843 de sociëteit Nieuwe Koninklijke Harmonie en twee jaar later de sociëteit Souvenir des Montagnards. De zichzelf bevestigende burgerij legt niet graag haar boekje open en wil vooral 'onder ons' blijven. De Philharmonie is een vernieuwde voortzetting van een eerdere sociëteit en heeft oorspronkelijk nog binding met een muziekgezelschap. De Nieuwe Koninklijke Harmonie geeft in haar naam een muzikale voorgeschiedenis aan, terwijl Souvenir des Montagnards naamgever en huisvester is van het eerste profane zangkoor in Tilburg, een Liedertafel naar Duits model.
Zulke ontwikkelingen zijn ook in andere plaatsen waar te nemen maar worden in Tilburg versterkt door het veelvuldige verblijf van koning Willem II, die hier goede aard heeft. Hij en zijn stafofficieren zoeken hun verpozing binnen de beslotenheid van de Philharmonie, de ontmoetingsplaats voor heren uit de 'fatsoenlijke burgerklasse' van de stad. In deze sociëteit worden vrijdagavondconcerten gegeven door het muziekensemble van de eerwaarde heer Philip van Roy. Dit van oorsprong kerkelijk orkest dateert nog uit de periode, dat er in de schuurkerk van het Heike geen orgel beschikbaar was. Met deze concerten rekt het zijn bestaan tot kort nadat de heer Van Roy in 1853 op hoge leeftijd
overlijdt.(2)

Mie de Fiedel mee d'rre meens waren in het begin van deze eeuw
graag geziene muzikanten op bruiloften en kermissen.
(coll. RHC
Tilburg).
De Nieuwe Koninklijke Harmonie - minder vooraanstaand maar zeker naar eigen gevoelen deftig - wordt opgericht om met muziek 'luister' bij te zetten aan feesten in de stad. Voor het genoegen van de leden speelt de harmonie op zondagen in de zaal van de sociëteit. De eerste dirigent en mede-oprichter van de harmonie is C.A. Korff, die uit de militaire muziek afkomstig
is.(3) De Liedertafel Souvenir des Montagnards begint informeel met het optreden van enkele jonge gasten, waarschijnlijk leden van het kerkkoor van het Heike. Later formeert het gezelschap zich tot een fine-fleurvereniging voor het bevorderen van de zangkunst. Dat zal ze doen door het zingen in eigen kring, het geven van liefdadigheidsconcerten en het opluisteren van belangrijke
plechtigheden.(4) Naast de muziekverenigingen in het centrum van de stad worden in 1864 op het Goirke vanuit de Schutterij de harmonie 'Orpheus' en vanuit het kerkkoor een liedertafel opgericht. De wijk Korvel, sinds 1851 een zelfstandige parochie met een eigen kerk, volgt in 1867 met de oprichting van de liedertafel 'L'Echo des Montagnes'. De gelijknamige fanfare is van latere datum en groeit uit tot een respectabele harmonie.
De eerste muziekscholen
De ontwikkelingen in Tilburg staan natuurlijk niet alleen. Ze weerspiegelen de toenemende belangstelling voor het spelen van muziek bij de welgestelde burgerij in Nederland. In Amsterdam en Den Haag zijn in 1826 en 1827 van regeringswege de eerste muziekscholen geopend. Er zijn evenwel nog allerlei weerstanden te overwinnen. Zo lezen we in een brief uit 1828, dat de muziek in Nederland niet als kunst wordt gewaardeerd. Op beroepsmusici wordt door de burgerij met minachting neergekeken. Muziekmaken is goed als aangenaam tijdverdrijf voor de deftige dilettant. Bij een muziekfeest in 1830 in Rotterdam wordt er zorgvuldig op toegezien, dat niemand als 'muzijkant' zou komen. Je kon het de nette families en fatsoenlijke dames niet aandoen zich te moeten 'mêleeren' met 'deze soort van
menschen'.(5)

De Markt met herbergen, Heikese kerk en stadhuis omstreeks 1860. Tilburg begon
rond het midden van de vorige eeuw al een echt stedelijk karakter te krijgen. Toen ontstonden
ook de nog steeds bekende sociëteiten en muziekgezelschappen . (part. coll.).
In 1829 wordt de maatschappij tot bevordering van de toonkunst opgericht. Deze vereniging van muziekliefhebbers streeft ernaar om vanuit 'de hoogere standen' tot een veredeling van de muziekbeoefening te komen en zo de kunstenaarsstand te emanciperen. Zo'n benadering klinkt ons nu raar in de oren, maar in die tijd van opgezwollen burgerlijk narcisme is het wel de weg om tot resultaten te komen. Tot de activiteiten van de Maatschappij behoort de bevordering van het muziekonderwijs, buiten de afdelingen Rotterdam, Amsterdam, Haarlem en Utrecht, aanvankelijk met weinig resultaat. Pas in het laatste kwart van de vorige eeuw komt hier verandering in en worden er door Toonkunst muziekscholen in plaatsen als Bussum, Dordrecht, Nijmegen, Schiedam, Zeist en Amersfoort
opgericht.(6)
Tilburg blijft niet achter
In Tilburg bestaat voorlopig nog geen afdeling van Toonkunst. Initiatieven om tot muziekonderwijs te komen zijn er wel. Ze komen vanuit de bestaande muziekverenigingen, die nieuwe leden kunnen gebruiken. Dat gebeurt merkwaardigerwijs via de rapportage voor de gemeentebegroting van 1869 door J.A. Verbunt, die nog niet zo lang lid van de gemeenteraad is. Hij behoort tot de gezeten burgerij, is voorzitter van de N.K. Harmonie en was in zijn jonge jaren een van de vier kornuiten, die de Souvenir tot leven hebben gezongen. Hij komt met het voorstel voor 'het oprigten eener Muziekschool of het Salariëren van een Muziekmeester'. De burgemeester zet zich schrap. Het is een mooi voorstel, maar het moet beter worden onderbouwd wil het voor behandeling in aanmerking komen. Er wordt een raadscommissie ingesteld om advies uit te brengen. Hiervoor worden Verbunt, G.C. van Spaendonck, Chr. de Wijs en W.J. Swagemakers als leden aangewezen. De invloedrijke wethouder J.H.A. Diepen met onderwijs in zijn portefeuille zal de commissie voorzitten.

Fragment uit de notulen van de gemeenteraad van 24 april 1869 - nu
precies 125 jaar geleden - waarbij voor het eerst een gemeentelijke
subsidie wordt toegekend aan de muziekschool (RHC Tilburg
Nieuw-Archief 1810-1907, inv. nr. 23).
De rapportage laat nogal op zich wachten en komt pas in de raadsvergadering van 24 april 1869 op de agenda. Als verklaring wordt gegeven dat de inlichtingen, die de commissie elders heeft opgevraagd, op zich hebben laten wachten. Een gemeentelijke muziekschool is niet aan te bevelen, rapporteert de commissie. Wel is het wenselijk gemeentelijke medewerking te geven aan het tot stand brengen 'eener instelling, waarin jongelieden onderwijs en opleiding in de toonkunst kunnen bekomen'. Haar voorkeur gaat uit naar een 'bijzondere' school onder toezicht van ter zake kundige personen. De commissie is voorts van oordeel, dat leden van de bestaande muziekgezelschappen bereid zullen zijn de muziekschool op te richten en in stand te houden. Naast een jaarlijkse subsidie van
f 150 zou de gemeente een schoollokaal beschikbaar kunnen stellen. Het schoolbestuur moet zijn statuten ter goedkeuring aan de gemeenteraad voorleggen en elk schooljaar een verslag insturen. Met dit advies kan de gemeenteraad instemmen en overeenkomstig wordt besloten.
Een memorabel raadsbesluit
Het is dit raadsbesluit, dat memorabel is bevonden om anno 1994 met een feestelijk gemoed terug te zien op honderdvijfentwintig jaar gesubsidieerd muziekonderwijs in Tilburg. Nu de gemeente haar medewerking heeft toegezegd, worden in de zomermaanden de statuten opgemaakt. Voor de huisvesting wordt ruimte gevonden in het gymnastieklokaal van de gemeentelijke muloschool aan de Heuvel, hoek Telegraafstraat. De statuten leggen vast dat het muziekonderwijs alleen bestemd is voor jonge mannen, maar wel bedoeld is voor de muzikale ontwikkeling van de gehele bevolking. De school kent twee afdelingen, de eerste is er voor het aanleren van de grondbeginselen en het zingen in koorverband, de tweede afdeling is voor het aanleren van instrumenten. Iedere leerling moet in de eerste afdeling beginnen, tenzij een examen laat zien, dat hij het lesprogramma al onder de knie heeft. Het gekozen systeem van basisvorming als voorwaarde voor verdere muzikale ontwikkeling lijkt een verre voorloper te zijn van de Methode Gehrels, die voor het moderne muziekschoolwezen baanbrekend wordt
genoemd.(7)

De eerste cursus van de muziekschool startte op 1 april 1870 in de school van meester Borsten
op de Heuvel (hoek Telegraafstraat). De foto is gemaakt kort voor de afbraak van dit oude pand
in de jaren zestig van deze eeuw. (coll. RHC Tilburg).
e toelating tot de lessen van de muziekschool kan alleen om gewichtige reden worden geweigerd. Zo kan een leerling, die zich onordelijk gedraagt of 'in staat van onreinheid verkeert', de deur worden gewezen. Het schoolgeld bedraagt drie gulden per jaar, een voor die tijd niet gering bedrag. Wel is er een reductieregeling voor meer kinderen uit een gezin, terwijl minvermogenden met bijzondere muzikale aanleg gratis kunnen worden toegelaten. Ieder moet zelf voor de schoolbehoeften en de instrumenten zorgen. 'Het Reglement voor de bijzondere Muziekschool Tilburg', zoals de benaming luidde, krijgt op 1 december 1869 goedkeuring van de gemeenteraad. Die stemt dan eveneens in met de voorgestelde huisvesting in de school van mijnheer Borsten op de Heuvel. Op 1 april 1870 is het dan zover dat de muziekschool met haar eerste cursus begint. Het bestuur wordt gevormd door Leo Swagemakers, de nog jonge dirigent van de Liedertafel Souvenir des Montagnards, Nico Daamen, die zowel aan de Souvenir als aan de N.K. Harmonie verbonden is, en Louis de Wijs, lid en later bestuurder van de Souvenir.
Orpheus laat van zich horen
Hoewel er aanvankelijk alleen over een muziekschool voor het centrum wordt gesproken, blijkt het idee ook in het stadsdeel Goirke te leven. Zelfs loopt de hier sinds kort gevormde harmonie 'Orpheus' daarmee voorop. Om van de opleiding van aspirant-leden van de harmonie 'iets degelijks en duurzaams' te maken, is op voorstel van de dirigent een muziekschool opgericht, zo laat ons Christiaan de Wijs in 1868 weten. Als fabrikant behoort hij tot de Goirkese notabelen. Hij is voorzitter van het kerkbestuur van het Goirke en van de harmonie Orpheus. Verder zit hij in de gemeenteraad. Als lid van de raadscommissie heeft hij de besprekingen over de muziekschool meegemaakt; hij is dus 'au courant'. Waarom het Goirke voor zichzelf begint, vermelden de annalen niet. Vrijwel zeker is er animositeit in het spel. De wijk Kerk en Heuvel, het centrum van de stad, is tegenover de andere woonkernen, de vroegere herdgangen, nogal zelfbewust. Zo'n houding roept gemakkelijk gevoelens van verongelijking op. Je kunt het natuurlijk ook omgekeerd zeggen, dat de verspreid liggende woonkernen met hun wat minder toegespitste levenswijs gemakkelijk jaloers worden op die van de stad. Als er niets zou voorvallen om zich tegen elkaar af te zetten, zou het leven in Tilburg ook maar saai zijn geweest.
Een redelijk argument voor de zelfvoorziening met een eigen muziekschool is te vinden in de loopafstanden. Vanuit het Goirke gezien ligt de Heuvel niet bij de deur. Bovendien hou je de jongelui, die zich muzikaal willen talenteren, dichter bij de eigen harmonie en liedertafel. Die van daarginds kunnen wel voor zichzelf zorgen. Na enkele jaren op eigen middelen te hebben gedraaid, kan het niet uitblijven dat deze muziekschool ook een bijdrage van de gemeente wil ontvangen. In zijn aanvraag motiveert het bestuur, dat er jongens uit 'den werkenden stand' aan de lessen deelnemen, die maar weinig schoolgeld betalen.
De gemeenteraad oordeelt dat een school als deze 'nuttig' is en hij verleent met ingang van 1873 de gevraagde subsidie. Hij heeft wel de voorwaarde gesteld, dat de school onder een eigen bestuur wordt geplaatst. Dat gebeurt en het schoolbestuur vermeldt voortaan opportuniteitshalve 1873 als oprichtingsjaar.
Korvelse echo's
De gemeentelijke vrijgevigheid wekt navolging. De liedertafel L'Echo des Montagnes van Korvel laat nu van zich horen. Voor het in stand houden van haar zangschool vraagt ze een subsidie van
f 50 aan. Nadat ook hier een eigen bestuur voor de school is gevormd, mag Korvel vanaf 1876 eveneens in de gemeentelijke vrijgevigheid delen. Als later de Heikant een eigen parochie krijgt, komt er het Heikants Mannenkoor van de grond. Een eigen zangschool geeft hier evenals op Korvel het argument om een gemeentelijke subsidie aan te vragen en te krijgen.

In 1895 werd door de familie Van Dooren aan de harmonie L'Echo des Montagnes een
muziekkiosk geschonken, die een plaats kreeg op het Korvelplein tegeover de fabriek van
Van Dooren en Dams (gesloopt in 1964). Foto omstreeks 1900. (coll. RHC Tilburg).
De reikwijdte van het muziekonderwijs
Vanwege de subsidie zijn de muziekscholen verplicht jaarlijks een verslag uit te brengen. Omdat de verslagen niet allemaal bewaard zijn gebleven, is maar een fragmentarisch beeld te geven van hun reikwijdte in de zin van de aantallen leerlingen, die in de loop van de jaren muziekonderwijs hebben gevolgd. De muziekschool van Kerk en Heuvel heeft in het derde schooljaar 44 leerlingen, waarvan er 4 geen schoolgeld betalen. Van hen doen er 36 uitsluitend zang en 4 volgen een combinatie met instrumentaal onderwijs. Het bestuur is tevreden 'over den goeden gang der school' en de vorderingen van de leerlingen, die het 'dank den onderwijzer' allemaal zo goed doen. Volgens gegevens uit de collectie Lambert de Wijs telt de muziekschool van het Goirke aan het begin van het schooljaar 1874 een totaal van 94 leerlingen. De telling van het schoolbestuur in het jaarverslag komt evenwel niet verder dan 67. De Wijs geeft er de namen van de leerlingen bij. Wellicht is er in de euforie van het begin het halve Goirke uitgelopen om deel te nemen in de vreugde van de muziekschool. Er is voor de jongelui van die tijd nog weinig ander vertier. Maar muziek vraagt een aanleg, die niet iedereen gegeven is. Aanwijzing hiervoor vinden we terug in de vermeldingen dat er leerlingen om die reden uitvallen. Het aardige van de gegevens bij Lambert de Wijs is de aanduiding welke instrumenten de leerlingen bespelen. Dat zijn tuba, trombone, cornet,
alto, piccolo, klarinet en kleine
klarinet.(8)

Advertentie uit de Tilburgsche Courant van 12 maart
1870. (coll. RHC Tilburg).
Over de gang van zaken in de muziekschool van Kerk en Heuvel is weinig bewaard gebleven. Opmerkelijk is dat in 1886 liedertafel Souvenir des Montagnards een eigen zangopleiding opzet en in 1890 met een plan rondloopt voor de oprichting van een muziekschool voor blaas- en strijkinstrumenten. Ook de N.K. Harmonie verzorgt zelf cursussen voor aankomende muzikanten. Een verslag van de muziekschool over 1897 maakt melding van zangonderricht aan 76 kinderen, waarvan er 21 gratis mogen deelnemen. Het zou me niet verbazen als het de opleiding is voor de 'Koorknapen der St.
Josephkerk' op de Heuvel, waar Leo Swagemakers het zangkoor dirigeert.
Op het Goirke zijn er in 1898 nog 21 leerlingen in de instrumentklasse, waarvan er 10 met goed gevolg het examen als werkend lid van de harmonie hebben afgelegd. De zangafdeling is sinds enige tijd in drie klassen verdeeld. De zangschool van het Heikants Mannenkoor telt 18 leerlingen in 1897, verdeeld over twee klassen met
1 1/2 en 1 uur les per week. Korvel geeft over 1897 een informatief verslag. De muziekschool bloeit, telt 29 zangleerlingen en 16 voor de meer gevorderde instrumentale afdeling. Op Korvel volgen ze met enige trots de muzikale ontwikkelingen van Jac.
Urlus, oud-leerling van de zangschool en zanger bij L'Echo. Hij is bijna 16 jaar als omstreeks 1883 de familie naar Utrecht verhuist. In deze muzikaal meer ontwikkelde omgeving wordt zijn stem snel ontdekt en krijgt hij zijn opleiding tot operazanger. Als eerste tenor van de Nederlandse Opera komt hij op weg naar zijn wereldfaam in 1899 nog een keer bij zijn oude L'Echo langs om er in een concert zijn vorderingen te laten horen. Hij houdt er het erelidmaatschap van de liedertafel aan over. Later, op het toppunt van zijn roem, zal hij onder Toscanini in de
Metropolitan, New York, Tristan
zingen.(9) Korvel mag tevreden zijn.
De muziekmeesters
De benaming muziekmeester komt voor in het voorstel waarmee het idee van een muziekschool in de gemeenteraad wordt gebracht. Het begrip geeft aan dat een kwaliteit wordt bedoeld waarvoor iemand geleerd heeft en waarmee iemand zich onderscheidt. De aanduiding muziekonderwijzer komt ook voor.
Over de eerste muziekmeester van de muziekschool van Kerk en Heuvel zijn we niet rechtstreeks ingelicht. Met een omweg naar de N.K. Harmonie komen we er wel achter. Daar heeft begin 1868 C.A. Korff zijn dirigeerstokje om gezondheidsredenen neergelegd. In 1860 al heeft hij assistentie gekregen van een tweede dirigent in de persoon van Koos
Krever, beroepsmuzikant en organist van de Protestantse Gemeente. Voor de opvolging als dirigent wordt Krever gepasseerd door de benoeming van een van de welgestelde leden van de harmonie. Deze is dilettant en het zal beneden zijn stand zijn hiervoor het gebruikelijke jaarhonorarium van
f 200 te accepteren. Hij is 'uit liefde voor de kunst' zo royaal het geld beschikbaar te stellen voor een aanstelling van Krever tot muziekmeester, die als zodanig een muziekcursus moet gaan
geven.(10)

Boven De initiatiefnemer van de muziekschool J.A. Verbunt
(1822-1878)
en onder de eerste muziekmeester J.J. Krever (1824-1891).
(coll. RHC Tilburg)
Dat het altruïsme feitelijk ten koste gaat van het dirigentenbudget zal gauw zijn begrepen. Hoe vul je zo'n gat zonder de contributie voor de leden te verhogen? De oplossing van dit probleem vinden we in het voorstel aan de gemeenteraad een muziekschool op te richten dan wel een muziekmeester te subsidiëren uit de openbare middelen. Het raadslid J.A. Verbunt is voorzitter van de N.K. Harmonie, die hij zeer toegenegen is. Via deze reconstructie weten we dat
J.J. Krever de eerste muziekmeester van de eerste gesubsidieerde muziekschool van Tilburg is geweest.
Jacobus Johannes Krever, geboren 1824 in Tilburg, heeft een opleiding voor viool, piano en orgel gehad. Hij is als dirigent betrokken bij het op peil brengen van de Tilburgse harmoniegezelschappen. Allereerst tijdelijk bij Orpheus op het
Goirke, waar hij in de jaren 1869-1873 ook muziekonderwijzer is. Vervolgens dirigeert hij van 1874 tot in 1882 de N.K. Harmonie. Vanaf 1883 leidt hij de fanfare L'Echo des Montagnes op Korvel en is daar onderwijzer op de muziekschool. Verder geeft hij privé-lessen voor viool en piano en treedt hij op als dirigent van een harmonie in Loon op Zand. Hij moet een goed muziekpedagoog zijn geweest met opmerkelijke resultaten. Van zijn kinderen treden zijn zonen Arnoud als pianist, Jacques als cellist en Peter als klarinettist op de voorgrond. Na zijn overlijden in 1891 neemt
Jacques, die als cellist in Parijs werkzaam is geweest, de functies van zijn vader over.
De
tweede muziekmeester H. van Groenendael
(1833-1921). (coll. RHC Tilburg).
Henri van Groenendael is een tweede Tilburgse muziekmeester, die we in relatie met de muziekscholen noemen. Hij is als zoon van een muzikale vader in 1833 in Tilburg geboren. Evenals zijn vader is hij
'klokkenrepareerder' maar gaandeweg gaat de muziek meer voor hem betekenen. Vanaf zijn tweeëntwintigste blaast hij mee in de N.K. Harmonie, eerst als altist, later speelt hij trompet. Daarnaast neemt hij in 1874 bij harmonie Orpheus het dirigeerstokje over van
J.J. Krever. Vanaf 1868 is hij met laatstgenoemde aan de muziekschool van het Goirke verbonden voor de instrumentale lessen. In 1884 gaat hij weg bij Orpheus en legt er ook zijn onderwijstaak neer. Vermoedelijk is hij in 1882 zijn collega Krever in dezelfde hoedanigheid bij de muziekschool van Kerk en Heuvel opgevolgd. Vervolgens is hij ook nog dirigent van de fanfare Moed en Volharding in
Udenhout. Voor eigen rekening begint Van Groenendael in 1886 met een zangschool voor meisjes. De betekenis hiervan is niet bekend. We hebben al gezien dat zijn onderwijs op de muziekschool tegen het einde van de eeuw beperkt is tot zangonderwijs. Naar getuigenis van een van zijn leerlingen heeft Van Groenendael veel leerlingen vertrouwd gemaakt met het gregoriaans en met 'transpositie' zingen. Als hij bijna 74 jaar is, hangt hij zijn lier aan de wilgen. Hij heeft er dan een kleine veertig jaar als muziekonderwijzer opzitten. Met zijn heengaan op 1 januari 1907 wordt de muziekschool van Kerk en Heuvel opgeheven.
Dat is niet het geval met de andere muziekscholen. Die gaan nog jaren door. Voor zover we hebben kunnen vaststellen, komt er in 1918 een einde aan de gemeentelijke subsidiëring. De opvolger van Van Groenendael bij Orpheus in 1884 en de muziekschool van het Goirke is
J.L. Kroes uit Breda. Hij neemt ook de zanglessen over van Simon de Cock. Tot op zeer hoge leeftijd blijft hij aan de harmonie en de opleiding verbonden. Aan de muziekschool van Korvel treedt naast genoemde
J.J. Krever voor de zangles en voor de beginnende instrumentalisten H. Melis als onderwijzer op. Jacques
Krever, die zijn vader als dirigent van L'Echo des Montagnes is opgevolgd, neemt ook zijn lessen voor de instrumenten over. In 1909 gaat hij weer als cellist spelen, nu in Berlijn. Hij wordt opgevolgd door de harmoniedirigent Piet van
Abeelen.(11)
Aan de zangschool van de Heikant treedt de dirigent van het Mannenkoor, Gerard
Schellekens, als onderwijzer op. Volledigheidshalve vermelden we hier, dat het 'Kapelle Koor' op de Hasselt in 1903 er nog in slaagt een gemeentesubsidie van
f 100 voor wat het 'onze openbare muziekschool' noemt, te bemachtigen. Het geld is bestemd voor het salaris van de directeur, waarvan het klaarblijkelijk niet nodig wordt bevonden zijn naam te vermelden. Een Hasseltse mijnheer Incognito. Jacques
Krever, Gerard Schellekens en Piet van Abeelen zijn later verbonden aan de nieuwe Tilburgsche Muziekschool.
MUZIKALE VERBREDING
Culturele context
Laten we vaststellen dat Tilburg in de tot nu toe beschreven periode een bloeiende en groeiende stad is. De bevolking van 22.000 inwoners in 1870 verdubbelt zich bijna in de volgende dertig jaar. De hele infrastructuur wordt verbeterd. De aanleg van spoorlijnen en de bestrating van de verbindingswegen maken een einde aan de wat geïsoleerde ligging. De komst van de Rijks-HBS en de vestiging van de werkplaats der Staatsspoorwegen zorgen enigermate voor de noodzakelijke maar niet door iedereen gewenste sociale en culturele differentiatie. Aard en karakter van het Tilburg van toen komen overigens het best tot uitdrukking in de snelle groei van het aantal parochies. Naast het
Heike, Goirke en Korvel verrijzen er parochiekerken op de Heikant, Heuvel, Hasselt,
Noordhoek, St. Anna en de Besterd.
In een verregaande en niet aflatende zorg om de gelovigen binnen kudde en schaapstal te houden, bepalen de parochiegeestelijken de norm van het openbare leven. Het oog van de eeuwige God, Schepper van hemel en aard, krijgt in het optreden van de dominante parochiegeestelijkheid sterk paternalistisch-autoritaire trekken. Het Socialismus - tegenwoordig bijna een kerkelijk begrip geworden - is in opkomst en bedreigt met zijn goddeloosheid de vertrouwde maatschappelijke structuren. Maar ook is waakzaamheid geboden tegen het ongeloof van het Liberalismus en de Vrijmetselarij en allerlei andere duistere vijanden van het ware geloof der Moederkerk, die verderfelijk zijn voor het zieleheil van de beminde gelovigen.
Het duurt tot omstreeks de eeuwwisseling vooraleer er zonder boze oprispingen van de clerus toneeluitvoeringen mogen worden gegeven. Hoewel de zorg voor het onderwijs van kerkelijke kant wordt bevorderd, worden vaardigheden als het lezen van niet-kerkelijke fictie en non-fictie sterk geconditioneerd. Het lezen van romans is een ijdele verstrooiing en zondig tijdverlies, waarbij de duivel met zijn
'helschen zwadder' zo gemakkelijk op de loer ligt. Als dit ons in onze geseculariseerde tijd wereldvreemd toeschijnt, moeten we wel bedenken dat voor de gezagsaanvaardende katholiek van die tijd deze geesteshouding éven vanzelfsprekend is, als ze voor ons nu niet meer is. Voor de Nederlandse katholiek van toen is de Kerk een instituut van geestelijke herkenbaarheid en vertrouwdheid en symbool van de moeizaam verworven grondwettelijke rechtsgelijkheid. Bovendien geeft het leven als volgzaam katholiek een vooruitzicht op een besproken plaats in de hemel. Die zekerheid wil je niet prijsgeven. De parochiekerken stromen op zondag vol.
Het lidmaatschap van geestelijke verenigingen als Mariacongregatie en de Heilige Familie gelden als waarborg van recht- en goedgelovigheid. Alle parochiekerken hebben eigen zangkoren nodig. De leden worden gerecruteerd uit de groep van kleine zelfstandigen, winkeliers en ambachtslieden. Ze wonen meestal in de buurt en delen zelf hun werktijd in zodat ze beschikbaar kunnen zijn als er door de week een uitvaartmis gezongen moet worden. Met meer of minder toonvastheid leren ze zingen, ter ere Gods en een beetje uit prestigegevoel.
Er zijn natuurlijk allerlei nuances in het leven en het maakt veel uit welk beroep je vader uitoefent. Het proces van sociale verandering, dat in Nederland aan het gisten is, vindt bij de Tilburgse burgerij weinig onthaal. De fabrikanten dreigen met sancties als hun werklieden lid van een vakvereniging worden. Het proces van de emancipatie der volksklasse verloopt hier traag en het zal tot de Eerste Wereldoorlog duren voordat er merkbare verbeteringen worden bereikt. De werktijden in de fabrieken zijn lang, 12 à 13 uur per dag, en laten weinig ruimte voor andere zaken over. Zo er al tijd voor zou zijn, het voor een volwassen wever in 1902 te verdienen loon van ongeveer
f 400 per jaar laat geen fratsen als muzieklessen en dergelijke toe. Kapelaan
Poell, wiens naam geschreven moet worden om de huidige Tilburgse Dans- en Muziekschool te adresseren, is onder de Tilburgse clergé een van de weinigen, die zich Rerum Novarum hebben eigen gemaakt en de tekenen van de tijd begrijpen.(12)
Zalen en pleinen vol muziek
De welwillende economie laat de sociëteiten floreren. Alleen de Philharmonie beschikt over een eigen gebouw en tuin. De andere zijn in een of ander koffiehuis ondergebracht, maar ledental en prestige vragen een betere huisvesting. De eerste plannen worden gemaakt door de N.K. Harmonie en zijn erop gericht een Concertzaal en andere sociëteitsruimte te verkrijgen. De bedoeling is dat de Liedertafel Souvenir des Montagnards en eventueel andere gezelschappen de zalen kunnen afhuren. Maar zo gemakkelijk gaat het niet. De zustersociëteiten onderhouden een vriendelijke omgang en er zijn
sociëtairen, die van beide verenigingen lid zijn, maar dat is allemaal geen belemmering voor
animositeiten.

De Philharmonie in de Kloosterstraat. Omdat je er niet naar binnen kon kijken
werd dit gebouw ook wel 'de blènde Phil' genoemd. Foto 1957. (coll. RHC
Tilburg).
Allerlei zaken lopen anders en de Souvenir bouwt aan de Willem II-straat haar eigen sociëteit, die op 14 mei 1877 met een groot concert wordt ingezongen. Er zijn solisten van buiten de stad. Richard Hol heeft een cantate op muziek gezet en naast andere werken waart er de geest van Richard Wagner al rond in het Matrozenlied uit de Vliegende Hollander. De N.K. Harmonie blijft niet achter en bouwt aan de Stationsstraat haar complex met tuin. Het openingsconcert op 18 juli 1878 wordt gegeven door een symfonieorkest onder leiding van H.J.J. van Bree uit Den Bosch. Als pièce de milieu klinkt er een pianoconcert waarin Arnoud Krever als solist optreedt.

De zogenaamde werkende leden van de Koninklijk erkende sociëteit Harmonie Orpheus, omstreeks
1895. Ze waren sinds 1892 in schuttersuniform gekleed omdat zij als stafmuziekcorps van de schutterij
optraden. (coll. RHC Tilburg).
De muziekuitvoeringen in de nieuwe zalen blijven zoals voorheen alleen toegankelijk voor de eigen sociëteitsleden. Mondjesmaat evenwel komen er concerten voor een betalend publiek op gang. De ontwikkeling van het Tilburgse muziekleven krijgt sterke stimulansen als Jos en Mathieu Kessels zich hier vestigen. Jos Kessels wordt in 1885 dirigent van de N.K. Harmonie, welke onder zijn leiding een periode van bloei en muzikale successen tegemoet gaat. Zijn broer Mathieu komt in 1886 vanuit Heerlen naar Tilburg, waar hij zijn uitgeverij en muziekhandel vestigt. In een klein pand begint hij met enkele vaklieden uit het buitenland een muziekinstrumentenfabriek. Het bedrijf groeit voorspoedig en de instrumenten vinden hun weg naar muziekgezelschappen in binnen- en buitenland.

M.J.H. Kessels (1858-1932), stichter van de
muziekinstrumentenfabriek en drukkerij
van muziekbladen M.J.H. Kessels. Hij was
een groot stimulator van het Tilburgse
muziekleven. (coll. RHC Tilburg).
Mathieu Kessels onderneemt allerlei promotionele activiteiten en organiseert in Tilburg muzikale spektakels met gezelschappen uit binnen- en buitenland. Een symfonieorkest onder zijn leiding is een langer bestaan beschoren dan voorafgaande pogingen vanuit de Souvenir en de N.K. Harmonie zo'n orkest van de grond te krijgen. Hij dirigeert zijn bedrijfsharmonie, die concertreizen maakt tot in Parijs toe. Vrijwel zeker fungeert hij als adviseur van de gemeentelijke Commissie voor de Volksconcerten en is hij nauw betrokken bij oprichting en bestuur van de nieuwe muziekschool. Kessels is ondernemer en bij zijn streven naar verbreding van de muziekbeoefening zal hij ongetwijfeld zijn zakelijk belang niet uit het oog hebben verloren. Maar hij lijkt ook gedreven te zijn door een ideëel inzicht. Zijn activiteiten laten zich goed rijmen met het onder de verlichte burgerij groeiende besef van maatschappelijke verantwoordelijkheid voor de volksklasse. Hij kent het pleidooi van Richard Hol voor muziekverenigingen. Muziek is volgens deze gewaardeerde musicus de
'baanbreekster tot de beschaving' waardoor 'de werkende klasse met de hoogere standen in aanraking' komt. Dat heeft natuurlijk zijn gunstige effecten. 'Ruwe taal maakt plaats voor meer fijne vormen', de mindere volgt de meerdere, hij krijgt discipline en hij kan een nette burger worden, aldus schrijft Hol in de
Muziekbode.(13)
Een toepassing van deze verheven gedachte vinden we in de openbare volksconcerten en in de ontwikkeling van de muziekgezelschappen. Vanaf 1893 worden er in Tilburg tijdens de zomermaanden openbare concerten gegeven op het plein 'de Veldhoven', het latere Wilhelminapark. Naast de bestaande harmonieën komen nieuwe blaasensembles aandacht vragen, als de harmonie 'Excelsior', de Fanfare van de Anti Sociaal-Democratische Spoorwegvereeniging 'Recht en Plicht', de Tilburgsche Capelle en de bedrijfsharmonie van
Kessels, zijnde de Harmonie der Koninklijke Nederlandsche Fabriek van Muziekinstrumenten. Daarmee houdt het nog niet op. Er valt wat te regelen voor de gemeenteraad. In februari 1900 stelt hij een commissie in voor de regeling der volksconcerten.

(coll. RHC Tilburg).
De commissie brengt in april haar rapport uit. Volgens haar 'eenparig' gevoelen zijn dergelijke concerten
'eene gepaste uitspanning', 'ordelievend' van karakter en derhalve aan te bevelen. Het Wilhelminapark, zoals het plein 'de Veldhoven' intussen is gaan heten, is voor deze concerten de meest geschikte plaats. De commissie stelt voor gedurende de zomermaanden op zondagen hier concerten te laten geven. Daarnaast zijn matinees en concerten op de Heuvel gewenst. Op
Korvel, waar L'Echo des Montagnes in 1895 van de familie Van Dooren een eigen muziekkiosk ten geschenke heeft gekregen, worden drie concerten op feestdagen voorgesteld. De raad stemt in met de voorstellen en legt zo de basis voor de kioskconcerten, die tot na de Tweede Wereldoorlog in het Wilhelminapark, op
Korvel, de Heuvel en later de Besterd hebben geklonken.
Intussen heeft de N.K. Harmonie in de kermisweek van 1893 haar gouden bestaansjubileum gevierd. Naast een met superlatieven beschreven optocht door de straten van Tilburg vindt voor genodigden onder regie van de gebroeders Kessels een groots muzikaal vertoon plaats, waaraan veel gezelschappen deelnemen. Drie jaar later is het de beurt aan de Souvenir om vijftig jaar te bestaan. Hoogtepunt van haar feestprogramma is het concert op maandag 16 juli 1896 door het nog jonge Concertgebouworkest onder leiding van Willem Mengelberg. De zaal is hier volgens de krant
'oververvuld door Tilburg's deftige Burgerschap'. Oei, dat was dringen geblazen!
Op het Goirke zijn in 1900, het laatste jaar van de oude eeuw, festiviteiten van harmonie Orpheus te horen. Ze neemt op zondag 19 augustus haar nieuwe sociëteitslokalen aan het Wilhelminapark in gebruik met een groot concert-matinée om 12 uur en een namiddagconcert door het symfonieorkest onder leiding van Mathieu
Kessels. De volgende dag is er nog een feestbal en een Soirée Amusante et
Musicale, zodat de gasten met ontspannen geest en vrolijk gemoed weer naar huis kunnen gaan. Zoals aan muziek een beschavingsboodschap wordt toegedicht, zo is ze ook inzetbaar om de harten te masseren voor een beroep op liefdadigheid en mildheid van de toehoorders. Vanaf 1850 tot 1966 maakt de burgerij zich jaarlijks op voor het bijwonen van het Armenconcert, dat meestal door de N.K. Harmonie en soms door de Souvenir wordt gegeven.

Advertentie uit de Tilburgsche Courant van 6 januari 1889.
(coll. RHC Tilburg).
Rond de eeuwwisseling zijn er Weldadigheidsconcerten waarvan de opbrengst bestemd is voor de krijgsgevangen Boeren, vrouwen en kinderen en andere slachtoffers van de oorlog in Zuid-Afrika. Deze bestemming laat zien dat elke tijd voor een eigen actualiteit komt te staan... Het is gebruikelijk dat de gezelschappen op uitnodiging deelnemen aan concoursen in binnen- en buitenland. Zo neemt de Souvenir in 1900 deel aan een nationaal concours uitgeschreven door de Koninklijke Liedertafel 'Zang en Vriendschap' in Haarlem. Ze zingt zich in de prijzen, de eerste in de afdeling prima vista, de tweede in de eerste afdeling en de ereprijs van de
tweede-prijswinnaars. De vlag kan uit in Tilburg en de N.K. Harmonie zorgt zoals gebruikelijk voor een passende ontvangst. Meer dan dit resultaat is voor deze beschrijving het feit van belang, dat kennis wordt gemaakt met Willem Robert jr. Zijn vader is de dirigent van de Haarlemse
liedertafel, componist ook van het verplicht concourswerk, een Dies Irae, dat de Souvenir op treffende wijze weet uit te voeren. De jonge Robert lijkt zo geïmponeerd, dat hij in Tilburg zijn muzikale boterham komt zoeken en er zich in 1907 als gediplomeerd leraar voor viool, ensemblespel en solozang vestigt.
DE VEREENIGING TILBURGSCHE MUZIEKSCHOOL
Het begin
De gezegende industriestad is rijp geworden voor nieuwe ideeën. Het liedertafelrepertoire wordt uitgebreid met een a-capella-koor bij de Souvenir en prompt daarna met een Oratoriumvereniging bij de N.K. Harmonie. Het symfonieorkest maakt goede jaren door. Muziekleraren uit Breda en Den Bosch adverteren in de kranten om hier klandizie te werven. Op het Goirke is sinds kort Anna
Reijniers, dochter van de organist, gevestigd als lerares voor piano en viool. De fabrikantendochter Rijka van den Bergh vestigt zich na haar opleiding als lerares voor solozang. Samen met de eerder genoemde Willem Robert
jr., Jacques Krever jr., Gerard Schellekens en anderen vormen ze een nieuwe muziekgeneratie en een nieuwe verwachting.
Het is duidelijk geworden dat in Tilburg behoefte is ontstaan aan een goede nieuwe muziekschool. Het lijkt erop dat voor een initiatief gewacht is tot Henri van Groenendael er met zijn oude muziekschool van Kerk en Heuvel mee ophoudt. In 1907 is het zover. De wijnhandelaar Frans
Verbunt, lid van de gemeenteraad en voorzitter van de commissie voor de Volksconcerten, neemt het initiatief voor een gesprek met een aantal mensen over een op te richten muziekschool. Zijn gasten zijn
M.J.H. Kessels, F.M. Sträter, J.K. Swagemakers, Louis Swagemakers en Emile
Janssens, allen met een hoog Harmonie- en Souvenirgehalte.
De Tilburgsche Muziekschool was van 1908 tot aan de afbraak in 1913 in de
voormalige weefschool aan de Markt naast het oude stadhuis gevestigd. Het was
verre van een ideale huisvesting.
(coll. RHC Tilburg).
Bij de gemeente ligt inmiddels een verzoek van de liedertafel St. Cecilia voor subsidie om een zangschool op te richten. Het verzoek is voor advies in handen gesteld van de commissie voor de Volksconcerten. 'Afwijzen' is haar te verwachten reactie, want er zijn plannen voor de oprichting 'eener uitgebreide muziekschool'. Daarom is het beter geen subsidie meer aan particuliere scholen toe te kennen, 'tenzij reeds vroeger toegestaan'. Het advies leidt tot een uitgebreide discussie in de gemeenteraad, waar zich ook andere belangen doen gelden. In de begrotingsvergadering van 29 november 1907 wordt voor het initiatief van de nieuwe muziekschool een subsidiebedrag van 50% met een maximum van f 1.000 in het vooruitzicht gesteld. Voor de bestaande muziekscholen gezamenlijk wordt f 450 gereserveerd.
De vooral door de nieuwe burgemeester G. Raupp uitgedragen gedachte is, dat in dezen 'het particulier initiatief krachtig werkzaam' moest zijn en door de overheid niet voor de voet gelopen moest worden. De nieuwe magistraat heeft eerder al te kennen gegeven, dat een goed georganiseerde en bloeiende muziekschool
'eene der voornaamste factoren tot verheffing van het beschavingspunt onzer gemeente Tilburg' kan zijn. De initiatiefnemers moeten even wennen aan de nieuwe teugel, ze hadden een Gemeentelijke Muziekschool voor ogen, zoals destijds ook de Weefschool en recentelijk de
Ambachts- en Industrieschool zijn opgericht. Ze gaan niettemin aan de slag met het opstellen van de statuten, die door de gemeenteraad nog moeten worden goedgekeurd.
Als doelstelling nemen ze 'de opleiding van jongelieden in de muziek'; de meisjes worden niet meer zoals voorheen ervan uitgesloten. Een maatschappelijke vooruitgang. Vanwege het particulier karakter kent de vereniging contribuerende leden, begunstigers en donateurs. Tezamen met de schoolgelden van de leerlingen en overheidssubsidies zullen ze naar verwachting de geldmiddelen verschaffen voor de exploitatie van de school. Bij deze gang van zaken blijkt de huisvesting het kind van de rekening te zijn. Er moet voorshands genoegen worden genomen met het aftandse lokaal van de oude gemeenteschool op de Markt, waarin tot voor kort de weefschool was ondergebracht. Al gauw blijken er de onmogelijkheden van en zijn allerlei tijdelijke oplossingen nodig om de lessen te kunnen laten doorgaan. Met verrassende creativiteit wordt de naam
'Tilburgsche Muziekschool' gekozen. De statuten van de gelijknamige vereniging, goedgekeurd bij
K.B. van 12 maart 1909, nr. 47, vermelden als datum van oprichting 1 oktober 1908.
Vakken, docenten en directeur
De benoeming van een directeur wordt uitgesteld. Op verzoek van zijn medebestuurders neemt Mathieu Kessels voorlopig de honneurs waar. Wel worden per advertentie in de krant sollicitanten opgeroepen voor de betrekking van leraar voor de vakken Solfège, Zang, Piano, Viool,
Violoncello, Houten en Koperen Blaasinstrumenten, Theorie- en Harmonieleer en Muziekgeschiedenis. De eerste docenten zijn Piet van Abeelen voor de blaasinstrumenten, Jacques J. Krever voor cello en voor solfège, Willem Robert jr. voor viool en voor koorzang en Henri Vastersavendts voor piano. Op 1 oktober 1908 begint de school met 76 leerlingen, waarvan 29 meisjes. Er zijn klassen voor solfège met 21 leerlingen, koorzang 17, piano 11, viool 13, cello 2 en voor de blaasinstrumenten met 12 leerlingen.

Muziekschooldirecteur Henri Vastersavondts
(1909-1924).
(coll. RHC Tilburg).
Even voor het begin van het tweede schooljaar kiest het bestuur uit de leraren een directeur. De bijna voor de hand liggende keus is Henri
Vastersavendts. Vlaming van geboorte, 1849, is hij na zijn conservatoriumopleiding in Brussel naar Tilburg gemigreerd om er organist te worden van de Heuvelse kerk. Daarnaast treedt hij jarenlang op als pianobegeleider bij de Souvenir, dirigeert een poos de N.K. Harmonie en is nu nog dirigent van het a-capella-koor en van de Oratoriumvereniging. Zijn Tilburgse achtenswaardigheid en zijn dagelijks brood worden gediend door zijn handel in Franse en Duitse vleugels, piano's en harmoniums. Hij is volledig ingeburgerd en met zijn zestig jaar is zijn benoeming per 1 september 1909 tot directeur van de muziekschool een uitgemaakte zaak. Zijn eerste taak vindt de directeur in het nader structureren van het schoolplan met een nieuwe indeling van lesuren en keuze van leermethoden.
De basiscursus voor de vocale gehooroefeningen wordt op woensdag gegeven, voor meisjes tussen 5 en 6 uur, voor jongens een uur later en op zaterdagmiddag voor elke groep weer een uur. Deze solfègecursus duurt twee jaar en het lesgeld bedraagt 10 gulden. De pianocursus loopt vier jaar met een klas A en een klas B, elk weer onderscheiden in twee afdelingen. Het lesgeld bedraagt eerst 20 en daarna 30 gulden per jaar. Voor de strijkinstrumenten is eenzelfde cursusduur uitgezet met een indeling als bij de pianoklas. Het lesgeld is hier respectievelijk 15 en 25 gulden per jaar. De opleiding voor de blaasinstrumenten duurt twee jaar en vraagt een lesgeld van 10 gulden per jaar.

Muziekschooldirecteur Jos Vastersavondts
(1924-1958). (coll.
RHC Tilburg).
Al in het tweede schooljaar ontstaat de eerste vacature als J.J. Krever aankondigt naar Berlijn te verhuizen om er in het Philharmonisch Orkest te gaan spelen. Voor de celloklas wordt de vacature aangehouden om eerst de leerlingenmarkt te gaan verkennen. Voor de solfègeklas komt Gerard
Schellekens, die organist is en dirigent van de liedertafel St. Cecilia. Verder komt Jos
Vastersavendts, zoon van pa, als pianoleraar de gelederen versterken.
Een aanfluitende huisvesting
De huisvesting is niet alleen een aanfluiting voor de mooie woorden van de burgemeester over het nut van de muziekschool, maar vormt, wat erger is, een voortdurende bron van ergernis. Al gauw blijkt het onmogelijk gelijktijdig lessen te geven voor de verschillende soort van instrumenten. Van Abeelen wijkt met zijn lessen voorlopig uit naar het repetitielokaal van zijn harmonie op
Korvel. De treurnis aan de Markt moet in 1913 worden verlaten om te worden gesloopt. Een volgend onderkomen vindt de muziekschool in de
Noordstraat, schuin tegenover de latere huisvesting. De reacties van leraren en leerlingen zijn niet bekend, maar in 1914 verklaart de voorzitter dat het bestuur zijn best voor beter zal doen. Dat herhaalt zich nog eens, maar mede door de tijdsomstandigheden van de Eerste Wereldoorlog verklaart het bestuur zich machteloos.

Noordstraat 89 (thans 103) was de huisvesting van de
muziekschool vanaf 1923 tot omstreeks 1965. Foto 1983.
(coll. RHC Tilburg).
De solfègelessen zijn inmiddels ondergebracht in het provisorisch beursgebouw op het
Piusplein, dat 's winters niet warm te stoken is. In arren moede geeft Van Abeelen zijn blaaslessen bij zich aan huis. In 1920 dringt het bestuur bij de gemeente aan om een
'localiteit der Muziekschool waardig' beschikbaar te stellen. Eind 1923 nog een keer en nu met een concrete omschrijving van de gewenste lokalen. Kort daarna wordt het pand Noordstraat 89 betrokken, waar de muziekschool decennialang gevestigd zal zijn. Een waarneming vermeldt, dat de lokalen ruim zijn. Mede door de aankleding 'die in alles volgens regelen der paedagogiek is aangeschaft geworden' ademt het interieur een gezellige sfeer. Hoewel de huisvesting lang een bron van zorg is geweest en het lesgeven heeft bemoeilijkt, heeft ze de ontwikkeling van het opleidingsprogramma niet helemaal in de weg gestaan. Zo komt in 1914 de celloklas weer ter sprake, waarvoor zoals later blijkt Michael Busch uit Den Bosch wordt aangetrokken. In 1917 is er sprake van een tweede vioolleraar. Wie de gelukkige is, vermelden de notulen niet.
Enige uitbreiding
Na de Eerste Wereldoorlog en een mislukte revolutie is een nieuwe belangstelling voor volkszang opgekomen. De Tilburgsche Muziekschool reageert alert met een cursus volkszang, waarvoor Piet
Vriens, een jonge koordirigent, zijn aanstelling krijgt. De cursus wordt op zondagvoormiddag gegeven en start in 1919 veelbelovend met 40 leerlingen. De lessen zijn kosteloos maar moeten met aandacht en ambitie worden gevolgd. Het schooljaar 1920/21 is aangevangen met 243 leerlingen, waarvan 73 kosteloos en 7 tegen gereduceerd lesgeld. De volkszangklas zingt met 49 kelen. In de solfègeklassen leren 84 jongens en meisjes de muzikale omgang met hele, halve en kwartnoten, maten en ritme. De vioolklas telt 32, die voor piano 60, voor cello 6 en voor blaasinstrumenten 12 leerlingen. Voor deze spes musicae zijn 9 docenten beschikbaar.

Muziekschooldirecteir Willem Robert jr.
(1924-1949). (coll. RHC Tilburg).
Voor de pianovingers van de directeur begint de leeftijd beperkingen op te leggen. In 1922 legt hij zijn functie als leraar neer en zet hij zijn dochter Maria op de kruk. Willem Robert wordt tot adjunct-directeur benoemd. Eind 1923, op 74-jarige leeftijd treedt Henri Vastersavendts terug als directeur en hij schuift zijn zoon als opvolger naar voren. Het bestuur stemt ermee in, maar Robert laat zich horen. Welnu, eigenlijk zijn er met meer dan 300 leerlingen twee directeuren nodig. De oplossing ligt voor de hand en zo redt het bestuur zich uit een netelige situatie. Voor een reeks van jaren ontbreken de gegevens om de ontwikkeling van de muziekschool aan te geven. In 1933, bij het vijfentwintig-jarig bestaan van de school, tijdens de crisisperiode schommelt het aantal leerlingen rond de 300. Het onderwijsprogramma is uitgebreid en het docentencorps is meegegroeid. Jos Vastersavendts geeft naast pianoles de vakken orgel en harmonieleer. W. Robert jr. geeft naast zijn vioolles, solozang en orkestspel. Voor pianoles zijn er verder Marie Roes en Margot van
Abeelen, voor viool als tweede docent Henri Quaadvliet en voor cello Arie J. van Hoof, voor solfège de zanger Henri van Loon, voor blaasinstrumenten Piet van Abeelen en voor volkszang Piet
Vriens.
De financiële opzet
De financiële opzet van de muziekschool is vanaf het begin structureel krap bemeten geweest. Er is geen ruimte voor een investering aan instrumenten en reservering voor onderhoudsposten en onvoorzien, laat staan voor huisvesting. De vleugel en de piano's staan in huur van de
directeur-pianohandelaar; een situatie, die na de Tweede Wereldoorlog laakbaar wordt genoemd. Voor haar inkomsten is de muziekschool naast de gemeentelijke subsidie en ontvangen lesgelden aangewezen op bijdragen van leden en donateurs. Dat laatste stelt in de praktijk weinig voor. De geldontwaarding tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt opgevangen met verhoging van de lesgelden en het korthouden van de leraren.
Met ingang van het schooljaar 1920/21 biedt de gemeente soelaas met een verhoging van het maximumbedrag van de subsidie tot
f 3.250. Dat geeft ruimte om de salarissen enigszins bij te stellen. Kort nadien moet de gemeente weer bezuinigen en kondigt zij een reductie aan. Nu klimt het bestuur in de touwen en de bui is waarschijnlijk overgewaaid. Het thema bezuinigen komt in de crisisjaren dertig weer terug. De gemeente past een reductie toe van 20%. Daar valt weinig op te zeggen, want iedereen moet met minder doen. Merkwaardig is wel dat deze maatregel tot een eind na de Tweede Wereldoorlog gehandhaafd blijft. Over de periode 1925-1935 zijn we nauwelijks geïnformeerd. Het notulenboek van de bestuursvergaderingen vertoont zijn eigenaardigheden en hiaten. Over de ontwikkelingen van vakken, docenten, leerlingen en lesgelden is dan ook weinig te melden.
De uitstraling
Het lijkt alsof Tilburg heeft zitten wachten op de komst van iemand als Willem Robert
jr.. Met zijn ervaring als violist bij het Concertgebouworkest, als dirigent van een mannenkoor en zijn diploma 1e graad zangonderwijs van Toonkunst heeft hij heel wat te bieden. Daarvoor krijgt hij hier alle kansen en die benut hij ook. Niet alleen in zijn functie als vioolleraar aan de muziekschool, maar ook in het muzikale verenigingsleven. Van Henri Vastersavendts neemt hij in 1908 de directie van een gemengd koor over. Dit koor vormt de basis van het latere Toonkunstkoor. In 1910 wordt hij benoemd tot de eerste gesalarieerde dirigent van de Liedertafel van de Souvenir en dat is heel wat. Toch ruilt hij de Souvenir in 1917 in voor het Breda's Mannenkoor. Inmiddels dirigeert hij vanaf 1910 het Tilburgsch Strijkorkest en in 1919 daarnaast het orkest
'Smetana' in Breda. Robert legt een grote ijver aan de dag. Samen met Jos Vastersavendts en Michael
Busch, zijn collega's van de muziekschool, vormt hij in 1917 het Tilburgsch Trio. Het trio heeft voor zover we hebben kunnen nagaan tot 1921 gespeeld. De concerten zijn openbaar. Dat is nog niet zo vanzelfsprekend voor de uitvoeringen van Souvenir, N.K. Harmonie en andere gezelschappen, die vaak nog aan donateurs en leden zijn voorbehouden.

Het Tilburgs Symphonie-orkest tijdens een optreden op de Kermesse d'été in 1904. Op de foto
staan o.a. vier dames Kessels en drie dames Vastersavendts. (coll. RHC
Tilburg).
Openbaar zijn uiteraard ook de uitvoeringen van leerlingen van de Tilburgse Muziekschool. In het krantenverslag van 1909 van de eerste uitvoering wordt melding gemaakt van de excellerende leerlingen Adèle Kessels, viool, Erna Dohle, piano en Kees Heerkens, piano.

Advertentie uit de Nieuwe Tilburgsche
Courant van 22 juli 1908. (coll. RHC Tilburg).
Vanaf ongeveer 1926 heeft de muziekschool een orkestklas met Robert als dirigent. De krant staat er aanvankelijk wel wat sceptisch tegenover, maar in 1927 vindt ze de prestaties al veel beter. Dat oordeel betreft de uitvoering van de Trauersymphonie van Locatelli en de begeleiding van Jan de Vries in zijn Chaconne voor viool van
Vitali. Adri van den Brekel demonstreert mooi cellospel in een scherzo van Von Dittersdorf en dan zijn er nog de leerling-pianisten A. Gips, en de dames Dina Smeulders en J. van Gestel met werk van Franz Schubert en Camille Saint
Saëns. Gebruikelijk is ook een optreden van de leerlingen uit de solfègeklas, bijvoorbeeld met een lied van Henri Loots of Richard Hol.

Advertentie uit de Nieuwe Tilburgsche Courant van 1 oktober
1927. (coll. RHC Tilburg).
In 1933 viert de muziekschool haar vijfentwintig-jarig bestaan. Een concert te geven door leerlingen, oud-leerlingen en de orkestklas op 19 december vormt het pièce de milieu. Het gevarieerde programma is aantrekkelijk en geeft de leerlingen gelegenheid individueel en als groep hun muzikaliteit te demonstreren. Uitgevoerd worden werken voor orkest met soli voor viool, voor cello, orgel, piano en voor solozang van George Frederic
Händel, Antonio Vivaldi/Nachèz, Felix Mendelssohn Bartholdy, Karl von
Dittersdorf/Kreisler, Liederen van Richard Strauss en delen uit een Serenade van Pjotr Iljitsj
Tsjaikovski. Vioolsoli worden uitgevoerd door Jan de Vries, Adri Simons en Riet de Vries. Soli voor cello door Corry Martijn en Adri van den
Brekel. Pianosoliste in een pianoconcert is de lerares Margot van Abeelen. Joh. Hombergen soleert op orgel en hij neemt ook een pianobegeleiding voor zijn rekening. Henriëtte van
Rhijn, leerlinge solozang, zingt aan de vleugel begeleid door Margot van Abeelen drie liederen van Richard
Strauss: 'Ja, du weisst es, teure Seele, dass ich fern von dir mich quäle, Liebe macht die Herzen krank, habe Dank!'...

Advertentie uit de Nieuwe Tilburgsche Courant van 27
december 1933. (coll. RHC Tilburg).
Een afsluitend hoogtepunt van de jubileumviering vormt ongetwijfeld het optreden van Arthur Rubinstein op 28 december 1933. Op een Steinway-concertvleugel laat hij zíjn
Bach, Brahms, Debussy en Chopin horen. 'We telden ongeveer 60 pct. meer bezoekers dan we anders gewoon zijn te tellen. Er moest dus wel iets bizonders te hooren zijn' schrijft de Nieuwe Tilburgsche Courant. Het is overigens een van de openbare concerten, die dank zij de muziekschool sinds enige jaren te beluisteren zijn. Vanaf 1928 organiseert de school abonnementsconcerten om leerlingen en oud-leerlingen de gelegenheid te geven tegen betaalbare prijs naar kamermuziek te luisteren. Onder de kop 'Kunst voor allen, een zeer te waarderen en vertrouwenwekkend initiatief' maakt de Nieuwe Tilburgsche Courant er in 1928 enthousiast melding van. Het initiatief lijkt mede als resultaat te hebben, dat de beslotenheid van de kamermuziekconcerten van de Souvenir wordt opgeheven en ze voortaan tegen betaling publiek toegankelijk zijn. Om een indruk te geven; de abonnementsserie van 1929 omvat vier concerten met achtereenvolgens de sopraan Jo Vincent, de celliste Judith
Bokor, de pianist José Iturbi en de violist Nathan Milstein. Met zo'n programma mag de muziekschool best voor de dag komen.
Het bestuur
Vanaf de oprichting van de muziekschool bestaat het bestuur uit achtenswaardige heren met enige muzikale genegenheid, gerelateerd aan Souvenir en Harmonie en vertegenwoordigd in de gemeenteraad. Frans
Verbunt, de eerste voorzitter en Louis Swagemakers, de eerste secretaris maken in 1921 plaats voor Alphonse Blomjous en H.
Dröge. Eerste penningmeester is C. van Kemenade. Mathieu Kessels, belangrijk voor de eerste jaren, wordt in 1920 opgevolgd door Jacques
Kerstens. Na het overlijden van Van Kemenade in 1929 wordt Kerstens penningmeester en hij blijft kasbewaarder tot aan de fusie in 1955.
In 1928 komt A.J. Rutgers in het bestuur, die na zijn dood in 1941 wordt opgevolgd door dokter Cl.
Postma. Als de voorzitter in 1936 zijn laatste adem uitblaast, wordt hij opgevolgd door Emile van
Dooren, die sinds 1912 in het bestuur zit en tot in de fusieperiode zijn stoel trouw blijft. Een nieuw bestuurslid is drs. André van
Spaendonck, leraar aan het Odulphuslyceum. De secretaris blijkt in 1953 te zijn opgevolgd door drs. Han
Loevendie. Hij combineert deze functie met zijn werkzaamheden aan het secretariaat van het Curatorium der Katholieke Leergangen.
Als we een oordeel moeten geven over het bestuur van de muziekschool, komen ambivalente gevoelens op. Je krijgt het gevoel dat de mier van de fabel te veel de krekel heeft uitgehangen. Enerzijds is er te wijzen op de jarenlange trouw van de bestuursleden met hun maatschappelijk prestige; anderzijds zou je ze een meer toegespitste bestuurlijke bekwaamheid hebben toegewenst. Een roulatie van bestuursleden, zonder de dood als aanleiding zou waarschijnlijk gezonder zijn geweest.
Van het begin af aan is de financiële basis van de muziekschool te krap geweest. Pas na de Eerste Wereldoorlog en de veranderingen in de gemeenteraad ten gevolge van het algemeen kiesrecht komt er wat meer kraag op de jas. De salarissen van het personeel kunnen worden bijgesteld, er is enige uitbreiding mogelijk, maar investeringen aan muziekinstrumenten blijven achterwege.
Tijdens de bezettingsjaren is er een toeloop van leerlingen. Dat brengt weliswaar geld in het laatje, maar er moeten ook meer docenten worden uitbetaald. Verhoging van het lesgeld in 1944 geeft enig soelaas zonder evenwel het structurele financieringsprobleem op te lossen. Daarbij moet worden opgemerkt, dat de gemeente in 1942 niet thuis heeft gegeven toen het bestuur verzocht de in 1933 doorgevoerde subsidiereductie van 20% ongedaan te maken. De aanleiding voor het verzoek vormt de verplichting voortaan loonbelasting en vereveningsheffing te betalen waarvoor het beschikbare budget weinig ruimte biedt. Op de maatschappelijke veranderingen, die met de Tweede Wereldoorlog zijn ingezet, kan het bestuur niet adequaat reageren. In het handschrift, een hoge leeftijd eigen, noteert de secretaris in het verslag van een bestuursvergadering in 1948 'nu zitten we met de gebroken stukken. Hoe tot een goede oplossing te komen?' Niet alleen het bestuur is oud geworden maar ook de directie van de muziekschool. Naar de nieuwe tijdsverhoudingen doen zich pensioenverplichtingen gelden zonder dat hiervoor gereserveerd is kunnen worden. 'Als een donderslag bij Helderen Hemel' zo noteert de secretaris, laat Robert medio 1948 weten, dat hij gezien zijn leeftijd per 1 oktober 1949 zijn functie wil neerleggen. Hij is dan 75 jaar en hij heeft er aan de muziekschool eenenveertig jaar op zitten. Over donderslag gesproken.
Het bestuur neemt manmoedig het besluit van het personeel een pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar in te voeren en de gemeente te verzoeken 80% van de kosten voor haar rekening te nemen. Een onderhoud met de wethouder van Onderwijs zal worden aangevraagd.
Finale presto
We keren terug naar de muziekschool, waar de docenten nog steeds met toewijding hun lessen geven en leerlingen al dan niet met enthousiasme zich muzikaal laten inspireren. Het leerlingental is tijdens de bezettingsjaren flink toegenomen. In 1943 zijn er voor viool 43, voor piano 80, voor cello 12, voor solozang 8 leerlingen, de solfègeklassen puilen uit met 150 leergierigen. Het lesrooster is in 1941 uitgebreid met enkele nieuwe vakken. Er zijn voortaan fluitlessen waarvoor
mej. Bleijs uit Den Bosch wordt benoemd. Naast zijn pianoles geeft Vastersavendts Harmonie en Theorie. Verder is er een vak compositieleer, waarvan niet duidelijk is of er leerlingen voor zijn. Het bestuur vond dat zo'n vak 'cachet' aan de school gaf. Stan Donders van
Eijck, dirigent van het Tilburgs Stedelijk Orkest, wordt als docent aangesteld. Het honorarium zal pas ingaan als er zich leerlingen melden. Over cachet gesproken; als Vastersavendts in 1948 naar voren brengt dat er vraag is naar accordeonles voelt de meerderheid van het bestuur er niet veel voor. De voorzitter is gelukkig zakelijk genoeg om te wijzen op het marktmechanisme. Als wij het niet doen, gaan ze naar de concurrentie, stelt hij vast.
In dezelfde tijd weten directeur en bestuur niet goed raad met het initiatief van een ondernemende lerares, die op eigen houtje met een operetteklas is begonnen. Na verloop van tijd draait alles bij. De operetteklas, waar klaarblijkelijk belangstelling voor is, wordt gesanctioneerd.
Van actualiteit getuigt het voorstel van de directeur in de bestuursvergadering van 13 juni 1949 het lesrooster uit te breiden met een klas voor ritmische gymnastiek en dans. Het bestuur is er helemaal voor in. Het is vrijwel zeker dat dochters en kleindochters van de bestuursleden bij voorbaat staan te trappelen. Er zijn 12 aanmeldingen binnen. In het schooljaar 1949/50 begint de Tilburgse Muziekschool met haar balletopleiding. De eerste docente is Nienke
Buddingh. Haar naam hebben we aan de vergetelheid kunnen onttrekken via Harry van de
Sanden, die zelf als pianist vanaf het begin de balletlessen heeft begeleid. Zij is overigens niet zo lang hier geweest. Vervolgens zijn er Joke van de Plank, met artistennaam Joy Jury, en Annemarie Verhoeven, beiden uit Rotterdam van de opleiding van Netty van de Valk. In 1951 treedt Tonny Geelen aan om de gelederen te versterken. Zij is eveneens van de Rotterdamse dansopleiding afkomstig. De jonge lerares begint met twee lessen maar dat is al gauw niet meer genoeg. La jeunesse dorée de Tilbourg hunkert naar de gratie van het ballet.
Op de valreep van de fusie met het conservatorium telt de balletopleiding 120 leerlingen, verdeeld over 10 klassen. De solfègeklassen tellen er 134, piano 87, viool 21, orgel 2, blokfluit 40, gitaar 6, accordeon 10, viool samenspel 9, blokfluit samenspel 13 en de operetteklas 44 leerlingen. Deze telling dateert van 7 december 1954.
EEN SYMPHONIE FANTASTIQUE
Overheidsontwaken
We hebben gezien dat het bestuur van de muziekschool in 1949 bij de gemeente aan de bel gaat trekken om aandacht te vragen voor de precaire financiële situatie. Na gesprekken met de wethouder en een brief aan de gemeenteraad wordt het jaarlijks subsidiebedrag in 1950 verdubbeld tot ten hoogste
f 8.000. Met inbegrip van de lesgelden bedragen de begrotingsmiddelen van de muziekschool nu
f 18.712.
Maar er is meer. Niet alleen de muziekschool maar ook het conservatorium van de Katholieke Leergangen kampt met een chronisch exploitatietekort. Daarnaast klagen docenten over de huisvesting, de salariëring en zaken die als een gebrek aan leiding en verbeeldingskracht kunnen worden samengevat. Vanaf het begin heeft de gemeente Tilburg naast het verlenen van allerlei andere faciliteiten de Leergangen met een jaarlijkse subsidie van
f 5.000 per onderwijssector gesteund. Dat bedrag is bij lange na niet meer voldoende. Bij een van de besprekingen van de Leergangen met de gemeente Tilburg over deze materie is het balletje van een fusie van Conservatorium en Tilburgse Muziekschool al eens zonder direct effect aan het rollen gebracht. Voor een goed begrip van dit alles moeten we opmerken, dat notabele ontmoetingslijnen in Tilburg vaak belangrijker zijn dan bestuurlijke.
Uitwisseling van ideeën en het voorkauwen van beslissingen lijkt dan ook meer te gebeuren in vriendelijke onderonsen dan ten
stadhuize. Maar, honi soit qui mal y pense.
Eidoch, er is nog meer. In die jaren speelt de oprichting van het Brabants Orkest en de beslissing over de plaats van vestiging. Tilburg maakt zich sterk. Het heeft zijn Conservatorium en zijn semi-professioneel Tilburgs Stedelijk Orkest. Het ontbreken van een behoorlijke concertzaal probeert het gemeentebestuur met zijn ambitie te compenseren. Het gebruik van het conservatorium als wapen in de strijd heeft een onbedoeld gevolg. Het legt onverhoeds en ongenadig de zwakheden bloot in het onderwijsniveau met zijn deels onbevoegde en onderbetaalde docenten. Het zijn ook redenen waarom rijkserkenning is uitgebleven.
Het curatorium trekt zijn plan en verzoekt de gemeente begin 1952 ontheffing te verlenen van de bij overeenkomst in 1924 aangegane verplichting het muziekconservatorium in stand te houden. De gemeente is in principe bereid aan dit verzoek onder voorwaarden tegemoet te komen. Naar het oordeel van het gemeentebestuur behoren de verplichtingen over te gaan naar de nieuwe stichting, die het conservatorium zelfstandigheid zal geven en die ook voor de gemeente aanvaardbaar behoort te zijn.
In het kader van de ontwikkelingen voert het gemeentebestuur overleg met de rijksinspecteur voor het muziekonderwijs dr.
C.L. Walther
Boer.(14) Het conservatorium heeft volgens hem niet meer niveau dan een normale muziekschool. Dit oordeel ontleent hij aan een bijgewoonde auditie. Van de Tilburgse muziekschool heeft hij evenmin een hoge pet op. Maar dat oordeel is vooralsnog gebaseerd op het feit dat het schoolbestuur heeft nagelaten hem inlichtingen te verstrekken. Het gemeentebestuur gelieve hierin actie te nemen. Met de autoriteit van zijn functie geeft hij aan dat de gemeente in verband met de subsidiëring hem dient te verzoeken een rapport over de school uit te brengen. Het muziekonderwijs in Tilburg moet een bredere basis krijgen om rijkserkenning voor het conservatorium te kunnen verwerven. Zo'n instelling zal zijns inziens van onderaf moeten groeien. Daarom moet het bestaande instituut uit de organisatie van de Leergangen worden gelicht. Ten slotte laat hij fijntjes weten, dat de gemeente Rotterdam aan zijn conservatorium
f 80.000 bijdraagt.
De muziekschool komt er in de rapportage van de inspecteur minder negatief uit dan hij zelf bij voorbaat lijkt te hebben gedacht. Hij heeft in 1952 twee keer de school bezocht en een leerlingenuitvoering bijgewoond. Van de solfègeklassen voor kinderen heeft hij een gunstige indruk gekregen. Deze klassen moeten het fundament van het onderwijs vormen. De lestijden van het instrumentale onderricht moeten worden uitgebreid. Over de muzikale waarde van de
kinderzangklassen, de operetteklas en de balletklassen heeft hij zijn twijfels. De directeur heeft met zijn Belgische diploma geen Nederlandse onderwijsbevoegdheid. Hij dient bij het Toonkunstenaarsregister een inschrijving aan te vragen als pedagoog. Een deel van de leerkrachten heeft geen diploma voor muziekonderwijs. De sociale voorzieningen voor het personeel zijn onvoldoende. Daarnaast vindt de inspecteur het van de zotte, dat de directeur als verhuurder van de schoolpiano's optreedt.
In zijn eindconclusie merkt hij op dat een groot aantal leerlingen zo goed mogelijk muziekonderwijs ontvangt. Er is daarom geen aanleiding het nut van de bestaande subsidie in twijfel te trekken.
Chapeau.
De rapportage en verdere aanbevelingen van de inspecteur geven de gemeente argumenten de fusiegedachte in ontwikkeling te brengen. Aantrekkelijk is het vooruitzicht van een rijkssubsidie voor een muziekopleiding, die aan de nieuwe normen zal gaan voldoen.
Medio maart 1953 laat het gemeentebestuur aan de inspecteur voor het muziekonderwijs weten, in principe bereid te zijn het gemeentelijke subsidiebedrag voor het muziekonderwijs in Tilburg te verhogen. Voorwaarde daarbij is, door een aanvaardbare reorganisatie een gezonde basis voor de verdere ontwikkeling van het muziekonderwijs in de gemeente te leggen. In de reorganisatie dienen zowel het conservatorium als de Tilburgse muziekschool te worden betrokken. De inspecteur krijgt mede het verzoek bij het tot stand brengen van de reorganisatie zijn bemiddeling te verlenen.
Na diverse besprekingen gaat het bestuur van de muziekschool met weinig overtuiging eind 1953 akkoord met de instelling van een gemeenschappelijke voorbereidingscommissie.
Roomschen, dat zijn we met ziel en met harte
Ondanks het feit dat de Stichting Roomsch Katholieke Leergangen van het conservatorium af wil - het dient geen nationaal katholiek belang en er moet geld bijgelegd worden - blijft ze alert om haar invloed op de verdere ontwikkelingen te laten gelden. Op 21 mei 1954 laat het curatorium een Stichting
'Tilburgs Conservatorium en Muziekschool' oprichten. De nieuwe stichting staat op katholieke grondslag en krijgt als doelstelling het bevorderen van het muziekonderwijs in Noord-Brabant. Namens het curatorium zijn er al vijf bestuursleden aangewezen. Nadien wordt in kringen van de Leergangen de gedachte geopperd de nieuwe stichting te liquideren en het gemeentebestuur van Tilburg te verzoeken een gemeentelijk conservatorium op te richten. De gemeente zelf houdt zich met deze optie al bezig. De nieuwe wethouder van onderwijs, inmiddels
N.H. Pontzen, vindt in de overgedragen bagage van zijn voorganger hiervoor een
concept-raadsbesluit. Hierin is sprake van een gelijknamige stichting met een gelijkbewoorde doelstelling, maar uiteraard zonder wereldbeschouwelijke grondslag. Dat laatste is nu precies de steen des aanstoots voor het Leergangenbestuur in verband met de afdeling Kerkmuziek.
De gemeentelijke oplossing is overigens uitsluitend ingegeven door de gedachte langs deze weg voor het personeel aanspraken op pensioen te krijgen. Besprekingen met een vertegenwoordiger van de pensioenraad maken gauw duidelijk dat deze vlieger niet opgaat voor de personeelsleden waarvoor geen premie is betaald. Eind 1954 besluiten B&W na afweging van alle consequenties geen gemeentelijk conservatorium te stichten. Wel verklaart het college zich bereid te zijner tijd onder nadere voorwaarden een bijzonder conservatorium mee te subsidiëren. Bij dit besluit is aangetekend dat de wethouder de toekomstige status van de Tilburgse muziekschool in studie neemt; hetgeen erop neerkomt, dat hij de gehele aangelegenheid nog moet leren kennen.
Op 1 april 1954 is er een bespreking geweest van delegaties van de besturen van de Tilburgse muziekschool en van de door de Leergangen in het leven te roepen nieuwe stichting. Dit gesprek heeft geen gevolg gehad en de muziekschool lijkt in het onzekere te verkeren. Het bestuur van de muziekschool beklaagt zich hierover bij het curatorium in een brief van 14 december 1954. Omdat de secretaris als ondertekenaar zich als geadresseerde zou terugvinden, is de brief geconcipieerd door
Vastersavendts, de directeur, en getekend door bestuurslid Kerstens. Het effect van de brief is waarschijnlijk contraproduktief geweest.
In de loop van de tijd blijkt de naamgeving van de stichting te zijn gewijzigd. In plaats van
'Tilburgs' gaan conservatorium en muziekschool voortaan 'Brabants' heten. Deze wijziging zal zijn aangebracht om het wervingsgebied van de instelling tot uitdrukking te brengen.
Uit het curatorium van de Leergangen komen geluiden eventueel zonder de Tilburgse muziekschool verder te gaan. Ze zijn weliswaar van voorbijgaande aard, maar tekenen wel de positie die partijen ten opzichte van elkaar innemen.
Medio 1955 heeft men overeenstemming bereikt met de parochiële muziekschool ''t
Westend'. Deze instelling met 130 leerlingen en 9 leerkrachten, waarvan de meeste niet hoeven te worden gehandhaafd, zal een aandeel gemeentesubsidie meebrengen. De Tilburgse muziekschool, waarvan het bestuur zich inmiddels beperkt tot drs. A. van
Spaendonck, J. Kerstens, dr. Cl. Postma en drs. H. Loevendie, is door alle ontwikkelingen in een murw geslagen situatie terechtgekomen. Het verslag van Loevendie als secretaris van de waarschijnlijk laatste bestuursvergadering op 10 juni 1955 ademt de sfeer van een sterfhuis. Fusie met het conservatorium biedt de enige mogelijkheid een pensioenvoorziening te regelen voor directeur en gediplomeerde leerkrachten, die mee overgaan. Het is een situatie van overgave, een capitulatie!
Nieuwe stemvorken
De stichting Brabants Conservatorium en Muziekschool vraagt in juli aan de gemeente Tilburg voor het jaar 1956 een subsidie van ¦ 30.000 aan. Met bestuurlijke voortvarendheid beslist de gemeenteraad in zijn vergadering van 29 juli zoals wordt verwacht. Het bestuur van de Tilburgse Muziekschool krijgt van B&W bericht dat haar subsidie van ¦ 8.000 is ingetrokken. De motivering is 'het verlenen van een nieuw subsidie aan de stichting "Brabants Conservatorium en Muziekschool", in welke stichting Uw muziekschool en het Conservatorium aan de Bosscheweg onder één verband en onder één bestuur zijn gebracht'.
Het bestuur van de stichting neemt formeel per 1 september 1955 de bevoegdheden over van het curatorium en van het bestuur van de Tilburgse Muziekschool. Eerder zijn namens de Leergangen als leden van een commissie van voorbereiding aangewezen
J.P.M. Meuwese, burgemeester van Hilvarenbeek, voorzitter, A.M. Bakers, arts te Eindhoven, dr. A.C. Beukers, arts te Tilburg,
mgr. prof. dr. Th. Goossens, rector van de Katholieke Leergangen, J.L. Meys, wethouder te Breda, penningmeester en de professionele functionaris van het curatorium, drs. H.
Loevendie. Als secretaris heeft laatstgenoemde het merendeel van de voorbereidingen georganiseerd. De priester-muziekhistoricus prof. dr. A. Smijers te Huis ter Heide wordt toegevoegd als adviseur van het bestuur. In het vooruitzicht dat de groep als bestuur gaat fungeren en de nieuwe instelling een feit is, mogen drs. A. van Spaendonck en dr. C. Postma namens de Tilburgse Muziekschool aanschuiven. Verder is er nog een bestuursplaats opengehouden voor een vertegenwoordiger van het Brabants Orkest.

De huisvesting van het Brabants Conservatorium
aan de Bosscheweg (thans
Tivolistraat), naar ontwerp van architect H.C. Bonsel uit 1930, waarin sinds
de
fusie ook de Tilburgse Muziekschool
gevestigd is geweest (foto 1930). (coll.
RHC Tilburg).
De toen nog twee zelfstandige Tilburgse dagbladen maken ieder met eigen accenten op 20 juli 1955 het grote nieuws wereldkundig. Het Nieuwsblad kopt: Tilburgs Conservatorium staat thans los van de R.K. Leergangen. Muziekonderwijs in Brabant in goede banen geleid. De Nieuwe Tilburgse Courant maakt ervan: Conservatorium zelfstandig. Tilburgse Muziekschool wordt als onderbouw toegevoegd. Dagblad De Tijd - o zalige tijd - meldt een tekort aan hout- en koperblazers.
De Tilburgse muziekschool vormt in de nieuwe opzet de onderbouw. Ze brengt mede haar balletklassen in, onder leiding van Tonny
Geelen, die in de verdere ontwikkeling tot vakklassen zullen uitgroeien. J. Vastersavendts is adjunct-directeur naast dr.
P.J.A.M. de Bruyn van de afdeling Kerkmuziek. De directeursplaats is vacant tot Willem Goedhart in oktober zal aantreden. Hein
Jordans, dirigent van het Brabants Orkest, heeft zich voor de orkestklasse tot samenwerking bereid verklaard.
De opleiding begint in september 1955 met 40 studenten voor het conservatorium en een 600 leerlingen in de afdelingen muziekschool en ballet, waarvan een kleine 500 met de Tilburgse Muziekschool zijn meegekomen. Het docentental is 50. Dat het bestuur zoveel artsen telt, heeft geen medische bijbedoelingen. Dokter Beukers is voorzitter geweest van het voormalige Tilburgs Stedelijk Orkest. Het nog beschikbare bedrag van
f 12.000 uit het garantiefonds van het orkest is door het liquidatiefonds aan de nieuwe muziekopleiding geschonken. Zoveel verwachtingsvolle sympathie is een bestuursplaats waard en de Tilburgse inbreng is ermee gediend. Hetzelfde geldt voor dokter Postma.
Alle optimisme ten spijt blijven de financiële positie en de exploitatie van de nieuw gemonteerde speelliedenopleiding een bron van grote zorg. De steeds maar weer vooruitgeschoven problemen van een pensioenregeling voor het personeel laten zich in toenemende mate gelden. Daarnaast zijn er nog andere financieringsproblemen, zoals voor aanschaf en onderhoud van instrumenten en andere lesmaterialen.
Op deze plaats gaan we daar niet verder op in; we volstaan met het volgen van de
muziekschool.(15)
In samenklank
Het is niet eenvoudig geweest om over de periode van samengaan met het conservatorium sluitende gegevens te vinden. Niet overal is een toegankelijk archief beschikbaar. Het bewaren van vroegere data kan evidentelijk niet ieders belangstelling
opwekken.(16) Voor de hoofdlijnen zijn we aangewezen op wat in de wandeling de Kroniek van Telkamp wordt
genoemd.(17) Verder hebben we enige verdwaalde vergaderstukken en nota's van G. Telkamp kunnen raadplegen.
De directie
Nadat Jos Vastersavendts in 1958 met pensioen kan gaan, treden achtereenvolgens Wim ter Burg en in 1960 Guus Smeets aan als directeur van de muziekschool, gecombineerd met een onderwijsfunctie aan het conservatorium. Smeets treedt in 1962 terug om provinciaal muziekconsulent te worden. In deze functie heeft hij nog met de muziekschool te maken als adviseur van het bestuur. Hij wordt opgevolgd door Gerard Telkamp, die vanaf 1956 als leraar piano en theoretische vakken aan het conservatorium verbonden is. Het directoraat van Telkamp loopt tot eind 1983 en zet een duidelijk stempel op de inrichting en vormgeving van de muziekschool. De directeur krijgt niet alleen te maken met de uitbouw en structurering van het muziekonderwijs, maar ook met de configuratie van ontwikkelingen in de balletafdeling. Verder is er in 1968 de ontkoppeling en weer verzelfstandiging van de muziekschool, die in goede banen moet worden geleid in combinatie met de jarenlang slepende problematiek van de huisvesting. Over al deze onderwerpen schrijft Telkamp nota's en adviezen. Hij legt daarbij een gedrevenheid aan de dag, die het bestuur niet altijd schijnt te kunnen bijbenen.

Gerard Telkamp was van 1962-1984 directeur van de
TDMS (part. coll.).
Het muziekonderwijs
De na-oorlogse geboortegolf, een verbetering van het algemene welvaartsniveau, de werking van het 'Nachahmungsprinzip' en een statusaanpassing van het muziekonderwijs zorgen in de jaren zestig voor een 'stormachtige toeloop van leerlingen'. In 1964 telt de school in de verschillende onderdelen een totaal van 1254 leerlingen, te weten voor Algemene Muzikale Vorming en Elementaire Theorie 491, waarvan er 11 zich voorbereiden op de vakopleiding van het conservatorium. Voor piano, orgel en accordeon 169, voor blaas-, strijk-, slag- en tokkelinstrumenten, zang en clavecimbel samen 275. Verder volgen 64 leerlingen de opleiding Harmonie en Fanfare. Daarnaast bewegen zich in de balletklassen 255 leerlingen op de spitzen. Het bestuur ziet zich in 1965 genoodzaakt maatregelen te nemen om de invloed in te dammen, maar tegen de jeugdige muziekhonger is weinig kruid gewassen.
De muziekschool speelt hierop in met het openen van wijkscholen voor de algemene muzikale vorming van de jongsten. In de oude politiepost op Korvel, een leslokaal in de school aan de Zouavenlaan, bij de Goede Herder, aan de Pelgrimsweg, op de Veldhoven. Later volgen nog de Stokhasselt, de Heikant, het Wandelbos, de Schouwburg, 't Zand en de Hoorn in Loon op Zand. De gehele stad raakt gemobiliseerd voor het verlenen van onderdak. De inwoning in het Conservatoriumgebouw aan de Tivolistraat, de tegenoverliggende lesgebouwen en villa, ze raken vol en trillen van muziek in alle toonaarden van oefening. In 1969, telt de muziekopleiding 1788 leerlingen en de balletklassen 803.
Sinds twee jaar is er een operetteklas met 33 leerlingen, die in overleg met de Bond van amateur Opera- en Operettegezelschappen, afgekort B.O.O.G. tot stand is gekomen. Nadat er eerder al een jeugdorkest speelt, vermeldt een orkestplan in 1967 de aanwezigheid van twee jeugdorkesten onder leiding van M. Kasbergen. Een ervan gaat samenspelen met het orkest van het Pauluslyceum onder leiding van Jan Jansen. Daarnaast zijn er voor het samenspel twee barokensembles met een bezetting van 30 en 20 leerlingen onder partituur van H. Jansen, een vocaalkwartet met J. van der Peet en een klarinetkwartet met C. van Zundert als begeleiders. Voor de Harmonie- en Fanfareklassen van conservatorium en muziekschool begint Lucius Voorhorst met een harmonieorkest waar de leerlingen om de beurt dirigeren.
De balletopleiding
Over jubileren gesproken, de muziekschool kan dit jaar terugzien op 45 jaar balletopleiding. Deze periode heeft ups and downs gekend, eigen aan de gevoeligheid van in ontwikkeling zijnde artistieke ambities. Een eerste dip ontstaat in 1958 uit een aanvaring van de balletdocente Tonny Geelen met directeur Wim ter Burg. Zij vertrekt en met haar een meerderheid van de leerlingen. Haar wrevel vindt begrip. De opvolgende directeur Guus Smeets slaagt erin de vrede te herstellen en Tonny Geelen terug te laten komen als balletdocente. Naar het oordeel van Telkamp heeft het conservatorium dan nog weinig zicht op de betekenis van de balletopleiding. Maar ook elders in Nederland is ze nog bezig een plaats in de vakopleidingen te veroveren. In 1964 vindt er een gezamenlijk optreden plaats van het conservatoriumorkest en de balletopleiding van de muziekschool. Deze manifestatie krijgt op aangeven van Telkamp aandacht van de nieuw aangetreden directie van het conservatorium, Louis Toebosch en zijn adjunct Claessens. Zij tonen belangstelling voor een vakopleiding; een aantal besprekingen volgen. In september 1965 opent het conservatorium met Dorothy A. Vasseur de opleiding balletpedagogiek. Na drie maanden verwerft de opleiding haar rijkserkenning.
Ongeveer tezelfder tijd komen fusiebesprekingen op gang met enkele particuliere opleidingen, waardoor Yvonne Remmen en Louise Robben met leerlingen naar de muziekschool komen. Rosemarie Rooskens en Henny Creyts komen in deze jaren het docentencorps versterken.

Directeur (1984-1989) Carole Muizelaar (links) en adjunct-directeur Dans (1970-heden)
Els Mulders (rechts) bij het in 1988 geopende nieuwe complex van de TDMS aan het
Kapelaan Poellplein (TDMS).
In 1967 telt de muziekschool voor haar balletopleiding acht verspreid gelegen lesplaatsen met 680 leerlingen in 50 klassen. Ze telt dan 14 docenten, de meeste in part-timedienstverband. De leiding van de balletklassen berust in deze periode bij Eeke Thomée. Zij vertrekt in 1968 en wordt opgevolgd door Frank Polak. Via contacten met Philip Nasta zijn in 1965 gesprekken op gang gekomen met de Ecole de Ballet van Els Beerens-Mulders. Deze opleiding, later onder de naam Tilburgse balletschool, is omstreeks 1954 begonnen en heeft een goede naam. Eerst in 1970 kunnen partijen tot overeenstemming komen. Per 1 juli van dat jaar treedt Els Mulders als stafdocente in dienst van de muziekschool en brengt zij haar leerlingen mee. De balletopleiding maakt florerende jaren door. Groot is dan ook de ontsteltenis als in 1975 Polak met twee docenten en ruim 50% van de balletleerlingen vrij abrupt de muziekschool de rug toekeert en een particuliere opleiding begint. Samen met Tonny Geelen, Philip Nasta, Monique Sanders, Jos Brekelmans, Patty Schoolbred en Els Verberk weet Els Mulders de opleiding in goede banen te houden, zodat zein 1978 weer een 1000 leerlingen telt. Na verloop van tijd wordt Els Mulders door het bestuur benoemd tot adjunct-directeur Dans, in welke functie we haar thans nog mogen ontmoeten.
TERUG NAAR EEN EIGEN KLANKKAST
Het wettelijk kader
Op 1 augustus 1968 treedt de Wet op het voortgezet Onderwijs, beter bekend als de Mammoetwet, in werking. Als gevolg daarvan komen de instellingen voor muziekvakonderwijs, de conservatoria, in de werkingssfeer van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Wat meer is, ze worden voortaan van rijkswege bekostigd, het personeel krijgt een herkenbare rechtspositie en er komen onderwijs-inhoudelijke veranderingen.
De muziekscholen blijven als instellingen van cultuurspreiding onder de inspectie van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk ressorteren. In de taakstelling komt de nadruk meer te liggen op 'muzikale volkspedagogie', het oproepen en ontwikkelen van sluimerende muzikale krachten bij de leerling, de amateuristische muziekbeoefening, het plezier van het samenspel en het musiceren als vorm van zinvolle
vrijetijdsbesteding.(18) De nieuwe wetgeving lijkt door het muziekonderwijs met instemming te zijn begroet. Zeker in Tilburg moet dat het geval zijn geweest, waar de muziekschool door het gemeentebestuur voor het behoud van het conservatorium was ingezet. Die toeleg mag geslaagd heten, ja!.
Onder eigen vlag
De Tilburgse Muziekschool krijgt weer een status aparte en wordt in een zelfstandige stichting ondergebracht om opnieuw een eigen identiteit waar te maken. Vanwege de boedelscheiding en allerlei andere regelingen blijft ze aanvankelijk wel onder regard van het bestuurscollege van het conservatorium. Uit dit college ontstaat vervolgens een overgangsbestuur, dat in 1972 een relatief zelfstandige vorm krijgt. Het zorgt ervoor dat op 9 april 1973 een nieuwe Stichting Tilburgse Muziekschool wordt opgericht. Hopelijk zijn we volledig in de vermelding van de samenstelling van dit eerste bestuur, te weten ir. H.M. Meyer, voorzitter, P.J. Knegtel, en drs. G.C.M. Kroon, secretaris. In 1973 wordt de voorzitter opgevolgd door drs. A. Key. Vervolgens treden er nog allerlei andere mutaties en bestuurswisselingen op.
Dank u wel
De gemeente reageert alert op de nieuwe situatie. Ze laat in 1969 aan het bestuur vriendelijk weten een nieuwe grondslag voor de subsidiëring van de muziekschool te zullen toepassen. Uitgangspunt daarbij is dat een verhoging van lesgelden compensatie kan bieden. Met deze oekaze van 1 juli 1969 begint voor een reeks van jaren een serie besprekingen over deze materie en alles wat ermee samenhangt. Opmerkelijk is de opvatting van de gemeente, dat ballet niet direct in de muziekschool thuishoort en daarom via een afbouwregeling vanaf 1974 niet meer voor subsidie in aanmerking kan komen. Het verweer van de muziekschool met verwijzing naar de pedagogische en cultuurvormende betekenis van ballet haalt vooralsnog niets uit.
Huisvestingsperikelen
Een ander punt van vasthoudend en ontmoedigend overleg met de gemeente vormt voor een reeks van jaren de huisvesting van de muziekschool. Verbouw-, aanbouw- en uitbreidingsplannen, nieuwbouwplannen met programma's van eisen vervluchtigen in een hardnekkig fata morgana van muzikale luchtkastelen... Het onderdak in het door het conservatorium verlaten lesgebouw is ondanks alle in- en aanpassingen allerminst berekend op het compacte gebruik door een sterk gegroeide muziekschoolpopulatie. Het bestuur brengt de 'Ontmoedigende ellende rond huisvesting Tilburgse Muziekschool' in een 'Zwartboek' bijeen en biedt het document op 22 juni 1977 aan het college van B&W aan. De gemeente blijkt in die jaren wel over allerlei medeplanners en welwillende wethouders te beschikken. Maar al dit smaakmaken is voorlopig nog niet opgewassen tegen de voorkeuren van een gemeenteraad, die met matige kasmiddelen een eigen agenda hanteert.
Het huisvestingsleed kan pas in de jaren tachtig tot een oplossing worden gebracht. De gemeente zoekt in die periode een culturele bestemming voor een deel van een industrieel-archeologisch monument op het Goirke. Na alle voorafgaande teleurstellingen kan in 1988 bij de officiële opening van de nieuwe huisvesting de vlag in top. De stedelijke uitbreidingen op de oude vloeivelden in het westelijk stadsgebied zullen in de loop der jaren de excentrische ligging ten opzichte van de muzikale cliëntele corrigeren. Gouverner, c'est prévoir en afzien loutert.
Directiewisseling
Alles bijeen zijn het hectische tijden voor allen voor wie de muziekschool een cultureel ideaal, een toewijding, een besmeerde boterham en wat de leerlingen betreft, een muzische verwachting vertegenwoordigt. De directeur vraagt en krijgt versterking met het aantreden in 1979 van Carole Muizelaar als adjunct. Na het terugtreden van Gerard Telkamp in december 1984 volgt mevrouw Muizelaar hem als directeur op. Haar directieperiode wordt gemarkeerd door de voorbereiding en uitvoering van de verhuizing naar het nieuwe onderkomen. Intussen moet het lesprogramma van muziek en ballet als gebruikelijk doorgang vinden. Aan de Kroniek ontlenen we het volgende beeld van een gestage ontwikkeling en opmerkelijke toename van aantal en soort lessen, gemeten naar drie muziekpedagogische
aspecten.(19)
| jaar | technische vaardigheid |
toegepast in groepsverband | theorie, stijl en begrip | totalen |
| 1968 | 21 | 5 | 3 | 29 |
| 1988 | 40 | 25 | 7 | 72 |
Nadat de zorg van de verhuizing is afgerond en de muziekschool zich als een parel in een oester kan wanen, neemt Carole Muizelaar afscheid. Aan het einde van het schooljaar 1989 vertrekt ze om een muziekinhoudelijke functie in omroepland te aanvaarden.
Il n'y a qu'un pas van Groningen naar Tilburg voor Bert van Herreveld. Hij is er directeur van de Stedelijke Muziekschool, totdat hij in augustus 1989 de overstap naar Tilburg maakt. Hij kent de stad, waar hij eerder als Gelders onderwijsman aan het Brabants Conservatorium zijn schoolmuziekopleiding heeft genoten.

De huidge directeur (sinds 1989) Bert van Herreveld
(TDMS).
Het is zijn taak de structuren van de Tilburgse Dans- en Muziekschool uit te bouwen, het onderwijspatroon met nieuwe initiatieven te verrijken en in de maat te blijven met de ontwikkelingen in de wereld van de muziek.
Molto vivace
De hoofdlijnen van de opleidingsmogelijkheden laten dan ook een veelsoortigheid zien waar de Urhebers van het muziekonderwijs in Tilburg 125 jaar geleden niet van gedroomd kunnen hebben. Een opsomming van de instrumentale lessen klinkt als een geseculariseerde litanie van alle heiligen. Koper: bugel, cornet, piston, trompet, hoorn, trombone, tuba. Hout: blokfluit, dwarsfluit, traverso, hobo, klarinet, fagot, saxofoon, -sopraan, -alt, -tenor, -bariton. Toets: accordeon, elektrisch orgel, keyboard, synthesizer, clavecimbel, spinet, pijporgel, piano. Slagwerk: drums, percussie, melodisch; marimba, xylofoon, vibrafoon, pauken, buisklokkenspel. Strijk: viool, altviool, cello, contrabas. Tokkel: harp, gitaar, modern gitaar, elektrische gitaar, basgitaar. Zang is er in alle toonaarden van gregoriaans tot pop en jazz, in solo en koor of ensemble. Van de laatste jaren zijn de gewaardeerde instrumentale en vocale workshops en projecten met thema's als pop, jazz/improvisatie oud en nieuw, muziekstijlen met jazz, pop, rock, brazil, house en andere actualiteiten, sologitaar, piano-improvisatie.
Ensembles en koren onder leiding van de docenten bieden vele mogelijkheden tot samenspel in samenhang met de muzikale vorderingen. Hiertoe behoren het Tilburgs Gitaarensemble, twee idems voor junioren en voor modern gitaar. Strijkensemble, Samenspelklas Barokmuziek, Heterogeen beginnersorkest, Tilburgs Vocaalensemble, Tilburgs Symfonieorkest, Tilburgs Begeleidingsorkest, Ensembles voor Blokfluiten, voor Harp, voor Slagwerk, voor Volksmuziek, voor Accordeon, voor Saxofoon, als Trombonekwartet, als Vrouwenkoor, in Big Band, Jeugd-, Leerlingen- en Seniororkesten. Heel Tilburg kan in de muziekwinkel van Van Herreveld zijn gading vinden. Van Muziek op schoot tot theorie, geschiedenis en beluisteren zonder leeftijdsgrens. De jongste leerling op schoot is 8 maanden en de oudste aan de piano telt bijna tweeëntachtig jaar. De benaming Tilburgse Dans- en Muziekschool, die sinds de jaren tachtig is gekozen, geeft de betekenis goed weer van de bewegingsvorm van muziek, dans en ballet. De dansante vorming is er voor jonge kinderen, jeugdigen en volwassenen in een rijke verscheidenheid van stijl en oriëntatie. Kleuterballet, dansvorming en dansexpressie voor de kinderen. Voor jeugdigen en volwassen het klassiek ballet, modern ballet, jazzdans, newdance, tapdance, dansexpressie, flamenco voor beginners en gevorderden tot en met een cursus bewegingstraining. Sinds 1981 bestaat in relatie met de TDMS het Middenbrabantse Dansensemble Paso Mezzo. Het doel ervan is het gezamenlijk instuderen en uitvoeren van choreografie in alle
dansvormen.(20)
Hiermee is de Tilburgse Dans- en Muziekschool enigszins ten voeten uit aan u voorgesteld. Er is nog veel meer over te vertellen, bijvoorbeeld over haar plaats in het muziekleven van Midden-Brabant, over haar uitstraling in koren en orkesten, over het lokale muzikale draagvlak, over haar bijdrage aan de broodnodige muzische en culturele differentiatie in wat een moderne industriestad heet te zijn, over de zinvolle besteding van overheidsgelden voor de werkgelegenheid van 75 professionals, voor het genoegen en de zingeving van 'n 3000 leerlingen uit alle lagen, alle leeftijden, alle smaak- en opleidingsniveaus van de bevolking, van mensen die in de amateuristische beoefening van muziek en dans uitdrukking van hun levensgevoel willen vinden. Dat en nog meer zal allemaal te beleven zijn in het nog uit te geven jubileumboek.
Gegeven te Tilburg op de feestdag van TDMS 24 april 1994, dr. Frans van Puijenbroek
Huidige samenstelling van het Bestuur van de Tilburgse Dans- en Muziekschool.
M.C.M. Aerts, voorzitter, Kaatsheuvel
mr. M.M.A.A. van Oosterhout, secretaris, Tilburg
drs. J.J.Ch. Lammertink, penningmeester, Tilburg
drs. K.J.G.M. Vermunt, Tilburg
dr. W.F. de Nijs, Berkel-Enschot
Mw. drs. C.B.M.E. van Diessen-Franssen, Tilburg
Mw. drs. M.J.M. Otten, Tilburg
dr. ir. P.H. Vos, Tilburg
Noten
Mijn dank gaat uit naar velen, die mij bij het naspeuren van gegevens behulpzaam zijn geweest, zoals het Gemeentearchief Tilburg en medewerkers,
i.h.b. dhr. Frans van Zutphen. Voorts dhr. Ben Verschuuren, dhr. Kremers van de Kon. Liedertafel 'Souvenir des
Montagnards', mw. Tonny Geelen, Curatorium-archief Katholieke Leergangen/ dhr. W.A. van der Wiel, van de TDMS mw. José van
Helfteren, dhr. Kees Büster en de dames Marie-Jozé Kemps en Karin van Oort.
(1) Zie voor deze periode: H.J.A.M. Schurink en J.H. van Mosselveld (red.),
Van heidorp tot industriestad, Tilburg 1955. H.F.J.M. van den Eerenbeemt en
H.J.A.M. Schurink (red.), De opkomst van Tilburg als industriestad, Nijmegen 1959.
(2) Gemeentearchief Tilburg (GAT), Coll. Lamb. G. de Wijs, Uit de geschiedenis van de
Philharmonie, typeschrift 1940.
(3) Gedenkboek der 'Nieuwe Koninklijke Harmonie' van Tilburg bij gelegenheid van haar vijf-en-zeventig-jarig
bestaan, Tilburg 1918.
(4) Liedertafel 'Souvenir des Montagnards', Tilburg, Notulenboek A2,.
(5) J.D.C. van Dokkum, Honderd jaar muziekleven in Nederland, Amsterdam 1929, blz. 1-43.
(6) A.w., blz. 210.
(7) Herdenkingsschrift Dr. Willem Gehrels, 1885-1971, Amsterdam 1971, bijdrage Wouter Paap.
(8) GAT, Coll. L.G. de Wijs, inv. nr. D22/15.
(9) Jac. Urlus, Mijn loopbaan, Amsterdam z.j. (1930). Die Musik in Geschichte und Gegenwart, Alg. Enz. der
Muzik, Bnd 13, 1966.
(10) Gedenkboek Nieuwe Koninklijke Harmonie, a.w., blz. 39.
(11) Lamb. G. de Wijs, 25 jaar Tilburgsche Muziekschool, 1908-1933, Tilburg 1933. Volgens De Wijs zou Van Groenendael vanaf het begin aan de muziekschool van Kerk en Heuvel verbonden zijn geweest. Daarvan heb ik geen bevestiging kunnen vinden.
(12) F.J.M. van Puijenbroek en H.F.J.M. van den Eerenbeemt, Pronte Mensen, leven in Tilburg van
toen, Tilburg 1968. F.J.M. van Puijenbroek, 125 jaar VAN PIEREmenten, om de cultuur en om de
krenten, Eindhoven 1973. Paul van Dun, Van de socialisten verlos ons
Heer, Doct. scriptie gesch. RUU, Tilburg 1989.
(13) J.J.A.M. Gorisse, Het Sprookje van de muziek, Doct. scriptie, KUB, Oosterhout 1990.
(14) De Rijksinspectie is in 1947 ingesteld voor het toezicht op de uitvoering van het door minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen vastgestelde beleid voor muziekscholen. Aanbevelingen van een adviescommissie inzake het muziekonderwijs uit 1948 liggen aan dit beleid ten grondslag. Het is erop gericht randvoorwaarden te creëren voor kwaliteitsverbetering, uitbreiding en uniformering van het muziekonderwijs in Nederland. Het in het vooruitzicht stellen van een kleine rijkssubsidie is een prikkelend middel. De regelgeving richt zich op opzet en niveau van de opleidingen met als belangrijke elementen de onderwijsbevoegdheden en salariëring van de leerkrachten. In de daarbij behorende opvatting dient een muziekschool mede een vooropleiding te kunnen vormen voor een vakopleiding. Sindsdien zijn de inzichten gewijzigd.
(15) Gegevens zijn mede ontleend aan het archief van het curatorium van de R.K. Leergangen. In de uitgebreide publikatie gaan we op deze materie verder in.
(16) Ze zijn bij het Brabants Conservatorium niet voorhanden, dan wel niet geordend, dan wel vanwege waterschade niet toegankelijk. Dit is het resultaat van informatie zowel in het najaar 1993 als in het voorjaar 1994. Alles is mogelijk, maar onbevredigend blijft het wel.
(17) G. Telkamp, Kroniek van de Tilburgse Dans- en Muziekschool bij de opening van het nieuwe
lesgebouw, 7 mei 1988.
(18) J. Daniskas en A.J.M. Smeets, 'Het Muziekonderwijs in Nederland', in:
Jaarverslag 1978 van de Stichting Gemeentelijk Cultuurfonds, Den Haag 1979. Wouter Paap,
100 jaar muziekonderricht in Utrecht, Utrecht 1975.
(19) Kroniek, t.a.p., blz. 21.
(20) Prospectus 1993/1994 Tilburgse Dans- en Muziekschool.
* Dr. Frans van Puijenbroek (Tilburg,
1924), laatstelijk directeur van het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem.
Publikaties o.m. over de Brabantse klompenmakerij (dissertatie KHT 1959), de
Hasseltse kapel (1972), Boekhandel Van Piere te Eindhoven (1973) en Eindhovense
ondernemers in de 19e eeuw (1985).
Zie ook: Henk van Doremalen, 'Sociaal-historicus Frans van Puijenbroek (1924-2000)'.




